
Dit is het:
Ze hebben ons altijd gewaarschuwd dat we daar niet heen moesten gaan. Onze ouders, leraren; achteraf gezien probeerde zo’n beetje iedereen uit het dorp ons daar weg te houden, maar niemand heeft uitgelegd waarom. Misschien hadden ze dat moeten doen. Als ze ons de waarheid hadden verteld, hadden we het misschien niet zelf hoeven ontdekken…
Waarom ze het niet hadden gedaan? Ik weet het niet. Waarschijnlijk moesten we het zelf inzien. En dat deden we. Die avond waren we moedig genoeg om het te doen, om eindelijk zelf te zien waar iedereen ons voor had gewaarschuwd.
Het was een zomeravond. De zon bleef lang op, dus als alles goed ging, konden we nog voor het donker weg zijn. We hadden alles gereed. Martin ging als eerst. Behoedzaam sloop hij door de lage gang, de trap af en opende de deur. Ik volgde, met Leonie vlak achter mij en daarachter Daniël. De deur ging moeizaam open, we moesten gezamenlijk duwen.
De gang die erachter lag was groter, maar rechtop lopen was nog steeds niet mogelijk. Onderweg naar de kluis schenen we op de muren, deze waren volgespoten met graffiti. Waarschuwingen. Waarschuwingen om niet verder te gaan dan we nu waren gekomen. Martin keek naar me om. Zijn gezicht vertelde me dat we nu verder moesten, ons niet moesten laten afschrikken door de waarschuwingen. Ik aarzelde, maar herstelde me snel en liep door.
Na honderd meter door de gang te hebben gelopen, hield de graffiti op. Ik slikte hoorbaar, maar niemand lette erop. Iedereen was met zichzelf bezig, bezig met moed te verzamelen om verder te gaan.
‘Een deur,’ had Martin gefluisterd. Ook deze deur was zwaar, maar het lukte Martin om hem open te krijgen. Voorzichtig liep hij een kamer binnen, met zijn zaklantaarn scheen hij rond ter verkenning. Trillend volgde ik hem, maar bleef een stukje na de deuropening staan. Er klonk gerommel boven ons. Angstig scheen ik op het plafond, en er gebeurde iets wat ik nooit zal vergeten. Ineens vielen er stenen, heel veel stenen. Ik rende terug door de deur, naar de gang. Leonie en Daniël renden voor me uit. Iets in me zei dat ik terug moest gaan, dat ik Martin had moeten redden.
Maar achteraf was ik blij dat ik het niet heb gedaan. Begrijp me niet verkeerd, ik zou het echt hebben gedaan, maar het was een gevaar voor mijn eigen leven. En ik wilde mijn leven niet riskeren, net nu ik het zo goed had opgebouwd. En op de begrafenis heb ik me schuldig gevoeld, niet omdat ik niet terug ben gegaan om Martin te zoeken, maar omdat ik niet geluisterd heb naar de mensen uit het dorp, omdat ik toch mijn vrienden heb overgehaald om erheen te gaan. En daardoor heb ik ze in gevaar gebracht, er is zelfs iemand overleden. Maar je schuldig voelen heeft weinig zin in deze positie, want je krijgt de dierbare er niet voor terug.


(ik schrijf al zowat mijn hele leven) ik ben het nog aan het proberen, ik zie wel wat eruit komt! Die van jou is mooi! xxx