een lang stuk!
Een luid geluid maakte mij en Him wakker. We keken allebei nieuwsgierig naar elkaar, en stonden toen op om over de staldeur heen te kijken. Een hele grote groep rare dieren maakte een hels kabaal! Ze waren groot, en heel lelijk! Sommige waren wit, andere bruin, en er zaten ook een paar bonte en zwarte tussen. Ze hadden stevige hoorns op hun kop, die niet al te groot waren, maar er wel gevaarlijk uit zagen. Ze liepen met een hele kudde over het weggetje waar wij de dag daarvoor over heen hadden gelopen. Him en ik bleven bewonderend kijken. na een uurtje waren ze allemaal weg, en Him en ik waren het ook zat. We liepen wat rond in het gebouwtje, dat door de vreemde wezens die ons meenamen ‘stal’ werd genoemd. Opeens werd de staldeur open gedaan. Drie vreemde wezens kwamen naar ons toe, en Him en ik doken in een hoekje. Him achter mij. Ze pakte mijn hoofd, en deden er een raar ding omheen, dat over mijn neus en mijn oren zat. Het was van hetzelfde spul waarmee ze ons hadden gevangen. Na mij pakte ze Him zijn hoofd, en deden ze precies hetzelfde. Het voelde raar aan, en het kriebelde. Ze pakte ons eraan vast, en brachten ons naar een afgezet stukje land. Er stonden nog meer paarden, die allemaal ook zo’n raar ding om hun hoofd hadden. Ze lieten ons los in het landje, en het eerste wat ik en Him deden was rare bokkensprongen maken van blijdschap. Eindelijk, ze hadden ons los gelaten! We hadden dan nog wel zo’n raar ding om ons hoofd, maar dat kon onze blijdschap niet bederven! Opeens stopte Him met bokken. Ik stopte ook. Hij keek niet naar mij, maar naar de paarden. Ik liep naar Him toe, en samen keken we naar de paarden. ‘wat is er Him?’ fluisterde ik naar hem. ‘ze kijken zo naar ons’ zei hij zachtjes terug. ik stond verbaasd te kijken, stopte hij nou met blij zijn omdat ze naar ons keken? Ik snapte het niet. ‘waarom zou het ons wat uitmaken dat ze naar ons kijken?’ ik was benieuwd naar zijn reden. Him zuchtte. ‘zie je dat zwarte paard achteraan? De grootste van allemaal’ ik knikte, ik zag hem inderdaad. Het was een grote zwarte hengst. Een soort Clo in het groot. Clo, ja, ik miste hem, net zoals de rest! ‘wat is er met die hengst?’ ik wist niet waar hij het over had. ‘hij is de baas hier, maar niet bepaald vriendelijk. Hij heeft maar een klein hart, dat geen gevoel heeft. Zie je zijn ogen? Hij heeft een zwaar leven achter de rug, hij is niet goed, hij heeft een kwaad geweten. Een soort duivel.’ Terwijl Him dit zei, bleef ik naar de hengst kijken. hij zag er inderdaad niet erg aardig uit! Hij liep van de ene kant van de wei, naar de andere kant. Zo door de kudde paarden door. Alle paarden deinsden achteruit als hij maar iets in de buurt kwam. Hij liep er ijdel en groot doorheen, als een koning. Hij zag er mooi uit, en was het puntje van perfectie. Opeens keek hij ook naar ons. Him en ik schrokken achteruit van het zien van zijn ogen.