Ik ben begonnen aan een verhaal, misschien vinden jullie het niks. Het is m'n eerste verhaal dus ik kan wel wat tips en commentaar gebruiken
Hou het wel aardig, want ik vind het toch wel wat om zo een verhaal neer te zetten
Ik ga straks verder met schrijven, nu ga ik lekker naar m'n pony toe.
---
Ik loop door het bos, hier was het toch ? Ik denk na. “Ja het was hier” zeg ik hardop, maar waarom is er dan niemand. Hij zou hier zijn, hij laat me toch niet zitten, tuurlijk doet hij dat niet. Ik heb dat spul nodig, dat weet hij. Ik loop een klein rondje, er is niemand en het enige geluid wat ik hoor is het geluid van de blaadjes die ritselen. Wie weet laat hij me wel zitten, ik denk aan vorige week. Hij gedroeg zich toen wel vreemd, misschien is hij wel niet te vertrouwen. Een gevoel van angst overvalt me, waarom heb ik me hiermee ingelaten ? Ik wil terug naar vroeger, toen alles nog goed was. Ik voel een hevige vlaag van angst opkomen en ik ren terug naar m’n fiets. Als ik het slot open klik hoor ik nog wat anders behalve het ritselen van de bladeren. Ik kijk achterom en ik zie een gedaante op me afkomen….
Ik kijk in de spiegel, ik zie een jonge vrouw van 19. Van de buitenkant zie ik er normaal uit, eigenlijk best leuk om te zien. Ik draai een beetje met m’n heupen, het ziet er sexy uit. Snel ga ik weer normaal staan, ik wil niet sexy zijn. Ik heb geen vriend, ooit heb ik wel vriendjes gehad. Nu hoeft het niet meer. Ik kijk nog is in de spiegel, van de buitenkant zie ik er goed uit, maar van binnen voel ik littekens. Afschuwelijke herinneringen komen weer naar boven, maar ik onderdruk ze. Ik wil die dingen niet nog eens beleven, het is mijn diep opgeborgen geheim. Sommige mensen kennen een gedeelte, andere weten er niks van, maar ik ben de enige die alles weet. Snel doe ik m’n haar goed, ik ben klaar om te gaan.
M’n auto staat te glimmen in het zonnetje. Het is een mooie dag, niet te warm en niet te koud. Er staat amper wind en de zon straalt over de wereld. Het is gewoon een perfecte dag in juni, net als die dag 3 jaar geleden. Ik onderdruk de gedachte, ik wil er niet aan denken. Ik stap snel in de auto en rij naar m’n werk. Het is niet zo druk op de weg, ik kan doorrijden. Op m’n werk aangekomen drink ik eerst koffie. Ik werk een kapsalon en het is laat ik zeggen altijd erg gezellig, soms te gezellig. Ik hou van m’n baan, het is leuk werk en verdient bovendien goed genoeg om mezelf te onderhouden. Ik vraag aan Lola, m’n collega, of er nog leuke roddels zijn. Dat is toch een kenmerk van een kapsalon, de roddels en bij ons word er nogal geroddeld. Ze verteld over Nina Jansen die gezien is met Sven de Graaf, ik luister vol verbazing. Nina met Sven, dat is wel het laatste wat ik gedacht zou hebben. Hij word zowat 58 en zij is 21. Maar ze viel vroeger natuurlijk ook al op oudere mannen. Vroeger, voordat mijn wereld compleet veranderde, waren we goede vriendinnen. Ik vraag verbaasd aan Lola wat Nina met Sven moet. Ze fluisterd me toe dat hij nogal goed schijnt te zijn en een flinke hoop geld heeft. Het idee is wel grappig, maar van de andere kant walgelijk, maar Nina is niet een typje die zich wat van anderen aantrekt. “Waarom heb jij eigenlijk nog geen vriend, je bent toch hartstikke leuk om te zien” zegt Lola tegen mij. “Ik weet het niet Lola, de perfecte man is gewoon nog niet langsgekomen” antwoord ik snel. Ik wil niet aan de man, ik walg van ze. Ik ben niet lesbisch, ik snap zelfs niet hoe er vrouwen zijn die verliefd op elkaar zijn, maar dat moeten ze natuurlijk zelf weten. Waarom ik walg van mannen is een lang verhaal, ik ben er nog niet aan toe om het aan iemand te vertellen, ik wil het het liefst vergeten. Maar m’n verleden schijnt me altijd te achtervolgen.
De eerste klanten komen binnenlopen, dat is het teken om aan het werk te gaan. Ik knip rustig de klanten en klets wat met ze. Op een gegeven moment komt er een klant binnengelopen, het is Serena, de grootste roddelkont van de stad. Het lijkt wel alsof haar haar iedere dag geknipt moet worden, want ze is erg vaak in de kapsalon te vinden. “Heb je nog leuke roddels” vraag ik aan Serena terwijl ik haar haar knip. “Ik altijd” zegt Serena met iets mysterieus in haar stem. “Dit klinkt alsof je iets groots te vertellen heb” zegt Lola die naast me staat te knippen. “Dat heb ik inderdaad” bekend Serena met een glimlach. Zou Serena weer wat van haar man hebben gehoort, haar man werkt bij de politie bij moordzaken, dus soms komt Serena met de meest smerige verhalen over vieze lijken aan zetten. “Vertel nou” gillen Lola en ik tegelijk. “Oke dan” zegt Serena. “Jim, m’n man, werd gister bij een moordzaak geroepen. Ze hadden een arm gevonden in het bos, nou ja, arm was misschien niet het goede woord. Het waren meer de botten van de arm” M’n hart slaat over, zou het. Nee, dat kan niet. Er is hier maar een bos in de buurt, het bos dat ik nooit in m’n leven meer wil betreden. Ik begin te zweten, een vlaag van angst overvalt me. Net als toen, die avond, die nacht. Ik moet hier weg denk ik paniekerig. Ik stop met knippen, m’n handen trillen. Die arm zou van, nee die kan niet van hem zijn. Ik denk nog steeds paniekerig. Serena praat door, maar ik luister niet. Er vliegen gedachtes door m’n hoofd, ik begin almeer te trillen. Herinneringen komen naar boven, ik probeer ze te stoppen, maar het lukt niet. M’n ogen vullen zich met tranen. Ik mompel iets en ren naar m’n auto. Ik moet hier weg, straks vind de politie me. Ondanks de tijd die verstreken is kunnen er nog sporen op de arm zitten, sporen die naar hem en mij kunnen leiden. Ik zie Lola bezorgt naar buiten lopen en ik cross weg met de auto. Ik wil naar huis, daar is het veilig.
Uren later zit ik nog steeds te snikken, ik zit in de huiskamer. Op de achtergrond staat de radio aan. Een uur geleden werd het op de radio bekend gemaakt dat er een arm is gevonden in het bos en dat er nog druk word gezocht naar andere lichaamsdelen. “Het moet hier gegaan zijn om een pijnlijke dood” zei de nieuwslezer. Was het maar zo denk ik bij mezelf, ging het maar om een moord. Alle gedachtes en herinneringen zijn omhoog gekomen, ik kan het niet meer stoppen. Ik moet het bekennen, maar aan wie. Ik ga onder de douche staan, ik wil de herinneringen en gedachtes van me afspoelen. Ik weet dat het niet kan, jaren geleden kon het ook niet. Waarom blijft het verleden me achtervolgen, waarom kan ik het niet gewoon laten rusten, waarom kan het mij niet gewoon laten rusten. Ik word wakkergeschud door het geluid van de bel. Snel kom ik onder douche vandaan en doe ik m’n badjas aan. Als ik de deur opendoe zie ik een pistool, een pistool dat op mij gericht is. Ik deins achteruit, ik weet zeker dat hij het was. Ik doe de deur op slot en ren naar de telefoon. Ik draai het alarmnummer en vertel geschrokken dat er iemand met een pistool aan m’n deur stond, ik gil dat ze me moeten komen helpen. Dan is de lijn dood, ik kijk geschrokken op. Hij staat voor me met een mes, ik begin te huilen. Alles komt omhoog, echt alles. Hij is nog steeds zo knap als 4 jaar geleden toen ik hem leerde kennen. Ik kijk naar z’n lippen, ik wil ze aanraken. Ik kijk in z’n ogen, ze zijn nog steeds helderblauw. Ik begin nog harder te huilen. Waarom, waarom moest het zo gaan. Hij is echt niks veranderd, behalve dat hij een arm minder heeft. De gevonden arm. Ik zak naar de grond, ik wil niet meer, ik kan niet nog meer aan. Waarom kan hij er geen einde aan maken, ik weet zeker dat zijn haat voor mij groter is dan wat dan ook. Net als onze overweldigende liefde toen, van mijn kant gezien dan. Ik wil wat zeggen, maar er komt geen geluid uit m’n mond. Ik kijk omhoog, hij staat er nog steeds. Hij heeft het mes weggedaan. Afgezien van mijn gesnik is het doodstil, waarom zegt hij niks. Ik verman mezelf, ik stop met snikken, er moet vanavond een einde aan komen. Hij, ik of allebei, ik kan er gewoon niet langer mee leven. Seconden gaan voorbij, nog steeds zegt hij niks. Ik sta op en snel pakt hij z’n pistool, hetzelfde pistool als daarnet toen ik de deur open deed. “Waarom zeg je niks hufter” zeg ik uitdagend. “Daag me niet uit” zegt hij boos en hij schiet tussen m’n voeten. Geschrokken stap ik achteruit. Ik voel een drang om weg te rennen, ik voel het niet alleen ik doe het ook. Ik draai me om en ren naar de deur, maar voordat ik daar ben voel ik een steek van pijn door me heen gaan…
---
Groetjes Marijke
[edit: hij schijnt m'n alinea's niet te snappen]
