
Omdat ik het idee had dat mijn hondje Joy behoefte had aan een speelkameraadje, ging ik op 29 december 2003 op Marktplaats op zoek. Het moest iets kleins worden, dat bij voorkeur in m’n binnenzak zou passen. Leek me wel overzichtelijk. Het werd Zeus. Op de foto stond deze vermoedelijk vijfjarige driekleur Schotse herder, met een stokmaat van dik boven de 60 cm, vastgebonden aan een hek zoet te kijken. Nou ja, kijken… Hij was blind. En hij zat nog in Spanje, waar hij gered was uit een dodencel. Zijn advertentie had al meer dan 7000 hits, maar geen hond had nog interesse in hem getoond. Na telkens zijn advertentie te hebben teruggeklikt, en na drie dagen intensief mail- en belverkeer met de vrouw die hem had gered, kon ik hem op nieuwjaarsdag ophalen op luchthaven Zaventem in Brussel.
Daar zat hij dan in zijn reiskooi. Te bibberen als een rietje, temidden van een geblaf van jewelste. De meneer die de reis begeleidde hoorde ik maar één ding zeggen: ,,Zeuske! Eerst moet ons Zeuske eruit! Wie is de mevrouw van Zeuske??’’ Ik schuifelde naar voren. ,,Hij heeft stress’’, zei de man. ,,Neem hem maar zo gauw mogelijk mee naar buiten.’’ Ik ging op de grond zitten, het deurtje van de kooi ging open en ‘Zeuske’ stommelde naar voren en landde languit op m’n schoot.
Even later stonden we in een park in Brussel. De eerstvolgende trein gingen we maar niet nemen, Zeus (met een eu en niet met een ui, zo had de meneer met Belgisch accent me op het hart gedrukt) liep maar wat graag van boompje naar boompje. In de sneeuw. God, wat sneeuwde het die dag. Het heeft ons vijf keer overstappen (Zeus liet zich gewillig tillen) gekost om thuis te komen. Bij Joy. Zijn Nieuwe Vriendin. Die hem chagrijnig in zijn neus beet bij de eerste begroeting. Leuk, was hij daarvoor helemaal uit Spanje gekomen?
Er zat een hartverwarmende, handgetypte, gebruiksaanwijzing bij Zeus. Behalve blind, was hij dus ook bang en schrikachtig en vermoedelijk geslagen. Zijn redster ging hem tussen haar werk door uitlaten, omdat hij zo zindelijk was dat hij niets in zijn hok wilde doen. Tijdens het wandelen volgde hij aan haar been. Verder at ‘ie alleen maar brokjes als er iets lekkers bij zat en was ‘ie héél goed in pootjes geven. Of we alsjeblieft goed voor haar lieveling wilden zorgen.
En ja, lief was hij, vanaf het moment dat hij in Brussel uit zijn reiskooi tuimelde. Joy sloot al gauw vriendschap met hem. Pootjes geven deed hij inderdaad. De hele reis had hij elke gelegenheid aangegrepen en eenmaal thuis wist hij al snel feilloos mijn voeten te vinden, ging hij er mooi voor zitten, en voelde ik een poot op mijn knie. Dat van dat eten klopte ook, stom als ik was hem brokken zónder wat lekkers voor te schotelen. Voor straf snaaide hij in het voorbijlopen die avond in één hap al mijn knoflookgamba’s van m’n bord. Zijn ogen mochten dan wel stuk zijn, zijn Neus deed het nog prima. Hiermee had hij gelijk zijn eerste bijnaam te pakken.
Van borstelen hield hij tot op zekere hoogte, maar dat liet hij pas blijken toen ik een halve boodschappentas vol met ondervacht uit hem had gekamd. Eigenlijk ging alles boven verwachting goed. Nou ja, als je het uitlaten even buiten beschouwing liet. Als een ongeleid projectiel vloog hij van links naar rechts. Met mij eraan hangend, proberend bomen, lantarenpalen en hekken te vermijden. Simpele commando’s als ‘zit’ of ‘volg’ bleek hij niet in het Spaans, Nederlands, Duits, Frans of Engels te kennen. Overigens kon het hem ook geen bal schelen als hij per ongeluk ergens tegenaan botste. Hij schudde zich uit, en tilde zijn poot ertegen op.
Ik had de moed hem met wat voor commando dan ook aan te spreken allang opgegeven, toen mij ineens in het Spaans ‘kom hier’ ontschoot. Hij bleek niet alleen in het Spaans bij het baasje te kunnen komen, hij kon ook zitten, pootjes geven,liggen, blijven, en weggaan. Had hij me mooi een paar weken voor het lapje gehouden! Taakjes in het Nederlands waren al gauw ook geen probleem meer. Hij voerde ze uit, met verschrikkelijk veel toewijding. Wat was hij groots, zonder overheersend te zijn. En onbeschrijflijk trouw.
Langzaam aan vielen de puzzelstukjes op hun plek. Zeus had zich (nadat ik de salontafel die ruzie met hem zocht had verwijderd) het huis al gauw eigen gemaakt. Hij wist feilloos de weg en voelde zich prettig in de ‘hondenkamer’ die ik had gemaakt voor als ik niet thuis was. Zodra ik wel thuis was, paradeerde hij in Spaanse pas (ja, echt!) de kamer door. Met piepbeesten en touwen kon hij zichzelf eindeloos bezighouden. Hij week niet van mijn zijde. Ging ik naar de keuken, ging hij naar de keuken. Hij sliep naast het bed. En soms durfde hij na enige overreding, bescheiden als hij was, zowaar op de bank naast me te komen liggen. Buiten was nog het allerleukste: hij kon loslopen op de oprijlaan van het landgoed waar ik een huis huurde. Vol vertrouwen en met een behoorlijke vaart ging hij voor me uit. Zodra hij geen grind meer, maar gras onder zijn voeten voelde remde hij af, want hij wist dat er dan een boom kon staan.
Zeus had duidelijke voor- en afkeuren. Aardappelkroketjes deden hem letterlijk watertanden, net als bananen. Voor het hoogbejaarde dwergpoedeltje Sonja, die ik in de zomer van 2005 van mijn moeder had geërfd, ging hij het liefst een blokje om. Hij was immers de enige die niet kon zien hoe klein dat grommende tantetje was. Drinken deed hij bij voorkeur uit het toilet (in Spanje heeft het drinkwater een veel hoger chloorgehalte dan in Nederland), dus het was einde ophangbare wc-blokjes en na elke chloorbeurt moest de deur gebarricadeerd worden, anders maakte hij hem open. De stofzuiger hááte hij. Zodra hij hoorde dat het ding tevoorschijn werd gehaald, ging hij in de keuken met zijn hoofd tegen de koelkast zitten, vraag me niet waarom.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er ook een klein nadeel aan deze prachthond zat: hij had scherpe tanden. Dat heeft niet alleen mij, maar ook een aantal vrienden helaas een tetanusprik opgeleverd. Achteraf waren het verklaarbare situaties; was hij geschrokken, of hadden we hem zeer gedaan. Toen ik advies van een deskundige inriep, bleek dat hij in Spanje vermoedelijk een opleiding heeft gehad. Tijdens die opleiding is hij net zo lang geslagen tot hij wél wilde bijten. En zo werd hij blind. In zijn aard was hij een lieverd. Maar heel soms werd hij getriggerd vanwege de training die hij ooit had gehad. Toen we dat deel van puzzel hadden gevonden, was er goed rekening mee te houden.
Zeus had zich zo goed aangepast, dat ik af en toe bijna vergat dat hij blind was. Aan hem merkte je het niet. Hij ging mee naar de camping, waar ‘ie zonder moeite de voortent wist te vinden, de caravan in sprong, en wederom naast het bed ging liggen. Alleen al het autoritje erheen was een feest voor hem. Als ik de bumper aantikte, sprong hij zonder moeite de achterbak van de auto in. Overigens slaagde hij er ook keer op keer in zich met z’n blinde koppie vanuit de achterbak langs het hondennetje heen over de achterbank te wurmen, en naast Joy op de bestuurdersstoel plaats te nemen als ik even boodschappen aan het doen was. Zeus kon je beter achterin hebben. Hij heeft me nog eens met mijn ruitenwissers, knipperlichten én alarmlichten aan, toeterend een kruispunt doen oversteken, omdat hij voor die ene keer wel voorin mocht, zijn draai niet kon vinden en al zoekend met z’n neus op zo’n beetje alle knoppen drukte.
Met ponnies, fietsen, auto’s en bussen kon ik hem ook maar beter niet alleen laten. Dan deed hij aan ‘de kudde bij elkaar houden’ en ging hij ze vangen. Liep er een pony voor ons op de oprijlaan, ging hij er zigzaggend achteraan. Op stal sloot ik hem daarom altijd veilig op in een box. Hoorde hij daar dat ik discussie had met een van onze ponnies, ging hij blaffen en springen. Hij had maar één missie: baasje helpen. Terwijl ik hem toch echt had laten overkomen om hém te helpen.
Helaas bleek dat een jaar geleden ook noodzakelijk. Hij had een niet ingedaalde zaadbal, waarin zich in rap tempo een tumor had ontwikkeld. Toen ik hem net had, werd me vanwege zijn leeftijd een buikoperatie afgeraden, omdat de kans dat hij in de narcose zou blijven even groot was als de kans dat hij een tumor zou krijgen. Alsof hij nog niet genoeg had meegemaakt, had uitgerekend hij die pech. De keuze was opereren, of mogelijk snel ziek worden. Het werd opereren.
Doodnerveus waren we bij de fotocontrole vooraf, om te zien of hij al uitzaaiingen had. Die waren niet te zien. Wel stond een deel van zijn wervelkolom ook op de foto en bleek hij in ernstige mate last te hebben van spondylose, een kalkbrug tussen zijn wervels. Vermoedelijk had hij die al in Spanje door een trauma opgelopen. De dierenarts vond het onbegrijpelijk dat hij met zo’n foto nog zo kon rondlopen. Maar omdat hij verder ook uit bloedonderzoek kerngezond bleek, gingen we er vanuit dat hij de operatie ondanks zijn geschatte leeftijd van minimaal 10 jaar goed zou kunnen doorstaan.
De operatie heeft hij fantastisch doorstaan. Na de operatie hebben we hem in wisseldienst 10 dagen lang non-stop in de gaten gehouden, omdat we hem een kap om zijn hoofd niet wilden aandoen. Immers verkende hij alles door met zijn hoofd en neus zachtjes te botsen. Die oppasdienst was waarschijnlijk niet eens nodig, want hij taalde niet naar zijn hechtingen. Lag net zo lekker te slapen als anders. Hij was wakker, at goed (bewaarde als vanouds één brokje voor later) en liep al gauw weer met een touw rond te slepen.
Alleen stond hij wel wat moeilijker op dan anders, iets dat voor de operatie ook al zo was. Zijn mooie ruime draf had plaats gemaakt voor telgang. De zware pijnstillers konden er niets aan veranderen. Hij begon de controle over zijn achterpoten te verliezen. Soms haakte hij zichzelf ineens pootje en ging hij braaf zitten wachten tot wij hem weer in de benen hielpen. En met zijn gespring ter begroeting was het ook over, hij beperkte zich tot zitten en pootjes geven. Met onze verhuizing een half jaar geleden had hij een kleine opleving, maar helaas was dat van korte duur. Elke nieuwe maand was hij weer slechter dan de vorige. Intussen sliep hij veel.
Nu slaapt hij voorgoed. Het voelt nog steeds heel onwerkelijk dat hij er niet meer is. Wat een eer om zo’n mooi dier in je huis te mogen hebben. En wat is thuis zijn ineens stom zonder hem. Zijn meest bijzondere eigenschap heb ik nog niet genoemd. Zijn vermogen om te troosten. Gelukkig komt het niet al te vaak voor, maar zodra hij mij hoorde snikken kwam hij met een hoofd van ‘waar is de brand?’ de kamer ingesneld. Om in één streep op me af te lopen en zijn kop op mijn schoot te leggen. En een pootje te geven. Help, wat mis ik dat warme pootje nu.

http://www.mijnalbum.nl/Foto-NIQYGCEY.jpg