Komtie dan;
Citaat:Woedend keek ik naar de man die ik jaren vertrouwd had alsof het mijn eigen vader was. Hij had altijd voor me gezorgd sinds het ongeluk van mijn ouders. En nu wilde me haar zomaar dumpen.
‘Hoe kun je dit doen?’ brulde ik door het huis heen waarna ik mijn armen over elkaar sloeg.
‘Je bent verdomme 16. Ik kan je niet nog langer in huis houden.’ zei hij wanhopige tegen mij. ‘Je hebt school afgemaakt en nu zul je een baan moeten zoeken en op eigen benen moeten staan.’
‘Dat wil ik niet! Ik wil bij jouw blijven. Ik kan niet eens een huis betalen, laat staan eten.’ Met die woorden beende ik het huis uit. Onopgemerkt bewoog ik me voort door de lange straat, tot ik eindelijk bij de open vlaktes aankwam. Kort staarde ik me uit. Nog nooit was ik verder gegaan dan dat, omdat alles wat buiten dorpen lag, gevaarlijk was. Tenminste, dat had mijn ‘vader’ altijd gezegt, maar die geloofde ik nu toch niet meer. Heel kort keek ik achterom toen ik mijn ‘vader’ zag kijken en die vervolgens nee begon te roepen richting mij. Ik haalde mijn schouders op, drukte mijn tas dicht tegen me aan en begon te lopen.
Het windje dat er stond suisde langs m’n oren, heerlijk was het met zo’n warm weer als ik gewend was.
In feite was mijn woedde nu redelijk wegge-ebt - zeker na deze stap - maar het betekende zeker niet dat ik hem zou vergeven. Niet nu althans, misschien later.
‘Ailil, wacht!’ hoorde ik plots iemand roepen. Gelijk stopte ik met lopen en draaide me om. Ik zag hoe Erin in een snel tempo op me af kwam rennen, net als mij met een tas.
Erin was eigenlijk precies hetzelfde als mij, alleen had hij het meer geaccepteerd dat hij nu het huis uit moest en een eigen leven moest zoeken.
‘Samen reizen?’ vroeg hij vrolijk aan me toen hij bij me stilstond. Bewonderswaardigend bekeek ik hem. Dat hij niet moe was na zo’n lang stuk rennen. Nu goed, iedereen had wel een gave gehad in het dorp, dus bij hem was dit een van zijn vele, waarschijnlijk dan.
‘Is goed, lijkt me wel gezellig.’ beantwoordde ik zijn vraag waarna ik weer begon te lopen. Wat gezelschap was nooit mis, zeker niet omdat ik Erin voor 100% vertrouwde.
Hij had het soort zelfde meegemaakt als mij, alleen was hij 4 jaar later pas in het dorp komen wonen. Hij wist dan ook dat zijn ouders, niet zijn ouders waren. Ik wist dat niet, dat werd me pas zo’n 6 jaar geleden verteld. Eigenlijk was het ook wel logisch. In Jarge – zo heette hij – had ik nooit een gelijkenis tussen hem en mezelf gezien. Het enige wat hij was, was een oude vriend van mijn moeder waardoor ik bij hem moest gaan wonen na hun dood.
‘Eindelijk, we zijn er.’ Zei ik glimlachend toen we bij de rand van het bos stonden. De zon scheen feller dan ooit, dus de beschutting van de bomen zou fijn van pas komen. Vrolijk liet ik me in het koele gras ploffen waarbij ik Erin meetrok. Een aantal bomen aan de rand van het bos beschutte ons tegen de felle zon die haast kaarsrecht op ons had geschenen en ons leek te volgen.
‘Heerlijk, even wat koelte.’ zei Erin terwijl hij tegen een boom leunde. Ik knikte instemmend waarna ik tegen hem aan begon te leunen. Ik ging er maar gewoon vanuit dat hij het niet erg vond, hij duwde me niet echt weg of dergelijke.
Nadenkend plukte ik een paar gras sprietjes en plukte deze een voor een helemaal kapot.
‘Heb je eten bij?’ vroeg ik nadenkend aan Erin. Zelf had ik niks bij. Ik zag hoe hij zijn hoofd schudde. ‘Idioot! Waarom neem je dan ook niks mee. Het is te ver om terug te gaan naar het dorp, dus zorg maar dat we aan iets komen.’ Bromde ik gepikeerd waarna ik opstond. Ik had geen zin om helemaal terug te gaan naar het dorp. Dan kon ik net zo goed weer daar blijven, want het zou dan tegen de avond zijn eer we hier terug waren.
Ik wist wel dat het ook mijn fout was, maar het was zo veel makkelijker om hem de schuld te geven.
‘Laten we maar verder gaan. Misschien komen we dan nog eens wat te éten tegen.’ Bromde ik waar ik het bos in liep. Hoofdschuddend stond erin op en liep loom dezelfde richting uit.
‘Kom je nou nog of niet?’ vroeg ik toen ik ruim 10 meter vooropliep. In gedachten verzonken keek ik voor me uit terwijl ik het geklaag van Erin negeerde. Hij moest maar sneller lopen, daar was hij anders ook zo goed in geweest.
Na een lange stilte keek ik achterom. Ik zag hem niet meer. `
Gefrustreerd beende ik achter haar aan, maar begon langzamer te lopen dan haar. Misschien was dit niet zo’n goed idee geweest, meegaan met haar.
Nadenkend stopte ik mijn handen in mijn zakken waarna ik voor me uit keek. Lichte paniek welde in me op toen ik haar niet meer zag lopen. Opgefokt begon ik te lopen, en te rennen toen ik een oorverdovende harde gil hoorde. Binnen no time was ik – dankzij mijn gave - bij haar, maar ze was niet alleen. Ze was omringd door 3 mannen. Eentje hield een mes tegen haar keel, en de anderen twee doorzochten haar tas. Woendend trok ik een mes uit mijn sok. Ik had er altijd eentje bij zich, ingeval van nood, zoals nu.
‘Laat haar gaan.’ Bromde ik woest terwijl ik richting een van de mannen rende. Deze haalde echter gelijk uit waardoor ik met een klap tegen de grond belandde.
‘Ailil, werk nou mee.’ Gromde ik tegen haar toen ze niet de moeite deed zich los te rukken. De man met het mes fronste, dat zag ik. Net toen een van de mannen een mes in de arm van Erin wilde steken, gebood de man bij Ailil dit niet te doen.
‘Is dít Ailil?’ vroeg hij aan me, waarna hij het mes wegstopte. Verbaasd keek ik naar de man. Ik zag dat Ailil precies hetzelfde deed.
‘Ja, ik ben Ailil, hoezo?’ vroeg ze terwijl ze een aantal passen van hem weg liep. Wat zojuist was voorgevallen was angstaanjagend geweest. Ik wist dat Ailil er hetzelfde over dacht.
‘We kennen je vader en moeder allemaal. Echt, als we hadden geweten dat jij zijn dochter was, dan.. Ben je zijn dochter eigenlijk wel?’’ vroeg de man die haar zojuist bedreigd had.
‘Mijn officiele naam is Ailil Grayfiel.’ zei ze knikkend. Hoofdschuddend stond ik op en keek naar de twee andere mannen die nu de tas weer inpakten.
‘We waren eigenlijk naar je op zoek. Nu je 16 bent had je vader graag gewild dat je bij ons in het dorp kwam wonen.’ Ik vertrouwde hem niet, totaal niet. Misschien kwam het omdat ik meer van Ailil hield dan ik wilde toegeven, maar dan nog. De man had een raar karakter laten zien. Zomaar iemand aanvallen, zonder aanleiding, en dan zo normaal doen. Dat klopte gewoon niet. ‘We wilden je eigenlijk op komen halen bij Jarge.’ Ailil glimlachte zo onopmerkelijk mogenlijk, maar toch zag ik het. De man stapte op een paard dat hij bij zich had, en wees toen richting 2 andere paarden naast zich. De twee mannen – of eigenlijk jongens – pakte hun eigen 2 paarden. ‘We hadden Jarge ook mee willen nemen, maar dat is niet meer nodig. Je vriend kan het paard beter gebruiken dan jij.’ zei de man tegen Ailil en keek toen naar me. Beiden hesen we ons in het zadel van de paarden.
Ongemakkelijk keek ik naar Ailil, maar die scheen alleen maar blij te zijn dat ze niet hoefde te lopen.
‘Ik ben trouwens Barcley Sheinzicks, en dat zijn Blandin en Ranin, mijn twee zoons.’ zei de man – Barcley dus – tegen ons.
Ik zag hoe Ailil haar blik op Ranin liet vallen, wat me zwaar viel omdat ze er zo’n verliefde blik bij trok. Ik kende haar langer vandaag, en die blik herkende ik uit duizenden.
Ik luisterde naar Barcley toen hij zijn twee zoons voorstelde. Blandin leek me door zijn norse blik gevaarlijker dan Ranin. Nee, Blandin wás gevaarlijk. Dat had ik net wel ondervonden toen hij me bijna aanreed met zijn knol en mij toen de schuld gaf bij zijn vader van zijn val. Ranin had het zien gebeuren, maar had niks durven zeggen. Het gevolg was dat ik bijna vermoord werd omdat zijn vader dacht dat ik hem wilde doden.
Ik bleef mijn blik op Ranin houden wie onbegrijpelijk stil was. Kort daarop liet ik mijn blik op Erin vallen, wie alleen maar nors voor zich uitkeek en af en toe een blik op mij wierp.
‘Waar kent u mijn vader eigenlijk van?’ vroeg ik aan Barcley, wiens paard af en toe driftig zijn oren in zijn nek legde en vervolgens bokte. Het paard zag er totaal niet vrolijk uit.
‘Zeg maar je tegen me. Je vader was een van mijn beste vrienden op school. We zijn hetzelfde werk gaan doen later. We kenden elkaar eigenlijk al ons hele leven.’ Zei hij tegen me terwijl hij kalm achterover leunde. Net toen ik iets over zijn paard wilde gaan zeggen schoot deze in een ongelooflijk hard tempo weg. De rest van de paarden gingen onbeholpen mee, bang achter te blijven.
Sommige stukken kunnen raar overlopen in elkaar, maar dat komt denk ik doordat ik veel aanpassingen heb gebracht door het van hij/zij vorm naar ik vorm te brengen.
Bruikba(a)re tips en commentaar is/zijn welkom