Machten :
Vb , je hebt meerkeuze vragen. Keuze uit a,b en c. Er zijn 10 kansen.
Hierbij gebruik je een macht. 3 ^10 omdat je 3 keuzes hebt bij 10 vragen.
Faculteit.
Vb, je hebt 10 boeken. Op hoeveel verschillende manieren kun je ze in de kast zetten.
Op plek 1 kunnen 10 boeken staan. Op plek 2 heb je dan nog maar keuze uit 9 boeken , enz.
Dus dit is dan 10!
nCr.
Vb, Op de olympische spelen doen 10 mensen mee. Er zijn 3 medailles. Hoeveel groepen van 3 kun je maken.
Omdat het om groepjes gaat en de volgorde van de groep niet belangrijk is krijg je nCr.
Dus 10 boven 3 ( bij nCr krijg je de 'keuze' doet deze persoon wel of niet mee, ook wel roostermethode )
nPr.
Vb, Op de olympische spelen doen 10 mensen mee. Hoeveel verschillende manieren zijn er om goud,zilver en brons te verdelen.
Omdat hierbij wel een verschil word gemaakt in de 3 mensen eb de volgorde WEL van belang is gebruik je nPr.
Hoop dat je hier wat aan hebt.