Huiswerktopics zijn niet toegestaan, dus gok dat hier snel een slotje op komt.
Misschien heb je hier wat aan
Citaat:
Stel dat de zin 'Mijn moeder heeft gisteren op de markt appels gekocht' redekundig ontleed moet worden. Wat is dan de beste aanpak? Het volgende stappenplan geeft houvast:
* Stel eerst vast wat de persoonsvorm is, bijvoorbeeld door de zin vragend te maken: 'Heeft mijn moeder gisteren op de markt appels gekocht?' De persoonsvorm is het woord dat nu vooraan staat: heeft.
* Kijk vervolgens of er nog meer werkwoorden in de zin staan, die samen met heeft het gezegde kunnen vormen. Gekocht is het enige andere werkwoord; het gezegde van de zin is dus heeft gekocht. Omdat dit gezegde alleen uit werkwoorden bestaat, en een actie aanduidt, is het een werkwoordelijk gezegde.
* Ga dan op zoek naar het onderwerp van de zin; dat kan bijvoorbeeld gevonden worden door antwoord te geven op de vraag 'Wie (of wat) heeft gekocht?' Het antwoord daarop is mijn moeder, wat dus het onderwerp van de zin is.
* Het hoofdwerkwoord van deze zin is kopen. Een eigenschap van dit werkwoord is dat het altijd een lijdend voorwerp bij zich heeft (het is overgankelijk); er moet altijd in de zin staan wát iemand koopt: in dit geval appels.
In de zin staat geen meewerkend voorwerp; er wordt niet aangegeven voor wie de appels zijn.
* Dan is er nog het stukje gisteren op de markt. Dit zijn twee aparte zinsdelen; ze kunnen los van elkaar verplaatst of weggelaten worden: 'Gisteren heeft mijn moeder op de markt appels gekocht', 'Mijn moeder heeft op de markt appels gekocht', 'Mijn moeder heeft gisteren appels gekocht.' Gisteren en op de markt zijn beide bepalingen. Gisteren is een bepaling van tijd, op de markt een bepaling van plaats.