Idee voor een Wiki artikel? Lees in dit artikel hoe je kunt helpen!

Jousting

Uit Bokt

Ga naar: navigatie, zoeken
Jousting

Jousting is een sport die afgeleid is van de tournooien waaraan ridders in de middeleeuwen deelnamen in tijden van vrede. Deze tournooien dienden om de ridders te trainen voor de echte gevechten en bestonden uit verschillende onderdelen. 1 van die onderdelen was de joust waaruit later het huidige Jousting ontstaan is.

Het ontstaan van Jousting

Het Middeleeuws tournament (ook wel tournament of toernooi genoemd) was een wedstrijd tussen ridders, voornamelijk bedoeld als oefening en later ook als sport en is ontstaan aan het einde van de 11de eeuw, waarschijnlijk in Frankrijk.

Hoewel men tegenwoordig bij het woord ‘toernament’ vooral aan jousting denkt – het steekspel, waarbij twee ridders te paard elkaar met lansen uit het zadel proberen te stoten – kende het toernament meerdere onderdelen, waarvan jousting pas in de 14e en de 15e eeuw het belangrijkst werd.

Gedurende de 12e en de 13 eeuw was ‘de melee’ het spektakelstuk van het toernament. Jousting werd ook wel beoefend, hoewel het in deze tijd vaak de vorm aan nam van een teamsport en nog niet het één-op-één gevecht was dat het later zou worden.

Naast de melee en de joust werden soms ook de proeven te paard gereden. Eén van deze proeven zal de moderne lezer wel bekend voorkomen; het ringsteken, dat tot op de dag van vandaag nog beoefend wordt. Andere proeven te paard waren bijvoorbeeld het gooien van speren op een doelwit en het doorslaan van objecten met een zwaard.

Het verzamelwoord voor al deze onderdelen van het toernament was ‘krijgsdaden’. Behalve krijgsdaden te paard, waren er ook krijgsdaden te voet, bijvoorbeeld zwaardvechten en worstelen. Ook deze onderdelen maakten vaak deel uit van een toernament.

De melee

Een melee in de 15e eeuw

De melee werd vanaf het ontstaan van het toernament tot ongeveer halverwege de 13e eeuw als het spektakelstuk beschouwd. Het werd gezien als het meest prestigieuze onderdeel van een toernooi.

De hiërarchie van ridderlijke bezigheden werd als volgt gezien: het meest eervol was oorlog voeren, maar in tijden van vrede, als er niet gevochten hoefde te worden, was het zowel eerbaar als een goede oefening om deel te nemen aan een melee. De joust bevond zich onderaan de piramide van ridderlijke sporten, want deze was niet zo gevaarlijk en de deelnemers hadden minder vaardigheden nodig dan voor een melee of een veldslag. De joust werd voornamelijk gezien als een oefening voor jonge ridders.

De melee is naar alle waarschijnlijkheid ontstaan onder invloed van de opkomst van de zware cavalerie. De lichte cavalerie was als sinds het klassieke tijdperk in gebruik, maar aan het einde van de 11e begon de zware cavalerie een grote rol te spelen op het strijdveld, een rol die in de 12e eeuw nog eens werd uitgebreid. Een tijdlang was het hebben van een goede zware cavalerie de sleutel tot het winnen van een oorlog.

De zware cavalerie week af van de lichte variant op het gebied van bepantsering en het type paarden dat gebruikt werd. De ridders droegen zware harnassen ter bescherming en reden op zwaardere paarden. Om deze ontwikkelingen succesvol toe te passen op het slagveld moesten nieuwe tactieken worden bedacht. De effectiviteit van de zware cavalerie was vooral afhankelijk van het aanvallen en vechten in strikte formaties.

De tactieken en formaties die ontstonden voor veldslagen, werden door ridders bedacht en geoefend tijdens de melee. Op die manier was een toernament niet alleen tijdverdrijf, maar ook een middel om de troepen te trainen voor het echte werk.

De vroege vorm van de melee onderscheidde zich dan ook in weinig aspecten van een echte veldslag. Ridders vielen elkaar aan met echte wapens – hoewel het als sportief werd gezien om met het plat van het zwaard te slaan in plaats van ermee te steken – en menigeen werd zonder pardon van zijn paard getrokken. Ruiterloze paarden werden door andere ruiters gevangen en meegenomen. Een goede ridder kon dus tijdens een melee prima een paar mooie nieuwe krijgsrossen scoren.

De onfortuinlijke ridders die een melee verloren werden zonder pardon gevangen genomen en moesten, net als in een echte oorlog, losgeld betalen om weer vrijgelaten te worden. Dan waren zij nog degenen die er goed vanaf kwamen, want het was niet ongebruikelijk om tijdens een melee te sneuvelen. Dat is niet zo gek als je je bedenkt dat een aan een gemiddelde melee soms wel twee- tot driehonderd ridders meededen. Het is dan ook niet voor niets dat melee afgeleidt is van het Middel-Franse ‘mèlêe’, dat zoveel wil zeggen als ‘chaotische worsteling’.

Toch waren er wel regels en veiligheidsmaatregelen, hoewel deze vaak verschilden per toernament. Soms werd er gesteld dat er niet met zwaarden gestoken mocht worden en dat niemand ‘onder de gordel’ geraakt mocht worden. Over het algemeen moest men tegenstander van het paard trekken of duwen in plaats van slaan. Als een deelnemer zijn helm verloor, mocht hij niet aangevallen worden totdat hij de helm weer op had gezet. Latere melees kenden ingewikkelde regels voor het betalen van materiële schade als een tegenstander of diens paard verwond werd.

Ondanks dat de melee erg populair was en als eervol werd gezien, verdween deze uiteindelijk toch uit het toernament. De laatste gedocumenteerde melees werden aan het begin van de 14e eeuw georganiseerd. Hiervoor zijn meerdere mogelijke oorzaken.

Allereerst waren er ontwikkelingen op het gebied van oorlogvoeren die de zware cavalerie waarop de melee gebaseerd was, minder nuttig maakten. De uitvinding van grotere en zwaardere bogen leidde tot een belangrijkere rol voor boogschutters, die beter te combineren waren met voetvolk dan met cavalerie.

Ten tweede was het organiseren van een melee behoorlijk duur en een zware lastenpost. Dit soort evenementen werden betaald met het belastinggeld van de vazallen van de heer van het gebied of de stad waar het toernament georganiseerd werd. Het lijkt erop dat de hoge heren op een gegeven moment het geld er niet meer voor over hadden om een dergelijk duur toernooi te organiseren.

Ten derde veranderde de locatie van toernamenten. Van oudsher werden ze vaak in de buitengebieden verreden, maar het kwam steeds meer in zwang om toernooien binnen de stadsmuren te houden, waar simpelweg geen ruimte was voor een nep veldslag.

De Joust

Met het verdwijnen van de melee nam de joust uiteindelijk de plaats in als het spektakelstuk van een toernament. De 14e en 15e eeuw worden gezien als de hoogtijdagen van het toernooi en dit was de periode waarin jousting ongelofelijk populair was. Het is eigenlijk enigszins vergelijkbaar met voetbal nu.

Jousting is ontstaan, evenals de melee, op het slagveld. Soms wilden twee legers liever niet vechten, om diverse redenen, waarop twee kampioenen aangesteld werden die met elkaar vochten. De overwinning van een kampioen gold dan als symbolische overwinning in de oorlog.

De joust was oorspronkelijk een onbelangrijk onderdeel van een toernooi, een soort voorgerecht, voordat het spektakelstuk, de melee, gereden werd. De vroegere versies van de joust waren ook een stuk chaotischer en gewelddadiger. Twee teams, van elk soms wel dertig ruiters, reden op elkaar in met lansen. Hoewel het als oneervol werd gezien om met twee ridders tegelijk één tegenstander aan te vallen, gebeurde dit toch wel regelmatig.

De latere manier van jousten is al een stuk veiliger en werd meestal gewoon één tegen één gereden. Het karakter van dit soort toernooien was ook meer sportief dan een oefening voor echte gevechten. Gedurende de 14e en 15e eeuw werden verschillende maatregelen getroffen om het jousten ordelijk te laten verlopen en te zorgen dat er zo min mogelijk gewonden vielen.

Allereerst mocht men niet meer met scherpe lansen op elkaar steken. Elke lans moest worden voorzien van een breekbare tip of kroon. Verder moest men een schild dragen, hoewel het de vraag of dit puur vanwege veiligheidsredenen was, of meer omdat het modieus was. In de 15e eeuw werd de ‘tilt’ uitgevonden – een barrière tussen de twee ruiters, die ervoor zorgde dat de paarden niet op elkaar konden botsen.

Wat ook veranderde, was de manier waarop de winnaar van een joust bepaald werd. Oorspronkelijk bepaalden de aanwezige dames van stand, die op de eretribune zaten, wie het meest eervol had gestreden. Dit had overigens vaak niet eens te maken met hoeveel tegenstanders een ridder velde; hij werd vooral beoordeeld op eerbaarheid, hoofsheid en soms zelfs op hoe dichterlijk hij zich uit kon drukken! Latere jousts kenden een puntensysteem. Hoewel dit per toernament verschilde, was het meestal zo dat een klap op een tegenstanders torso één punt opleverde, een klap op zijn helm of lanshand twee. Als je de ander van het paard wist te stoten, won je automatisch en in sommige toernooien mocht je het paard van de gevallen ruiter houden.

De punten werden toegekend door maarschalken, die toezicht hielden op het ordelijk verloop van het toernament. De winnaar kreeg vaak een prijs, doorgaans een sierraad of een gouden ornament.

Hoewel de populariteit van toernooien af begon te nemen aan het einde van de 15e eeuw, werden er jousts georganiseerd tot ver in de 17e eeuw. De joust werd uitgevonden als sport voor ridders, maar tijdens de hoogtijdagen van de sport reden ook schildknapen en soms zelfs rijke burgers tegen elkaar. In de 16e en 17e eeuw werd de joust vooral een prinselijke sport, voor deelnemers van Koninklijke afkomst.

De paarden

Paarden waren uiteraard een onmisbaar onderdeel van een toernament. Hoewel het strijdros – ook wel destrier genoemd – vaak beschreven wordt als ‘Great Horse’, betekent dit niet dat ze ook groot waren. Great Horse is meer figuratief bedoeld: een geweldig, dapper paard waar je op kon vertrouwen.

Het is een moderne misvatting dat paarden zoals Shires en Clydesdales gebruikt werden voor jousting. De destrier van de Middeleeuwen was maar 14 tot 16 handen hoog – tussen de 1.40m en 1.60m dus, eerder een stevige pony dan wat wij tegenwoordig een paard zouden noemen. Ze moesten wel stevig gebouwd zijn om de zware ridders in hun harnas te dragen. Middeleeuwse paarden werden niet gerangschikt in rassen, zoals tegenwoordig, maar naar type. Ridders reden op ‘chargers’, en hiervan waren er drie soorten: de zware ‘destrier’, de lichtere, snelle ‘courser’ en tenslotte de rouncey, een gewoon paard wat zowel als rijpaard als pakpaard gebruikt werd en soms ook als strijdros. Verder kende men nog de palfreniers, de paradepaardjes van de adel.

Alle kleuren die wij tegenwoordig kennen, bestonden in de Middeleeuwen ook al. Paarden werden niet zelden vernoemd naar hun kleur. Zo reed William the Marshall op een schimmel genaamd Blanche en bezat Henri Vicomte Turenne een bont paard genaamd Pie – hetgeen ‘gevlekt’ betekent. Op afbeeldingen zien we soms paarden met lange, wapperende manen en staart, maar even zo vaak zijn de manen gemillimeterd en is de staart gecoupeerd of opgebonden.

Wat betreft de tuigage, ook daarin is weinig veranderd in een paar honderd jaar. Veel afbeeldingen tonen ridders die met scharenbitten en dubbele teugels rijden, maar er zijn ook historische bus- en kneveltrenzen gevonden bij opgravingen. Ook kenmerkende zijn de lange sporen van de ridders – deze zien er naar uit, maar de enige reden dat ze zo lang zijn, is dat de ruiter met gestrekte benen reed en de paarden vrij klein waren. De sporen moesten zo lang zijn, anders konden de ridders niet bij de flanken van hun rijdier. Er werden diverse zadels gebruikt, onder andere het type zadel dat wij heden ten dage nog kennen als ‘portuguesa’. Voor de joust werden speciale jousting zadels gebruikt, met hoge voor- en achterboog om de ruiter te beschermen en meer steun te bieden. Sommige ridders bonden zich zelfs vast in het zadel, zodat ze er niet uit gestoten konden worden. Om meer vrijheid te hebben, bonden ze soms één set van hun teugels aan hun riem, zodat ze met beiden handen hun wapens konden gebruiken en nog steeds enigszins hun paard konden sturen. Deze manier van rijden wordt tegenwoordig soms nog in het circus gebruikt en bij het stierenvechten.

Jousten na de Middeleeuwen

Een riddertournooi in de 19e eeuw

Hoewel jousten na de 17e eeuw in vergetelheid raakte, was dit niet voor lang. In de Victoriaanse periode in Engeland, 1837 -1901, was er een heropleving van interesse in de Middeleeuwen, deels geinspireerd door geromantiseerde vertellingen zoals ‘Ivanhoe’.

In 1839 besloot de Graaf van Eglinton een joust toernament te organiseren, omdat hij hoopte dat hij het volk zo iets kon leren over ridderlijke normen en waarden. Het werd een enorm succes; er kwamen wel 100.000 mensen op af, zowel de Engelse upper-class als de gewone arbeiders.

Het toernooi was gebaseerd op oude toernament boeken en was eigenlijk één van de eerste ‘reenactment’ toernooien, hoewel de Victorianen er nogal goed in waren om alles wat ze niet wisten over de Middeleeuwen, zelf maar te bedenken. Hun beeld van de Middeleeuwen was erg geromantiseerd en gebaseerd op hun eigen normen en waarden. Zo zijn bijvoorbeeld de vooroordelen dat Middeleeuwse vrouwen ondergeschikt waren aan mannen, en dat de Middeleeuwers dachten dat de aarde plat was, verzonnen door de Victorianen!

De Graaf van Eglinton zette in ieder geval een nieuwe rage in gang. Zijn toernament werd gevolgt door vele andere en tot aan het begin van de 20ste eeuw was het uitbeelden van de Middeleeuwen razend populair.

Daarna is het nooit meer echt weggeweest. Jousting, de proeven te paard en de melee worden ook hedentendage nog gepraktiseerd. De laatste jaren lijkt er zelfs weer een nieuwe opleving aan de gang te zijn, want er komen steeds meer reenactment groepen bij en er worden tegenwoordig zelfs weer jousting kampioenschappen verreden.

De moderne joust kent grofweg drie vormen:

  • Ten eerste is er de wedstrijdsport joust, welke vaak niet authentiek neergezet wordt. De ruiters dragen natuurlijk wel vaak harnassen, ter bescherming (hoewel zelfs dat niet altijd het geval is) en rijden soms op speciale joust zadels, maar het sport element staat centraal en het is hierbij niet van belang of het jousten op historisch verantwoorde wijze uitgebeeld wordt.
  • Verder kom je de joust soms tegen in spektakelshows, zoals ‘Excalibur’ in Avonturenpark Hellendoorn of de ‘Arena-show’ in Europa-park. Bij dit soort producties ligt de nadruk vaak erg op het show gedeelte, er wordt veel gebruik gemaakt van special effects (vuur, rookmachines) en er worden vaak stunts in verwerkt, zoals steigeren, vallen van/met paard of zelfs kozakkenvoltige. Deze shows zijn vaak totaal niet historisch, de aankleding is meer fantasy-achtig dan Middeleeuws en er wordt meestal met nep-harnassen gereden, gemaakt van bijvoorbeeld foam of latex, omdat de ruiters de bewegingsvrijheid moeten hebben om te kunnen stunten, wat in een harnas bijna niet mogelijk is.
  • Daarnaast zijn er de zogenaamde reenactment groepen. Deze richten zich vooral op het historische element. Zij willen een beeld geven van de sport zoals deze in de hoogtijdagen beoefend werd. Dit betekent dat alles zo authentiek mogelijk moet worden neergezet. Hun harnassen zijn meestal kwalitatief zeer hoogstaande replica’s van museumstukken of nagemaakt van historische schilderijen en hun kleding is gemaakt van natuurstoffen zoals wol en zijde. De paarden dienen overeen te komen met de destriers en moeten dus relatief klein maar stevig gebouwd zijn. Ook het harnachement van de paarden moet kloppen en wordt dus nagemaakt van afbeeldingen uit toernooi boeken of schilderijen. De meeste reenactors kiezen ervoor om historische jousters uit te beelden, zij kiezen dan een ridder die echt bestaan heeft uit om na te spelen en zorgen er dan ook voor dat ze de juiste heralische symbolen op hun paardendekens en schilden hebben staan.

Reenactment joust neemt vaak ook de vorm aan van een show en dit soort shows zijn meestal te vinden op historische- of fantasy evenementen. Er worden echter ook wedstrijden georganiseerd tussen groepen, waarbij sport en authenticiteit dan beiden van belang zijn.

Foto's

Bronnen, recenties en/of voetnoten

  • ‘A Model of a Medieval Tournament’. Bulletin of the Pennsylvania Museum 18.78 (1923): 19-23
  • Clark, John ed. The Medieval Horse and Its Equipment. London: Museum of London, 1995.
  • Dom Duarte. Bem Cavalgar: the Royal Book of Horsemanship, Jousting and Knighly Combat. ed. Steven Muhlberger. Highland Village: Chivalry Bookshelf, 2005.
  • Muhlberger, Steven, Deeds of Arms. Highland Village: Chivalry Bookshelf, 2005.
  • Jousts and Tournaments. Union City: Chivalry Bookshelf, 2002.
  • ‘The Tournament’. The Metropolitan Museum of Art Bulletin 32.4 (1973-74): 76-87