
Bij Nederlands loop ik al een eind voor op de rest, waardoor ik geen uitleg krijg over de moeilijkere lesstof. Verder gaat het heel goed, maar bij grammatica kom ik er echt niet meer uit, en van het boek word ik ook niet veel wijzer.
Ik ben nu bezig met zinsdelen, en het grootste deel snap ik wel maar er zijn toch enkele dingen waar ik niet uit kom.
Ik moet de volgende dingen kennen:
Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde (werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde)
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Voorzetselvoorwerp
Bijvoeglijke bepaling
Bijwoordelijke bepaling
Ik heb moeite met het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde, ik heb het wel goed maar snap niet echt wat het verschil is.
Daarna haal ik de laatste 3 door elkaar, en ik word er echt niet wijzer van wat nou de bedoeling is...
Kan iemand mij helpen?
Groetjes Sophie
