We lopen hier, allemaal ons eigen leven te leiden. Tussen de levenden in. Wij zien hen wel maar zij ons niet, op sommige na dan. Soms is het mogelijk om een praatje te maken met een levende. Soms heb ik er ook nood aan om het te doen. Vlak voor ik naar ‘de andere kant’ moest komen, zei onze pastoor me dat ik naar de hemel zou gaan. Ik was (ben) 16 jaar. Dus ik geloofde hem. Ik was niet meer bang om te gaan. Maar ik zag mijn moeder, vader en zusje huilen. Dat deed pijn...Hoe dan ook. De ‘hemel’ (wat ik de andere kant noem) is niets meer dan de wereld waar je van daan komt..
Ik kijk doelloos rond, zoek met mijn ogen naar mensen die ook die van mij opzoeken, dan weet ik dat ze me kunnen zien, dan weet ik dat ik hen kan volgen tot hun thuis en dat ik dan met hun kan praten. Mijn ogen blijven hangen wanneer ik een klein meisje zie oversteken. Een auto komt tegen hoge snelheid afgereden en de bestuurder, die er overduidelijk niet bij is, ziet het meisje niet. Een kreet van pijn gevolgd door een doffe klap doet me naar het ongeluk toe bewegen, niet alleen mij trouwens. Een hoop mensen lopen paniekerig rond het ongeval. Een jongen van een jaar of 20 kijkt me recht in mijn ogen aan. Zijn bewegingen zijn, in tegenstelling tot die van de andere levenden ook erg rustig. Hij knikt naar de richting van het meisje en ik begrijp wat hij zeggen wil. Ik wandel naar het meisje toe. Haar ziel is half uit haar lichaam dat nog zwakjes ademt. Ze roept om hulp maar niemand kan haar horen, behalve ik, de geesten rondom me en die jongen die ook mij kon zien...Behulpzaam ga ik tot bij het meisje en ik geef haar een hand
‘Het is goed, ik help je’ Zeg ik vriendelijk.
Ze neemt mijn hand dankbaar aan en kijkt angstig rond. Plots rollen er tranen over mijn wangen (ja, ook geesten kunnen huilen. Ze hebben gevoelens want hun ziel leeft nog, alleen kunnen ze geen pijn meer voelen. Geen lichamelijke alle sinds)
‘wat is er?’ vraagd het meisje dat ineens bezorgd naar me kijkt, ze lijkt plots haar eigen dood vergeten te zijn. Ik werp een schuwe blik op de jongen die begrijpend knikt. Hij staat nog steeds naar ons te kijken.
‘Een herinnering’ antwoord ik vaag. Het is ook maar een herinnering...Een herinnering aan het afscheid van míjn ouders. Ik ben ook omgekomen bij een auto ongeluk. Een dronken bestuurder maaide me zo van de weg af...Op deze plek...Precies dezelfde plek. Ik kijk het meisje onderzoekend aan. Hoe kan ze zo kalm zijn? Ik was hysterisch toen ik mijn lichaam zag liggen...Of het gene dat daar nog van over schoot. Ik kreeg toen ook hulp, hulp van een jonge geest, tóen 20, ondertussen is dat al vijf jaar geleden maar hij is nog steeds 20. Als je eens dood bent, behoud je de leeftijd die je had toen je stierf. Ik blijf zestien hoewel ik wel wijzer word. Dit meisje staat er anders tegenover. Zij aanvaard het.
‘gaat het?’ vraag ik, meteen er na wil ik mezelf voor de kop slaan. Ze is net dood gegaan en ik vraag of het gaat?!!
‘naar gelang de omstandigheden wel!’ lacht ze.
Wederom ben ik verbaasd over haar luchtigheid. Ik hoor sirenes en het meisje kijkt hoe haar lichaam in een plastick zak gestoken word en word weg gevoerd. De politie maakt de baan weer vrij en de menigte gaat naar huis. Morgen zijn zij het allemaal vergeten, maar wij, degene die gestorven zijn, wij niet. Wij herinneren ons nog precies onze dood. Veel mensen denken ‘degene die dood zijn, die zijn van de miserie af, de nabestaande, díe hebben het pas moeilijk’ maar je zou er van verschieten hoe moeilijk geesten het kunnen hebben.
Ik kijk zoekend rond en zie de jongen weg wandelen.
‘ga hem zoeken’ zegt het meisje dat mijn blik volgde
‘en jij dan?’
‘Ik heb tijd genoeg om uit te zoeken hoe en wat geloof ik’ antwoord ze synisch
‘feit! Ik zoek je snel weer op’
‘als dat nodig is, vinden we elkaar vanzelf wel’ reageert ze nu wijs, ze draait zich om en gaat op zoek naar....Tja naar wat eigenlijk?
Ik zelf besluit haar raad op te volgen en volg de jongen tot zijn huis. Ik voel een zekere verbintenis met deze jongen.
Hij kijkt om zich heen, glimlacht en doet een bijna onzichtbaar teken dat ‘iemand’ heb moet volgen. Zou ik die iemand zijn? Zo niet heeft hij pech. Ik ben een geest, dat hij me maar eens tegen houd!
Ik volg behoedzaam, vreemd, toen ik nog leefde vond ik het heerlijk om gevaar op te zoeken door in onbekende straten te gaan waar niemand in durfde. En nu, nu ik dood ben, nu er niets meer kan gebeuren, nu ben ik wel bang om een stap in het onbekende te zetten.
Hij loopt een trapje op en doet de deur open. Ik ga gewoon door de muur (dat is overigens een van de voordelen van een geest zijn!)
Ik wandel rond in de woonkamer. Ik hoor dat de jongen zich in de zetel zet. Hij zet geen tv op, hij neemt geen boekje maar volgt mijn bewegingen. Ik voel me ongemakkelijk onder zijn blik. Ik probeer om ongemerkt weg te glippen maar zijn stem houd me tegen
‘je hoeft niet weg te glippen, ik kan je zien’ reageert hij
Ik draai me om en kijk hem vragend aan.
‘ik weet dat je kan praten. Je hebt vast wel een stem’
Nóu dat zou wel eens kunnen tegen vallen. Ik heb helemaal geen stem, ik heb alleen gedachten. Weet je, als je je afsluit voor de levenden kan je je niet voorstellen hoe vredig de stilte is.
‘Je kan praten door gedachten’ hoor ik hem zeggen.
Ik kijk hem aan en stuur gedachten door.
‘wie ben jij?’
‘ik ben Tim’ antwoord hij luidop
Ik kijk even angstig om me heen, wat als iemand dat hoorde? Gaan ze hem niet voor gek verlaren?
‘Wees maar niet bang, er is niemand’ reageert hij nog voor ik een vraag kan stellen.
‘hoe oud ben je’ ik laat me niet van de wijs brengen door hem!
‘16’
’16? Je lijkt ouder’
‘weet Ik. Jij ziet mijn ziel, niet mijn ware lichaam.’
‘ik zie je op de leeftijd dat je gaat sterven...’ zeg ik plots. Ik schrik van mijn eigen woorden. ‘Sorry!’
‘Het is niets, ik weet het wel’ grinnikt hij
‘je weet het?’
‘ik weet het. Ik ben een oudere ziel. Ik weet wat me te wachten staat, ik ben er om mensen te helpen. En jij bent er om me te begeleiden’ verklaard hij
‘maar ik...’
‘je bent slim genoeg’ is hij me voor
‘gatver!’ vloek ik
‘je mag niet vloeken, god is daar niet blij mee’
‘god houd zich niet aan zijn beloftes, das ook een zonde!’ antwoord ik boos.
‘niet?’
‘neen! Hij beloofd de hemel en hij geeft de hel’ antwoord ik scherp.
‘Zie je het zo?’
‘ja!’
‘misschien moet ik jou dan eerst helpen...’
‘ik ben dood, wat haalt dat uit?’
‘levend of dood, positief denken is nooit verkeerd’
‘feit.’
Ik hoor een sleutel in het slot
‘ik ga, je vind me wel als je me nodig hebt’ en ik verdwijn
‘bangerik.’
Ik sta weer buiten. Ik zie dat het koud is maar ik voel het niet. Net zoals ik vrienden wel kan zien huilen maar niet kan troosten, en net zoals ik kan zien dat mijn moeder zich schuldig voelt voor haar laatste woorden tegen me, maar niet kan zeggen dat ik het haar vergeef, dat mijn vader zich begraaft onder het werk om niet aan me te denken maar ik niet kan zeggen dat hij het rustig moet doen. Net zoals ik kan zien dat mijn broertje huilt op zijn kamer om me, maar onder in de keuken sterk is en zijn gezinnetje bij elkaar probeert te houden, ook al voelt de lege plek aan de tafel zo pijnlijk aan. Ik zie mijn hele gezin uit elkaar vallen door mij maar ik kan niets beginnen! Zeg nou nog maar eens dat een dode geen problemen meer heeft! Zeg nou nog maar eens dat mensen die zelfmoord plegen laf zijn! En zeg nu nog maar eens, dat je dood wil als je het even moeilijk hebt. Levenden weten niet wat pijn is, ze weten niet wat problemen zijn. Maar hey, wie ben ik om daarover te oordelen? Tenslotte telt mijn mening niet. Niemands mening telt hier. We lopen allemaal door elkaar. ‘leven’ gewoon verder. Tussen de echte mensen in. Ken je dat gevoel als je in een heeeele grote groep staat, en niemand je lijkt te zien, dat niemand een complimentje geeft, hoi zegt, knikt ofzo. Dat je je buitengesloten voelt en je begint af te vragen wat je verkeerd aan hebt of wat je verkeerd doet dat de menen je zo negeren, dat ze niet met je om willen gaan. Wel dat gevoel heb ik constant. Dat gevoel dat iedereen zo haat, wat iedereen probeert te mijden, dat gevoel is het enige dat ik nog echt voel. Ik zie meisjes half bloot lopen om er bij te horen terwijl ze zich er helemaal niet goed in voelen. Ik zie meiden die zo knap kunnen zijn zich verminken, om een beetje aandacht te krijgen, ook al is dat uitschelden. En wat kan ik nog? Ik ben er nou eenmaal niet meer...
Het word een soort van 'lang kortverhaal'
(hoe oet ik dat zeggen) Geen boek maar ook redelijk lang voor een kortverhaal. Het is iets dat in me op kwam en wat ik even wil uitwerken, hier alvast een deel en er zal nog wel een deel volgen. Sorry voor de spelling, mijn spellingscontrole van word is stuk...
Schrijf a.u.b. verder , ik blijf volgen
ik wil het blijven volgen


Het einde vind ik niet afgeraffelt, maar juist prachtig.