laatste stuk heb ik ietjes veranderd..
Hoop dat jullie het boeiend vinden ... maar dat zei ik net ook al
...
Citaat:
“ Jij stomme achterlijke trut.” Deed ik hem na en mompelde erachteraan: “Steek het maar op een plek, waar de zon niet schijn! Wie vind hier zichzelf nou zo goed? Jij bent egoïstisch. Ik doe alles fout.” Kwaad liep ik door zonder op te letten. Bijna viel ik nog, maar gelukkig ging het net op tijd goed. Snel keek ik om mij heen of ik Jason niet zag en liep toen snel door en lette wat beter op.
Toen ik al een tijdje gelopen had en het alweer schemerig werd viel me opeens op dat de bomen hier een stuk minder op elkaar stonden. Het was allemaal wat minder begroeid. Toen ik om mij heen keek, zag ik Jason nergens. Eigenlijk vond ik dat ook helemaal niet erg! Wat me opviel was dat het een stuk verder op echt al kaal werd. Toen ik nog een kwartiertje gelopen had was het amper meer begroeid en het was al donker geworden. Opeens viel me iets donkers op in de verte, het was heel groot. Je zou er niet langsheen kunnen. Langzaam liep ik erop af, ondertussen lette ik goed op. Je wist maar nooit wat het was. Toen ik een stuk dichterbij was, zuchtte ik diep. Ja hoor, dat kon er ook nog wel bij. Het was een ravijn. Er was een hele smalle brug waar je overheen kon, maar het zag er niet stevig uit. Ik vroeg me af waar de auto’s dan heen gingen, want die moesten er toch over? Maar de autoweg was al een tijdje verdwenen, gewoon opeens gestopt! De auto’s moesten toch ergens heen? Misschien er langs? Maar hoever zou dat zijn? Waarschijnlijk liep dit nog veel langer door dan ik dacht, er zou misschien een betere overgang kunnen zijn, maar dan moest ik er nog overheen en dat wou ik juist niet. Waarom had ik nou zo erg hoogtevrees!
Een tijdje piekerde ik erover, maar uiteindelijk besloot ik maar eerst te overnachten en dan pas te gaan kijken wat ik moest doen. Toen haalde ik een paar truien waarop ik ging liggen, Jason had de deken meegenomen, dus die had ik niet hier. Ik ging bij een zielig boompje liggen, want in de open lucht voelde ik me toch een stuk minder fijn. Nu nog steeds niet, maar het ging om het idee.
Ik stond op en ging wat hout sprokkelen, zodat ik een vuurtje kon maken. Een paar zielige takken legde ik op een hoop en pakte een aansteker uit de tas. Een paar keer probeerde ik de aansteker aan te doen, maar elke keer vloog het vlammetje uit door de wind. Na een tijdje was ik wanhopig en stopte maar. Opeens viel het me op dat een stuk verderop wel een kampvuurtje was. Dat was natuurlijk Jason, waarom lukte het hem wel en mij niet! Boos staarde ik naar me kampvuurtje, net of het nu wel zou gaan branden. Opeens hoorde ik geluid naast me. Snel sprong ik op en keek naast me, daar stond Jason.
“Lukt het?” vroeg hij voorzichtig.
“Wat gaat jou dat aan?” boos keek ik hem aan.
“Niet veel, maar ik dacht misschien dat ik je kon helpen.” Antwoordde hij weer.
“Ik heb jou niet nodig, dus ga maar weg!” boos ging ik zitten met de rug naar hem toe.
“Als je me nodig mag hebben, zit ik een stuk verderop. Je kan altijd komen.”
“Ben je er nou nog steeds?! Ik dacht dat je weg was.” Praatte ik erdoorheen zonder hem aan te kijken.
Ik hoorde dat hij wegliep en zuchtte even diep. Nu moest ik het al helemaal nog een keer proberen. Eindelijk lukte het en keek ik blij naar het vuurtje. Eindelijk kon ik even gaan liggen. De slaap wou alleen niet komen, zodra ik een geluid hoorde schrok ik weer op. Graag wou ik naar Jason, maar ik wou het nu niet doen. Hij deed ongelofelijk dom vanmiddag en wou niet toegeven dat ik hem toch nodig had. Na een tijdje maakte ik me vuurtje uit, dat toch al bijna uit was en liep langzaam naar Jason toe. Nadenkend over wat ik wou gaan zeggen liep ik door. Toen ik bij hem aankwam keek hij op. Ik wou wat zeggen, maar deed mijn mond weer dicht. Het was eigenlijk gewoon belachelijk dat ik moest beginnen. Hij was zo achterlijk bezig vanmiddag. Hij keek mij nog steeds aan en ik zag dat hij wat verlegen was. Ik ging zitten bij het vuurtje en staarde erna. De stilte begon erg irritant en ongemakkelijk te worden.
“Het spijt me van vanmiddag.” Hoorde ik hem naast me zeggen.
”Dat is je geraden ook.” Ik keek hem aan. Nog steeds was ik kwaad, maar toch niet meer zo erg als vanmiddag.
“Ik snap dat je boos bent. Het was helemaal niet eerlijk en het sloeg nergens op.” Hij wachtte totdat ik wat ging zeggen, wat ik niet deed. Hij moest het maar even moeilijk krijgen, dat had hij verdiend. Uiteindelijk ging hij door.
“Het was vanmiddag mijn schuld dat je de auto niet stopte. Ik baalde ontzettend dat we die auto niet hadden laten stoppen. Het was de enige in tijden en anders waren we er nu al geweest, als hij gestopt was tenminste. Alles wat ik zei sloeg nergens op, echt nergens. Je loopt helemaal niet in de weg, je helpt hartstikke goed. Je zeurt nooit, terwijl je toch wat anders gewend bent en dat je irritant bent en je niks kan hebben slaat ook nergens op!” Hij stopte zijn verhaal en nog even was het stil. Ik dacht erover na en keek hem toen aan. “Het was erg gemeen van je, misschien heb je wel gelijk... Maar toch had je het niet mogen zeggen!” Dat laatste zei ik er snel en boos achteraan. “Ik heb niet gelijk, het sloeg echt nergens op en het spijt me echt!” “Ik weet ook wel dat het nergens op sloeg, ik wou alleen weten of je het echt meende.” Ik zag dat hij zijn glimlach snel verborg. Hij had dus door dat ik er toch over had lopen piekeren. Het sloeg ook nergens op wat ik als laatste zei en ging toen maar snel door en eroverheen: “Het zal dan wel goed zijn denk ik.” Ik haalde mijn schouders ondertussen op. Jason trok zijn wenkbrauw op en ging naast me zitten. “Ik meende het echt dat het nergens op sloeg, dus je hoeft je niet zorgen te maken of het wel zo is.” Waarom had hij me toch altijd weer door?! “Ik weet heus wel hoor dat het nergens op sloeg.” Antwoordde ik geïrriteerd en keek naar het vuur. In mijn ooghoeken zag ik wel dat Jason het niet makkelijk had, maar dat was een keertje goed ook. Eigen schuld! Na een tijdje pakte ik wat te eten dat ik nog in mijn tas had. “Oké, het is echt goed. Ik was net gewoon nog steeds geïrriteerd. Al helemaal dat jij meteen door had dat ik erover piekerde.” Dat laatste zei ik wat zachter. Hij glimlachte en schudde zijn hoofd. “Jij moet niet te veel nadenken daarover. Als ik zeg dat het nergens op slaat. Slaat het ook nergens op.” Ik knikte en gaf hem wat eten. Weer was het stil, maar nu was het niet erg.
Na een tijdje toch nog even gepraat te hebben, gingen we maar eens slapen. We legden de kleren op de grond, zodat we erop konden liggen en deden de deken over ons heen.
“Slaap lekker.” Hoorde ik Jason naast me zeggen.
“Jij ook.” Antwoordde ik en al snel viel ik in een droomloze slaap.