Ik bedoel dus afgezien van de mate van nageeflijkheid.
Een van onze merries maakt er met eten altijd een enorme soep van door haar speekselvloed, en ook als ze aan het mineralenblok lebbert, ligt er algauw een grote plas kwijl. Ze heeft overigens geen mondproblemen. Met rijden heeft ze binnen no-time een shampoobekkie met grote schuimvlokken. Terwijl een van onze ruinen nauwelijks speeksel vormt, althans zo lijkt het. Die heeft met eten ook een 'droge bek' en met rijden is het erg lastig hem schuimend op het bit te krijgen. Qua nageeflijkheid zijn deze paarden te vergelijken, zij het dat de merrie wat gevoeliger in de mond is, maar dat is ook haar karakter in het algemeen.
Heeft het ene paard inderdaad meer speeksel dan het andere? En maakt dat uit voor de nageeflijkheid? En wat kun je, behalve werken aan een fijne aanleuning, doen om het schuimen op het bit te bevorderen?
Ik heb van mijn instructrice de tip gekregen de ruin met de droge mond stukjes appel te voeren tijdens het rijden, en dat helpt wel. Alleen lust hij geen appel (hij komt van IJsland en daar hebben ze geen appels; wat de boer niet kent dat vreet ie niet) dus het is nogal een moeizaam gedoe om die appelstukjes naarbinnen te krijgen
. Suikerklontjes zouden ook helpen, maar je raadt het al, die blieft hij dus ook al niet. Iemand ideeen en/of tips?

