Dan moet je controleren of het paard met kauwen (van voedsel) speeksel aanmaakt. Als de oorspeekselklier speeksel aanmaakt dan weet je dat de klier goed is. Er zijn meer klieren in de mond die speeksel aanmaken.
Je kan daarna of daarvoor in stilstand controleren met nageef oefeningen (al eerder beschreven op bokt) of het paard nageeft, de onderkaak loslaat en begint af te kauwen. Je kan ook de mond wat masseren en kijken hoe het paard hierop reageert. Het paard maakt dan speeksel aan en er vormt zich wat schuim op de lippen. Een paard zal dan een enkele keer de lippen likken. Dit hoort ook bij het rijden te gebeuren. Er zijn paarden waarbij de rand van de onderkaak tegen de onderrand van de halswervels komt als je de nek iets inbuigt. De oorspeeksel klier is dan volledig afgeknepen. Vanuit deze klier kan dan geen speeksel naar de mond aangevoerd worden.
Het is niet de hoeveelheid speeksel die bepaalt of een paard begint te ontspannen. Er zijn situaties dat er geen speeksel wordt aangemaakt en geen schuim op de lippen komt. In de meeste gevallen komt dit door het rijden (de handen van de ruiter, geen elastische eerlijke verbinding met de mond). Het is eenvoudig te controleren (zie proefje in stilstand op stal, in het gangpad of in de bak). Als je hier geen ervaring mee hebt, laat een "ervaren ruiter" dit dan controleren.