Goed, lekkere tijd van posten weer, maargoed... Had opeens een ideetje.... 
Citaat:
Vervolgens bekijk ik de brief nog een keer. Tot zoverre ik mij kan herinneren, komt het niet overeen. Betekend dit dat hij afvalt? Snel schut ik de gedachte van mij af. Wie weet heeft iemand anders het wel voor hem geschreven. Hij is toch de enige persoon die ik kan bedenken die het gedaan heeft, ook als ik de reactie op zijn naam bedenk die Gert en Anna gaven. Even sluit ik mijn ogen, één ding zit mij dwars. Laurens zijn naam, komt niet overeen met de naam die op het papier staat. En de eigenaar van de naam, zie ik niet als verdachte. Ook omdat ik hem nog maar net ken. Waarom zou hij het dan gedaan hebben? Of zou ik toch een verleden met hem delen?
Citaat:
Woest schud ik mijn hoofd. Ophouden nu! Wie zegt dat hij écht de dader is? Waarom zou hij?
Een kreet ontsnapt uit mijn mond. Weer schud ik mijn hoofd. Wat wil je nou? Wil je perse de moordenaar vinden? Wil je écht weten wat er gebeurd is? Wil ik het echt wel weten? Durf ik dat aan? Even word ik bang van de vragen die ik mijzelf stel. Simpelweg omdat ik het zelf niet meer weet. Is het wel goed om het verleden uit te pluizen? Er is vast een reden dat ik mijn geheugen ben verloren. Toch? Moedeloos laat ik mijn hoofd in mijn handen zakken. Wat wil ik nou. Het eerste antwoord wat in mij opkomt is Rose leren kennen. Rose, mijn moeder, die ik niet ken. De band die is verdwenen bij mijn val. Een band die waarschijnlijk niet meer goed komt. Hoe kun je nou iemand leren kennen, als ze een geest is? Niet, concludeer ik. Ik kan haar toch niet meenemen naar de stad? Om te gaan shoppen? Ik kan haar niet aanraken als ik een knuffel wil. Ik kan haar niet echt voelen, als zij mij aan zou raken. Alleen maar, omdat ze een verschijning is. Een geest, die waarschijnlijk nog maar een doel hier heeft voordat ze rust kan hebben. Dat de persoon die haar heeft vermoord wordt gevonden. En zijn straf krijgt. Terwijl ze niet mag meehelpen in de zoektocht naar hem. Ik ligt mijn hoofd op en schudt hem weer. Het is gewoon hopeloos. Een koel briesje waait mijn kamer in. Een briesje wat de geur van rozen door mijn kamer blaast. Even glimlach ik, vervolgens bedenk ik mij dat het wel toeval zou zijn.
‘Hey Lise!’ Vrolijk word ik de volgende dag begroet door Sjon. Ik glimlach even voordat ik hem ook begroet. Bijna automatisch loop ik naar achter om mij daar om te kleden. Sjaak glimlacht even en wijst dan naar de kast.
‘Weet je nog welke bloes je moest hebben?’ Vraagt hij dan. Even kijk ik bedenkelijk naar de kast. Welke was het ook alweer?
‘Laat mij maar even.’ Klinkt een vrouwenstem achter mij. Verbaasd kijk ik om. Daar staat een jonge vrouw mij vrolijk aan te kijken. Vervolgens steekt ze haar hand uit.
‘Omdat je mij aankijkt alsof je niet meer weet wie ik ben, Ina, hoi!’ Zegt ze lachend. Ik schud haar de hand en stel mij automatisch ook voor. Ze kijkt mij even aan en schiet dan in de lach.
‘Sorry, maar dat wist ik al,’ Zegt ze terwijl ze mij een knipoog geeft. Plotseling begin ik te blozen. Natuurlijk weet zij dat. Zij is haar geheugen niet kwijt. Dan houdt ze mij een bloes voor.
‘Ik dacht dat jij altijd een maatje M droeg hier. En een schort, alsjeblieft.’ Ze geeft mij de kleren en wijst mij waar ik mij om kan kleden. Snel bedank ik haar en kleed mij om.
De uren daarna vliegen om, Sjaak Sjon en Ina geven mij meteen het gevoel dat ik hier welkom ben. Ook vliegen de opmerkingen ook al snel in het rond. Niet alleen omdat ik mij meteen thuis voel, ook omdat de meeste handelingen automatisch gaan. Het is net alsof mijn werk niet is gewist uit mijn geheugen. Opnemen, de snacks uit de vitrine pakken, in de frituur doen, patat doorgeven, het is net alsof ik mijn geheugen niet kwijt ben. Tot mijn opluchting reageren de mensen ook verrast dat ik weer terug ben. Zo nu en dan kijken ze mij even verbaasd aan, vervolgens lachen ze en vertellen ze mij dat ze het leuk vinden dat ik er weer ben. En het leukste vind ik, dat ze dat meisje- die- zo- leuk- tegen- Sjon –in –ging best wel gemist hebben.
Mijn vrolijkheid verdwijnt in twijfel over vertrouwen als Marc de cafetaria binnenkomt. Is hij wel te vertrouwen? Even denk ik aan de lijst. De lijst waar zijn naam ook op stond. Een lijst die mij deed twijfelen over zijn betrouwbaarheid en de dingen die hij tegen mij zei.
‘Hey, gaat het?’ Hij kijkt mij bezorgd aan. Ik knik. Bang dat de zenuwen mij verraden als ik ga praten.
‘Mooi, ik heb hier een briefje. Het is een lijst deze keer.’ Hij kijkt mij nog steeds bezorgd aan. ‘Weet je zeker dat het wel met je gaat.’
‘Ja, het gaat best hoor.’ Eindelijk heb ik het lef weer gevonden om te praten. Een briefje. Met zijn handschrift misschien wel.
‘Zelf geschreven?’ De blik van Marc veranderd van bezorgd naar verbaasd.
‘Ja, hoezo?’
‘Gewoon, interesse. Mooi handschrift heb je.’ Geef ik hem een gemaakt compliment. Dat briefje dat verdwijnt straks wel als de bestelling klaar is, besluit ik dan.
‘Dank je. Ben je vanavond nog even in de stad? Gewoon wat drinken?’ Stelt hij opeens voor.
‘Geen idee, ik zie nog wel even. Ik weet niet hoeveel energie ik vanavond heb.’ Reageer ik zo neutraal mogelijk.
‘Gaan we nog weer even bezig?’ Vraagt Sjon mij op plagerige toon. Ik begin te lachen.
‘Alsof jij al zoveel hebt gedaan vandaag!’ Zeg ik op dezelfde toon terug. Marc begint te lachen.
‘Ik merk het al, je moet weer bezig. Laat het maar even weten of je gaat of niet. Goed?’ Ik glimlach even en knik dan. Vervolgens draai ik mij om en ga verder met de routine.
Als ik tegen een uur of acht thuis kom vlieg ik al snel naar boven om het briefje te vergelijken met de brief die er op de zolder ligt. Zou het kloppen? Zou hij het gedaan hebben? Maar waarom dan? Goed, kom op Lise, bekijk en vergelijk de handschriften. Kijk of het klopt. Of dat het juist niet klopt. Met trillende handen haal ik de trap naar beneden. Boven aangekomen steek ik eerst een kaarsje aan. De verleiding om Rose op te roepen komt in mij op. Maar ik besluit dat ik haar even laat waar ze dan ook zijn mag. Eerst maar kijken of het klopt, als ik meer weet kan ik haar altijd nog vragen, bedenk ik mij dan. Voorzichtig pak ik het boek op, even streel ik met mijn vingers over de kaft, over het reliëf van het boek. Een kleine glimlach speelt over mijn lippen. Ergens weet ik dat Rose, waar ze ook is en op dit moment echt niet nodig, stiekem met mij mee kijkt. Dan vind ik het echt tijd om het boek open te slaan en de brief eruit te halen. Als ik het de kaft omsla haal ik even mijn adem in. Wil ik het wel weten? Toch wint mijn nieuwsgierigheid het en ik sla het boek nu echt open. Nu de brief nog. Voorzichtig haal ik deze uit het boek en leg hem er bovenop. Vervolgens leg ik het briefje van Marc ernaast. Even sluit ik mijn ogen, als ik ze open kijk ik verbaasd naar de papieren op mijn schoot en concludeer ik dat ik te weinig ligt heb. Mopperend klik ik het lampje naast de bank aan en ga op de bank zitten. Waarom blijven staan als je iets wat schokkend kan zijn beter zittend mee kan maken? Even vergelijk ik alle lettertjes die op de blaadjes staan. Alle A’s en alle E’s om mee te beginnen. Vervolgens de letters met lussen en zo werk ik het hele briefje af. Halverwege kom ik tot de conclusie dat het handschrift niet helemaal op het briefje niet hetzelfde is als de dreigbrief. Een aantal letters zijn verschillend geschreven. Maar veranderd een handschrift niet? Of blijft dat hetzelfde? Met een zucht laat ik de papieren in het boek zakken en sla hem dicht. Hier moet ik even goed over nadenken, besluit ik dan.
‘S nachts lig ik te woelen in mijn bed. Had ik toch wel naar de stad moeten gaan om met Marc te praten? Of dan ook maar iets te ontdekken? Misschien heb ik wel meer vriendjes gehad dan dat ik weet. Het kan toch ook zijn dat er nog meer verdachten zijn? Ik moet morgen maar met Janice, Anita en Myrthe afspreken, dan kom ik vast wel meer over mijn leven te weten. In het speciaal mijn liefdesleven. Opeens komt er een idee in mij op. Kereltje pesten. Een oud spelletje waarmee Myrthe een jaartje geleden mee is begonnen, toen het net aanging met haar vriend Richard. Alleen hoe ik vandaag kereltje ga pesten is nog de vraag. Even denk ik na, welke kerel wil ik eigenlijk in de val lokken? Marc? Laurens? Of zou ik nog andere mensen in mijn telefoonlijst hebben staan? Even bekijk ik de lijst in mijn telefoon. Het blijkt een behoorlijke lijst te zijn en veel namen die er in staan ken ik niet. Wie zijn bijvoorbeeld Herman, Martijn, Patrick en Rene? Dan klik ik even terug. Ik zie de naam Peter staan. Zou Peter misschien een leuk slachtoffer zijn? Toch schrap ik hem al snel uit mijn gedachten. Ik neem niet aan dat Anita het goed zal vinden als ik hem zal gaan pesten. Aan de andere kant, Janice wel dan bij Laurens? Even twijfel ik, dan besluit ik dat ik Janice en Laurens toch niet zo goed bij elkaar vind passen. Dat Laurens het ideale slachtoffer is bedenk ik al snel. Hij was diegene die mij nog even tussendoor nam, dus waarom hem niet even misbruiken? Bovendien vertrouw ik hem wel en weet dat hij de dader in ieder geval niet is. Zijn handschrift komt niet overeen en zijn naam stond niet op de lijst. Ik besluit onschuldig te beginnen, als hij toehapt, kan het alleen maar leuker worden.
‘Hey, weetje, ik ben helemaal alleen en ik ben bang. Help?’ Met een grote grijns op mijn gezicht klik ik op ‘verzenden.’ En nu is het maar afwachten of ik een antwoord krijg!
Arme Janice
En ja, ik heb ook geen idee meer wie de dader kan zijn. Maar geef nou toe... Er komt wel wat te voorschijn uit de telefoonlijst... Een potentiële dader misschien?