Jippie, ik krijg steeds meer lezers volgens mij!
Wordt er wel een beetje verlegen van hoor .. 
Hier hoofdstuk negen!
Hoofdstuk negen
Vanaf het moment dat ik Stanley zag was ik weg van hem. Zijn lichte blauwe ogen, zijn bruin geblakerde huid en donkerblonde haar gaven hem iets ontzettend bijzonders. Ik viel als een blok voor hem hoewel ik wist dat ik nooit een kans zou maken. Ik zou niet eens in de buurt komen. Ik had me nog nooit ergens zo ongewenst en ongepast gevoeld als toen. Daar zat ik dan in een pyjama van Elsa met mijn haar in een slordige staart bovenop mijn hoofd gebonden. Stanley kwam met zijn moeder Erin. Erin was van hetzelfde 'kaliber' als Elsa. Vreselijk hartelijk en modern. Ik vermoedde dat ze veel bezoekjes aan de kapper bracht aangezien haar, haar platina blond was terwijl ze al ver achter in de vijftig moest zijn.
'Stanley, Erin. Dit is mijn logé Amber. Amber dit zijn Erin en Stanley.' Stelde Elsa ons aan elkaar voor.
Ik stond op en schudde beleefd hun handen maar ontweek hun blikken. Ik voelde dat hun ogen keurend over me heen gleden. Even kijken wat voor vlees ze in de kuip hadden, grof gezegd.
'Ik zal jullie alleen laten.' Zei ik zacht en schuifelde langs ze heen.
'Dat is nergens voor nodig!' Protesteerde Elsa en legde haar hand op mijn arm.
Ik trok me voorzichtig los en glimlachte verontschuldigend.
'Jawel. Het is uw bezoek. Een prettige dag nog.' Excuseerde ik me en knikte vriendelijk naar Erin en Stanley waarna ik me uit de voeten maakte.
Nadat ik de deur achter me had gesloten bleef ik even op de gang staan. Ik draaide me op mijn hielen om en stond al op de eerste tree van de trap toen ik Erins zangerige stem door de deur heen hoorde.
'Je weet toch wel wie dat is Elsa?'
Ditmaal hoorde ik Elsa's stem.
'Amber.'
'Ik bedoel je weet toch dat, dat dé Amber is?'
'Dé Amber?' Herhaalde Elsa langzaam niet-begrijpend.
'Ach, kom op Elsa je gaat me niet vertellen dat je van niets weet?' Riep Erin verbaasd.
'Ik heb werkelijk geen idee waar je het over hebt!'
'Je begint oud te worden, Elsa! Amber is dat meisje waarvan haar moeder zelfmoord heeft gepleegd!'
Ik voelde mijn keel brandde en sloot mijn ogen. Het was gedaan met de rust. Alles was verpest nu Elsa het wist! Alles gleed weg, langzaam onder mijn voeten vandaan. Ik had niets meer. Helemaal niets meer. Ik kon hier ook niet langer meer blijven. Ik haastte me geluidloos naar boven en trok mijn kleren aan. Beneden trok ik eveneens geluidloos mijn jas aan en verliet Elsa's huis zo zacht als mogelijk was. Ik stopte mijn handen diep weg in mijn zakken en liep richting het park. Uren zwierf ik doelloos rond in het park tot ik me liet zakken op een bankje naast een onbekende man. De wind sloeg in mijn gezicht en de tranen brandde in mijn ogen. Voor het eerst in lange tijd kon ik ze niet bedwingen en liet ik ze lopen. Het zoute traanwater stroomde over mijn wangen en prikte op mijn lippen maar ik veroerde me niet. Nee, ik bleef doodstil zitten en staarde voor me uit. Zelfs toen de man begon te praten keek ik niet.
'Niemand heeft beloofd dat het leven makkelijk zou zijn.' Zei hij koel.
Ik zweeg. Mijn onderlip bleef onbedaarlijk trillen en ik wist niet wat ik moest antwoordde of hij überhaupt een antwoord verwachtte.
'Er is nou eenmaal niets oneerlijker dan het leven.' Ging hij onverstoord verder.
Ik klemde mijn tanden stevig op elkaar en bleef star voor me uit staren met mijn armen over elkaar geslagen.
'En dat geldt voor iedereen.' Zei hij rustig.
Dat was de druppel. Ik sprong overeind, balde mijn vuist en ging voor hem staan.
'Dat weet ik allemaal wel!' Schreeuwde ik en maaide stampvoetend met mijn vuist door de lucht.
'Wat zit je dan te huilen?' Vroeg hij met een verschrikkelijke zelfingenomen grijns op zijn gezicht.
'Ik kan het gewoon even niet hebben, ja? Verdómme!' Schreeuwde ik en liet mijn tranen nog altijd rijkelijk vloeien.
'Rustig maar, kalm aan hoor! Je hoeft je niet zo aangevallen te voelen.' Zei hij rustig terwijl hij naar me op keek.
Ik liet mijn armen zakken en liet me krampachtig snikkend naast hem neerzakken. Ik snapte er niets meer van.
'Ik heb niet gezegd dat je niet mag huilen maar op een gegeven moment moet je ook je tranen kunnen drogen. Je moet je ogen sluiten, diep adem halen, tot tien tellen en doorgaan! Het leven is moeilijk, oneerlijk en bijzonder pijnlijk maar ook kort. En tussen al die moeilijke momenten zitten ook mooie fijne momenten en het zou zonde zijn als je die moet missen doordat je teveel in je verdriet blijft hangen, niet waar?'
Heel langzaam keek ik op, ik keek in zijn grijze ogen. Ze stonden vermoeid maar ze waren hun glans niet verloren. Ergens achter de vermoeidheid zag ik een lichtje flikkeren. En door mijn tranen heen moest ik glimlachen, oprecht glimlachen. Hij glimlachte schreef terug.
'Mis je, je moeder?' Vroeg hij rustig en wendde zijn blik weer af.
'Ja of nee. Ik mis een moeder niet mijn moeder.' Antwoordde ik zachtjes.
'Wat denk je dat je misloopt zonder een moederfiguur?'
'Liefde.' Antwoordde ik weer zacht.
Hij draaide zich een kwartslag naar me toe en kneep even heel vluchtig in mijn arm.
'Luister kind. Jouw moeder is overleden. Ze heeft zelf voor de dood gekozen en hoe moeilijk dat ook is sommige dingen moet je accepteren. Ze wílde dood. Het was veel erger geweest als ze niet dood wilde en wel dood was gegaan. Ze dacht dat jij sterk genoeg was om zonder haar verder te gaan en je te ontwikkelen tot een prachtige vrouw. Een tweede moeder bestaat er niet, je hebt er tenslotte maar één maar je kan liefde op zoveel andere manieren vinden. Geloof me moederliefde is belangrijk maar, maar een klein deel van alle liefde die er te vergeven is!'
Ik knikte en wreef de opwellende tranen uit mijn ogen. Ik was ontroerd door de onbekende man.
'Bedankt.' Zei ik zachtjes.
'Het is niks.' Antwoordde hij en haalde grijnzend zijn schouders op maar ik zag dat hij stiekem gevleid was.
We bleven nog een hele tijd zwijgend naast elkaar zitten en terwijl mijn tranen droogde ik de zon neuriede hij binnensmonds een oude hit. Uiteindelijk stond hij geluidloos op en voor ik afscheid kon nemen was hij al verdwenen, zonder een woord te zeggen. Ik vertrok niet veel later daarna. Ik liep het dorp door naar huis. Tenminste wat voor nu nog mijn huis was. Ik voelde me sterk, doortastend en dapper. Ik gooide de voordeur open en stampte recht door naar binnen. Papa zat voor de televisie. Toen ik binnenkwam sprong hij overeind en kwam op me afgestormd. Toen hij me bij mijn schouders wilde pakken gaf ik hem een duw tegen zijn borstkas en stoof naar achter.
'Blijf met je poten van me af!' Schreeuwde ik en voelde de woede in me opborrelen.
'Wát?' Herhaalde hij traag en kwam dreigend op me afgelopen.
'Je hoorde me wel!' Schreeuwde ik en ontweek een klap.
'Hoe kun je nog zo'n grote mond tegen me hebben nadat je zomaar een dag weg bent gebleven? Waar heb je in godsnaam gezeten?' Schreeuwde hij en besproeide me ondertussen met zijn spuug.
Ik dook onder zijn arm door en wreef met mijn arm zijn speeksel van mijn gezicht.
'O, je hebt voor de verandering wél gemerkt dat ik weg was? Het gaat je geen ruk aan waar ik was!' Antwoordde ik en mijn stem sloeg over.
'Ben je nu helemaal gek geworden?'
Hij stoof op me af en tilde zijn vuist al op. Ik sprong achteruit, struikelde half over een stoelpoot en zette het op een rennen. Ik hoorde zijn voetstappen achter me terwijl ik de trap op vloog. Ik gooide alles op de grond dat ik op de weg naar mijn kamer tegen kwam en op mijn kamer hield ik de deur met mijn rug dicht terwijl ik de sleutel uit de lade greep. Met een vlugge handomdraai zat hij op slot. Ik hoorde hem vloeken terwijl hij met zijn vuist tegen de deur roffelde en de deurklink verwoed op en neer bewoog. Ik zakte met mijn rug tegen de deur op de grond en sloot hijgend mijn ogen. Toen ik ze weer opende begon ik te lachen. Schaterlachend haalde ik een weekendtas uit mijn kast en gooide er wat kleren in. In een kwartier had ik mijn belangrijkste spullen bijeen geraapt. Ik liep naar mijn raam en opende het. Ik gooide mijn weekendtas naar beneden op het afdakje van het schuurtje onder mijn raam en liet mezelf er achter aanvallen. Ik hoorde mijn broek scheuren maar het maakte niet uit. Ik rende door de tuin naar de uitgang. Buiten adem rende ik over stoep. Alle straten door, wegen overstekend zonder te kijken en mijn broek steeds verder open scheurend. Het deerde me niet. Het kon me werkelijk geen bal schelen. Ik voelde me zo ontzettend goed. Dat gevoel, dat machtige vrije gevoel had ik nog nooit eerder ervaren en het maakte me onbezonnen en gelukzalig. Voor de deur van Elsa kwam ik pas tot stilstand en liet mijn weekendtas naast me zakken. Ik drukte op de bel, niet één keer maar wel tien keer achter mekaar.
'Ik kom al, ik kom al!' Hoorde ik achter de deur.
Toen de voordeur open ging vloog ik Elsa om de hals en drukte haar stevig tegen me aan.
'O god, Amber! Godszijdank is je niets overkomen! Je was ineens weg! Ik was bang dat ik je nooit meer zou zien!' Riep ze verstikt in mijn haren.
Ik maakte me van haar los en gooide mijn hoofd naar achter.
'Here I am!' Antwoordde ik grijzend en draaide lachend een rondje.
'Wat is er in godsnaam allemaal gebeurd? Je lijkt wel een ander mens? Waar is mijn rustige stille Amber gebleven, wat heb je met haar gedaan?' Zei Elsa lachend.
'Die is op een eeuwig durende zonvakantie.' Antwoordde ik opgewekt.
'Ja, ja. Je hebt me heel wat uit te leggen jongedame!' Zei Elsa glimlachend.
'Als ik binnen mag komen ..' Begon ik voorzichtig.
'Ja, ja het is al goed.' Antwoordde Elsa zogenaamd toeschietelijk en deed een pas opzij zodat ik haar voorbij kon..