Moderators: Essie73, NadjaNadja, ynskek, Polly, Telpeva, Muiz
ik hoop maar dat het snel were komt
Citaat:Binnen zat Doron niet meer bij zijn vrienden.
‘Waar is Doron?’ vroeg ik aan Eva. Ze haalde haar schouders op.
Eva bestelde wat te drinken, ik stond over de dans vloer te kijken, in de hoop dat ik Doron zag. Waarom zocht ik hem eigenlijk? Hij is de gene die mij heeft laten zitten, maar ik hem daarna weer. Ik wou graag weten waar hij was. Eva tikte me aan en gaf me een drankje.
‘Martinicola’ zei ze. Ik pakte het aan, ik was normaal niet een drinker, Maar nu maakte het me allemaal even niet meer uit.
We gingen op het bankje zitten. Ik had de neiging om haar te vertellen wat me dwars zit. Ik dronk wat van mijn drankje. Eva kent mij niet eens, en toch staat ze voor me klaar. Ze wil me helpen, waarom accepteer ik dat niet?
Ik zette mijn drankje aan de kant. ‘Is Doron een player?’
Eva haalde haar glas van haar mond, met nog wat drinken in haar mond schudde ze vluchtig nee. Ze had haar drinken langzaam door geslikt.
‘Hij is juist altijd heel erg met een meisje bezig, en als zij hem ook leuk vind dan kan hij echt helemaal tot over zijn oren verliefd worden. Hij ziet jou nu al een tijdje zitten, maar hij durfde er niet echt voor uit te komen. Jongens hé?’
Ik beet even op mijn lip, het gaf me wel iets meer vertrouwen. Ik werd een hand op mijn schouder gelegd. ‘Daar ben je dan. Ik heb je overal gezocht!’ Ik kijk om en zie dat het Doron is. Ik draaide me meteen weer om, en keek Eva met grote ogen aan. Ze wist wat ik bedoelde, ‘Oh, sorry. Ik was even met haar op de wc. We moesten wat bespreken.’ Ze gaf me een knip oog.
Doron kneep zijn lippen even op elkaar, ‘tja, daar kan ik natuurlijk niet komen. Je vind het toch niet erg als ik haar weer mee neem?’
Eva sloot haar ogen en schudde haar hoofd.
Ik moest het waarschijnlijk maar vergeten. Het was niet zo erg dat hij even bij zijn vrienden ging zitten, hij zocht me wel.
Ik stond op en liep met hem mee. Op de dans vloer kwamen we weer tot stilstand. Daar begonnen we weer met dansen.

**
!! Ik was bezig met mijn jas aan trekken. Ik voelde me goed, en best zelf verzekerd. Ik had geen last meer van Ben. Wel van andere kinderen in mijn klas, maar die zijn niet zo erg als Ben.
‘Britt, wacht even.’
Ik hoorde al aan haar stem dat het Eva was, ik had haar vandaag niet in de pauzes gezien.
Ze gooide haar tas op de grond en leunde tegen een kapstok aan. ‘Ik denk, ik roep je maar even, want het is al maandagmiddag en je hebt me nog niet verteld wat er allemaal er allemaal is gebeurd.’
Ik ritste mijn jas dicht. ‘Nou, we hebben gedanst enzo.’
‘En?’ vroeg Eva. Ze had dus al zo’n vermoede dat er meer was gebeurd. ‘Ja, we hebben gezoend.’ Eva glimlachte, ik zag dat ze blij was met het resultaat.
Ik bedacht me net dat ik Doron de hele dag nog niet had gezien. ‘Heeft Doron vandaag vrij?’
Eva knikte, ‘Ze hebben rapport vergadering van de vierde klas.’
‘Jammer.’ Eva glimlachte even, ‘morgen zie je hem weer, wees gerust.’
Ik pakte mijn tas op, en zei Eva gedag. Ik kon niet wachten om Doron morgen weer te zien.
Natuurlijk gebeurt er op school niet zo veel, maar daarom wil ik hem nog wel zien.
Ik liep naar mijn fiets toe en haalde hem van het slot af. Ik liep met mijn fiets naar de uitgang, daar stapte ik op.
Ik was al bijna thuis, ik kon aan niks anders denken dan aan Doron. Er haalde een meisje mij in. Ik keek haar even na. Een paar meter later haalde ze een groepje van 3 kinderen in. Ze zaten misschien in de tweede klas. Ze begonnen tegen haar te praten. Ik kon niet horen wat ze zeiden, maar ik merkte aan de reactie van het meisje dat ze het niet leuk vond. Ik ging wat sneller fietsen. Het meisje ging ook sneller fietsen om van ze af te komen, en het groepje ook.
Ze zaten echt achter haar aan, ik had allang door dat ze haar pesten. Ik had de neiging om in te grijpen, maar ik was nog niet dicht bij genoeg. Zij zijn tweede klassers, zouden ze iets durven tegen een derde klasser? Ik had eerlijk gezegd geen idee. Ik bleef maar door trappen, ik wou ze inhalen. Desnoods ging ik naast het meisje fietsen, doen als of ik haar kende. Zouden ze haar dan met rust laten?
Ik kwam eindelijk dichter bij ze, het meisje bleef maar proberen ze kwijt te raken door middel van sneller te fietsen. Ik werd boos, konden ze haar niet met rust laten? Dat had ze nu al een paar keer gezegd. Ze kregen door dat ik er langs wou, de twee meisjes in het groepje zeiden mij heel aardig gedag. Ik zei chagrijnig hoi terug. Heilige boontjes.
Ik sneed ze wat af waardoor ze wel langzamer moesten fietsen, ze moesten haar gewoon met rust laten. Het lukte voorlopig wel, ik ging midden op het pad fietsen. Zo als het er nu uitzag ging alles goed. Het meisje reed opgelucht weg, ze reed nog steeds snel door. Ze was bang dat ze weer achter haar gingen fietsen. Ze sneed een stukje af doormiddel van door de berm te rijden. Dat had ze beter niet kunnen doen. Ik hoorde de kinderen achter mij alweer. ‘Zullen we haar inhalen?’ en ze reden met een noodgang langs mij. Ik kon ze nu niet meer inhalen. Ze reden weer naast haar en het meisje werd nerveus. Ze begonnen haar uit te schelden, en het meisje hield het niet meer. Ze barste opeens in tranen uit. Ik was boos, boos op de stomme kinderen die haar dit aandeden. Boos op mezelf, dat ik niet ingreep. Het meisje schreeuwde naar ze dat ze dit niet wou, en dat ze weg moesten gaan. Ik begreep haar woede wel. Woede dat mensen haar geen kans geven, woede dat niemand haar hielp.
De kinderen lachte haar alleen maar uit, het was allemaal maar een grap voor hun.
Het meisje spuugde naar het meisje dat naast haar fietste. Ik was verbaasd, stom verbaasd. Dat ik dit zo ver heb laten komen. ‘Spuug dan terug!’ schreeuwde het jongetje. Maar ze deed niks terug. Mijn huis was al in zicht, ik was er zo. Ik zou ze nu nooit meer in kunnen halen. Ik voelde me schuldig. Waarom had ik niks gedaan?
Het meisje sloeg af, tot mijn schrik. Het was niet zomaar een meisje, het was mijn buurmeisje.
Thuis had ik mijn fiets neer gezet, en ik stond tegen het hek aan te leunen. Ik keek naar het huis van de buren. Het lag zeker een kilometer achter mijn huis. Zolang was ook nu oprit. Ik had geen idee dat zij mijn buurmeisje was. Ik zag haar nog naar huis fietsen, het enigste wat ik nog zag was een klein blauw stipje, haar jas.
Ze moest huilen, ik vond het zo erg. Ik voelde me schuldig, heel erg. Ik voelde me zwak, zowel lichamelijk als geestelijk. Een mislukkeling, waarom kon ik haar niet helpen? Het bleef maar in mijn hoofd zitten. Dit was niet even pesten, dit was al langer aan de gang. Anders huilde ze niet. Ik had medelijden met haar, wat zal ze bang zijn geweest.
Op haar eentje op de fiets, zo snel mogelijk thuis willen zijn. En dan mensen achter je aan hebben die je van alles toe wensen zonder enige reden.
Wat zou ze graag gehad willen dat ze weg gingen. Wat zou ze graag gewild hebben dat er iemand haar kwam helpen.
Waarom deed ik dat dan niet? Waarom schoot ik haar niet te hulp? Ik zou zo graag gewild hebben dat iemand mij hielp. Ik kon haar helpen.
Ik probeerde ergens anders aan te denken. Het lukte maar niet. Ik was binnen gaan zitten, ik zat op de bank ik de woon kamer. Mijn benen tintelden, in mijn hoofd was ik duizelig.
Het deed zoveel met me, ik kon er niet tegen. Het schuldgevoel knaagde bij me van binnen, waar was ik bang voor? Ze konden me niks doen.
Ik ging liggen op de bank, ik voelde me niet meer goed. Wat als ik haar had geholpen?
Zou ze dan nu gelachen hebben, in plaats van gehuild. Zouden die kinderen dan op gehouden zijn. Zou ik me dan beter voelen?
Voor haar ben ik te laat, het heeft geen zin meer. Niet voor haar. Ik laat dit niet nog een keer gebeuren. Als er nog een andere keer komt. Ik hoop het niet.
Waarom hielp ik haar niet?