Na het op bokt geplaatst te hebben, veel leuke reacties gekregen te hebben en uiteindelijk geen inspiratie meer te hebben, ben ik gestopt met schrijven. Nu, een paar weken later toch maar weer pen en papier erbij gepakt. Ik kan het toch niet laten...
Een groot deel heb ik herschreven na research en toch weer een nieuw stukje erbij geschreven. Daarom toch weer een poging om het met jullie te delen.Citaat:Twee levens, twee meiden, zwart en blank. Zoveel verschil, zoveel overeenkomsten. Passies die gedeeld worden, maar heuvels die de werelden van elkaar scheiden.
De warme zon lijkt haar donkere huid bijna te strelen. Haar oogleden en krullende, lange wimpers beschermen de ogen voor het felle licht. Knijpend met haar ogen kijkt Adannaya naar de helderblauwe lucht. Haar slanke vingers strijken over haar platte buik, waarna ze hard tegen haar ribben stoten als ze omhoog langs haar borst strijkt. Een leeg gevoel in haar maag. Een gevoel wat alle mensen om haar heen lijken te hebben. Een gevoel wat er altijd al lijkt te zijn geweest, al negentien jaar lang.
Holle, donkere ogen kijken haar vanaf de overkant van de weg aan. De kinderen lachen naar elkaar met glinsterende ogen en plagen elkaar. Vrolijke kinderen op het eerste gezicht. Maar kinderen die het moeilijker hebben, dan mensen denken. Dikke buiken waar later de aandacht naar toe getrokken wordt. Dikke, opgezwollen buiken van de honger. Honger. Een begrip in het dorp waar niemand over praat. Een taboe. Een begrip wat de hele wereld kent, maar wat maar weinig mensen in het Westen, in vergelijking met Afrika, echt gevoeld hebben. Honger. Het lege gevoel in haar maag houdt aan.
Voor haar strekt een wereld van vervallen en armzalige huisjes zich uit. Overal mensen om haar heen. Gekleurde stoffen van de kleding lijkt de ruimte om haar heen te vullen met vrolijkheid. Een schaterlach van een kind klinkt in haar oren. Korte, zwarte kroesharen bewegen door de wind als ze haar hoofd draait om de straat te overzien. Ogen die snel neergeslagen worden. Haar oogleden proberen de felle stralen van de zon tegen te houden als ze haar hoofd weer terug draait. Opnieuw slaan ogen zich voor haar neer. Frustrerend zet ze haar handen in haar zij. Waarom? Waarom kijken mensen haar nooit aan? Waarom niet? Er is toch niets mis met haar? Toch? Zij kan er ook niets aan doen dat haar broertjes en zusjes zijn overleden aan de ziekte? Een ziekte waardoor ze diaree kregen en geen vocht meer vast konden houden?
Haar donkerbruine ogen bestuderen haar lange vingers. Maanden geleden bleven de rode zandkorrels aan haar handen plakken tijdens het dichtgooien van de kleine kindergraven. Droge takken symboliseren het kruis van hun nagedachtenis. Drie weken later sterft haar moeder. Een ongelukkige val waardoor haar onderbeen kapot is gegaan. Zonder de donkere huid om haar lichaam te beschermen was haar lichaam het doelwit voor infecties. Ze haalt haar neus op als ze denkbeeldig de geur van het been opsnuift tijdens de laatste paar dagen van haar leven. Haar ooit zo trotse Afrikaanse moeder lag als een zielig hoopje op bed. Zweet parelde langs haar lichaam op de weinige dekens die in hun bezit waren. Het kostte Adannaya’s laatste krachten om opnieuw een graf te graven, een graf voor haar moeder in het rode zand. Zand met de kleur van de avondzon.
Gedachten aan haar vader borrelen naar boven, gedachten die ze heeft geprobeerd te negeren. De herinnering komt weer naar boven. Plotseling. Heftig. ‘Ga lekker slapen, prinsesje. Papa komt snel weer thuis. Ik ga eten halen, dan hoeven we nooit meer honger te hebben. Nooit meer.’ Een fluistering in haar hoofd. Zijn heldere stem. De laatste woorden van een wijs man. Een vredelievende en slimme man. Een man die is weggegaan en nooit meer is teruggekeerd. De tranen wellen op uit haar ogen. De eerste tranen trekken natte strepen over haar wangen. De druppels vallen schitterend in het zonlicht op de rode grond voor haar blote voeten uiteen. ‘Pap, waar ben je? Ik ben helemaal alleen.’ Een snik welt achter in haar keel op. Ze slaat haar ogen op naar de blauwe hemel. Zijn stem echoënd in haar gedachten.
Bijna woest veegt ze de tranen van haar wangen, waardoor ze in het rond vliegen. Haar stem een fluistering in de lucht. ‘Adannaya, niet huilen! Niet doen! Niet waar alle mensen het kunnen zien. Je moet sterkt zijn, voor jezelf. Wees sterk…’ De harde waarheid dringt zich opnieuw naar voren. Eén moment lijken haar ogen zich te vergroten. Glashelder lijkt de waarheid voor haar gezicht te zweven. Machteloos volgen haar bruine ogen de contouren van de heuvelachtige omgeving. Rood zand, overal. Een enkele struik, een enkele boom. Voor haar verschillende huizen, donkere mensen in de koele schaduw. Vluchtend voor de warmte van de zon. Enkele koeien in een kleine kraal bijeen. Stof waait op als ze hun benen verzetten. Een mooi land, een land met veel mogelijkheden, maar een land waar honger en dorst heersen. De stof op haar voeten maakt haar voeten donker rood. Het wiebelen van haar tenen laat kleine wolkjes stof opstuiven. Een land waar droogte heerst en de zon het voor het zeggen heeft. Geen groen gras langs de bermen, maar dode, droge takken. Geen bomen volgeladen met glimmende rode appels of met grote peren.
De honger laat haar maag pijnlijk samenknijpen in haar lichaam. Het lijkt haar leven te overheersen, net zoals het de levens van de mensen om haar heen overheerst. Het maakt het moeilijker. Lastiger. Haar ogen tasten de droge omgeving af. De hele dag draait erom om voedsel te verzamelen. Voedsel om elke dag maar weer te overleven. Een witte wolk drijft geruisloos voorbij. Zacht voortgestuwd door de wind. Verlangen maakt zich van haar meester. Het lijkt haar bijna vleugels te geven. Wat zou er achter de horizon zijn? Een nieuwe wereld? Een groene wereld? Een wereld zonder honger? Een wereld zonder angst? Een wereld die niet alleen maar draait om overleven? ‘Wat zou ik daar graag naar toe willen.’ Een fluistering over haar lippen.
De warmte laat de lucht trillen boven de uitgedroogde, maar bewerkte velden. Twee weken geleden groeven haar donkere vingers in de rode aarde om het kwetsbare zaad te verspreiden in de droge grond. Het gehele dorp hielp elkaar met het opnieuw inzaaien van het droge akkerland. Honderden geleegde emmers met water over het land, gedragen door tientallen donkere mensen, volwassenen en kinderen, om de nieuwe zaden een kans te geven om te groeien. Voedsel. Akkerland wat alleen de kleine zaden succesvol verder kan laten groeien, als de donkere wolken weer terugkeren van over de verre heuvels. Dikke regendruppels die de grond natmaken totdat het verzadigt is en voor nieuw leven kan zorgen.
‘Adannaya! Wil je me komen helpen met het eten?’ Een harde, maar hartelijke stem bereikt haar oren. Een oudere vrouw met een trotse houding en een kind op haar heup staat naar haar te kijken. Snel slaat ze haar ogen neer. ‘Hier.’ Donkere ogen vol met schitteringen kijken haar aan als ze het kleine meisje in haar armen gedrukt krijgt. De dikke buik van het meisje drukt tegen haar ribben. Een mooi lied wordt door het kleine beetje wind meegedragen. Gezongen door een heldere stem. De vrouw verzamelt de kleine, gedroogde takken voor een vuur. ‘Adannaya, een feestmaal vanavond! Dayo heeft een konijn geschoten!’ Na een uur bereikt de geur van warm voedsel haar neus. Met een smachtende blik lijkt Adannaya nu al te genieten van de komende maaltijd. De kleine kom met een waterig mengsel met flinterdunne stukjes echt vlees, is veel te klein. Haar tong en keel branden door de hete vloeistof. Bijna schamend slaat ze haar ogen op, als ze de lege kom voor haar blote voeten op de grond zet. ‘Kind, heb je zo’n honger?’ Knikkend laat ze haar antwoord weten. ‘Ik heb niets meer voor je, alles is op. We moeten wachten totdat m’n man terug is met nieuwe voorraden. Wie weet hoe lang hij nog wegblijft. Ik kan je niets meer geven, Adannaya. Anders hebben we zelf niet genoeg meer. Het spijt me.’ Een traan rolt van de gerimpelde wang van de vrouw tegenover haar. ‘Het spijt me echt.’
‘Au… Au… Nee… Haar handen worden wit als ze haar buik stevig omvatten. Pijn snijdt door haar buik door de krampen. Voedsel in haar maag, eindelijk. Misselijk welt zich in haar op. ‘Nee…’ Na zoveel dagen zonder voedsel. Voedsel wat de afgelopen weken heeft bestaan uit droge wortels van planten uit de grond en kleine insecten. Na enkele minuten heeft de volheid van de karige maaltijd plaats gemaakt voor het eeuwige gevoel van nieuwe honger.
Met een ruwe beweging wordt ze moeiteloos op de rode grond gesmeten. Een lage, grommende stem dicht naast haar oor. Zijn warme adem strijkt langs haar wang. ‘Waag het niet nog eens, meisje.’ In plaats van de kilte van angst te voelen, borrelt de hitte van woede in haar lichaam omhoog. Haar blauwe ogen schitteren in de felle stralen van de zon. ‘Blijf van me af…’ Haar stem lijkt sissent uit haar keel te komen. Door de kracht van de vlakke hand op haar wang wordt ze achterover geworpen. De metaalachtige smaak van bloed in haar mond. Rood stof dwarrelt uit haar lange, blonde haren als ze omhoog krabbelt. Knipperend en knijpend met haar ogen blijft ze staan als duizeligheid zich van haar meester probeert te maken. Twee donkere mannen staren het meisje van achteren aan. Twee paar donkere ogen met dezelfde meedogenloze blik. Dezelfde mannen namen haar drie dagen geleden mee. De beelden staan bij het lange, slanke meisje nog scherp op haar netvlies.
Nadine schrikt wakker uit een droomloze slaap, onduidelijk waarom. Een schrapend geluid buiten langs de muur. Stilte. Voetstappen naar het openstaande raam. Droomt ze nog? Of is ze wakker? Ze heft haar hoofd op van het kussen, haar oren zorgvuldig vrijhoudend. Opnieuw voetstappen. Bewegingsloos volgen haar ogen de onzichtbare man achter de muur van haar slaapkamer. Gordijnen die bewegen. Haar armen en benen verstijven. Haar open mond vertrekt in een geruisloze gil. Geen geluid. Ruwe handen trekken haar het bed uit en laten rode plekken achter op haar blanke huid, waarna ze over de brede schouder van de donkere man wordt gegooid. De warme dekens vallen naast het bed op de grond en blijven in een hoop alleen liggen. De bries uit het openstaande raam laat de warmte snel oplossen in de kou van buiten. De grote spiegel op de wand van haar slaapkamer volgt getrouw de beelden die het te zien krijgt. Haar gedachten draaien rond in haar hoofd. Wat gebeurt er? Wat gaan ze met haar doen? De grond voelt koud aan als hij haar minder voorzichtig uit het raam naar buiten laat zakken. Een rilling trekt door haar lichaam en laat haar onbewust schokken. Haar handen trekken de stof van haar pyjama dicht tegen haar lichaam aan om de warmte te behouden. De blauwe ogen vliegen door haar omgeving heen.
De zachte gloed van de sterren verlicht haar blanke huid. Angst neemt haar lichaam opnieuw in de greep en laat haar verstarren als een tweede gereedstaande man tevoorschijn komt. De grote donkere handen van de man graaien in zijn weinige kleren. Zijn witte tanden schitteren in het weinige licht als zijn mond zich vertrekt in een grijns. Een vieze oude lap bungelt voor haar gezicht. ‘Geen woord.’ De angst lijkt haar borst te pletten onder de grote druk. Een dichtgeknepen keel. Haar neus vangt onbewust de geur van de lap op. Misselijkheid maakt zich van haar meester. Kokhalstent ligt ze op de grond. ‘Hou op!’ Een stille grom komt diep uit de keel van de andere man als hij achter het meisje uit het raam klimt. Zijn handen grijpen naar het lichaam van het meisje. Zonder nog enige woorden te verspillen wordt Nadine omhoog op het lange benen getrokken. Een grote hand sluit zich bijna pijnlijk om haar pols als ze rennend het terrein verlaten.
Onmerkbaar geeft de man voor haar na enkele uren eindelijk een stopteken. Totaal uitgeput laat Nadine zich naast een boom zakken. Haar hoofd zakt op haar knieën. Rood stof op haar voeten en benen. Achter haar gesloten ogen tollen haar gedachten door haar hoofd. Waar ben ik? Wat gaan ze met me doen?
Beide mannen slaan geen acht op het meisje en spreken zacht met elkaar. Nadine’s blanke huid wordt helder verlicht door de maan in de zwarte lucht boven haar. Donkere wolken drijven over het groepje heen en werpen donkere schaduwen op. Wolken zwaar van het regen, maar regen wat niet naar beneden valt. Een droog land wat snakt naar een paar druppels water. Water voor de planten, de dieren, de mensen. Water wat leven geeft.
Van onder haar half gesloten oogleden probeert ze de mannen te bestuderen. Twee donkere mannen, beiden groot, breed, sterk. Kort krullend haar, kroeshaar. Mannen die goed doorvoed lijken, totdat één van hen zich naar haar toedraait. Zelfs in het donker steken zijn ribben bijna zichtbaar door de huid heen. Mensen die leven van de honger. Toch hebben ze een krachtige uitstraling. Een onbekende taal sprekend, maar toch kunnen ze ook Engels spreken. Waarom hebben ze haar meegenomen? De kou dringt vanaf de grond via haar voeten en benen haar lichaam binnen. Een huivering trekt door haar lichaam heen. Kippenvel beweegt zich omhoog langs haar rug. Haar vingers trekken de overgebleven stukken stof van haar pyjama strakker om haar lichaam heen om het laatste restje warmte binnen te houden. Het lijkt bijna een onmogelijke taak. Haar mooi gelakte vingernagels zijn afgescheurd en donker van de rode aarde. ‘K-k-koud…’ De grootste van de twee mannen gooit achteloos een wollen deken naar haar toe. Stof wordt opgeworpen in de lucht als het voor haar op de grond komt. Dankbaar slaat ze het om haar schouders. De ruwe stof schuurt over haar blanke huid, maar houdt haar lichaamswarmte vast. De mannen lijken geen plannen te hebben om een vuur aan te maken voor warmte. Wanneer komt de zon op? De duisternis van de nacht lijkt eeuwigheid te duren. Wanneer wordt het weer licht?
Wat zullen de mannen met haar doen? Alleen ontvoeren voor losgeld? Verkrachten? Misschien zelfs vermoorden? Zullen ze haar laten gaan en genoegen nemen met alleen losgeld? Vast niet. Waarom zouden ze dat wel doen? Haar ogen flitsen door haar omgeving. Warmte stroomt door haar lichaam heen. Een fluistering van haar lippen. ‘Ik laat me niet ontvoeren!’ De zin blijft in de lucht hangen als een strijdkreet. Droge bladeren kraken zacht onder haar benen als ze steeds verder uit het zicht van de mannen voor haar schuift. De mannen lijken het niet op te merken en praten door. De bast van een boom duwt hard in haar rug als ze er tegenaan leunt en beschutting zoekt. De blauwe ogen zoeken de omgeving af naar herkenningspunten. Welke kant op? ‘Waar kwamen we vandaan?’ Haar hoofd draait alle kanten op om de omgeving te overzien. Haar benen en voeten verplaatsen zich in het rode zand rond de boom. Droge bladeren knisperen als ze haar voeten neerzet. ‘Rustig aan. Geen geluid maken. Stilte…’ Vermanend spreekt ze zichzelf toe. Voor de laatste keer bestudeert ze naar haar ontvoerders van een afstandje, maar nog steeds lijken beide mannen geen acht op haar te slaan. Nu is het moment. Nu. Gaan! Met een explosie van kracht springt ze op en rent ze met grote sprongen weg. ‘Waar moet ik heen?’ Gedachten tollen door beginnen haar hoofd. Droge, afgebroken takken slaan tegen haar blote benen. Scherpe doornen van struiken haken zich in haar huid vast als ze erlangs rent. De donkere deken dicht tegen haar huid aangedrukt om haar blanke huid te beschermen tegen het licht van de maan.
Ben er nog niet helemaal tevreden mee en uiteindelijk zal het vast nog wel een keer veranderen
Ik heb er ondertussen een hoop tijd inzitten en je blijft schrijven en herschrijven