Hoofdstuk 8
Citaat:
Toen ik mijn ogen opende moest ik eerst even knipperen, het zonlicht was scherper dan ik in eerste instantie had gedacht.
Een gezicht stond voorover gebogen, eerst kon ik het niet plaatsen, maar langzaam maar zeker vielen de puzzelstukjes in elkaar.
Het was Tom, hij had me gevonden!
Ik wilde overeind schieten, maar een stekende pijn in mijn hoofd bracht me weer terug in lighouding.
‘Tom’ zei ik moeizaam maar eveneens blij.
Er kwam totaal geen sjoege en een beetje onzeker bleef ik terug staren, wist hij soms niet meer wie ik was?
Zijn ogen stonden wazig en ik had het idee dat hij er niet echt bij was, waarschijnlijk had hij gewoon slecht geslapen.
Even raakte ik hem met mijn vingertoppen aan, zijn ogen gingen naar de plek waar mijn vingers hem zojuist hadden geraakt.
Hij bleef er naar staren alsof ik een mes in zijn arm had gestoken.
‘Tom, wat is er?’ probeerde ik nog een keer.
‘Kom’ antwoorde hij abrupt, zijn stem was laag en schor.
Ik krabbelde overeind en besloot met hem mee te lopen, ik was in ieder geval bij een persoon die ik vertrouwde.
Althans, hij deed wel een beetje raar en dat vertrouwde ik toch niet helemaal.
Hij nam me bij mijn arm en ik volgde hem. Inmiddels was het druk geworden in het zwembad, weliswaar kon ik deze niet zien, maar het gegil en gejoel was duidelijk te horen.
Waar we heen gingen wist ik niet, ik was benieuwd.
Aangekomen bij een natuurreservaatje dat ik niet kende werd me bevolen te gaan zitten.
Nog altijd onder de indruk van Tom’s rare gedrag ging ik een beetje onwennig zitten. Een hele lange tijd zei Tom niks. Het leek alsof hij een beetje aan het zoeken was naar zijn woorden.
‘Tom, kunnen we niet gewoon terug naar het huisje?’ Geen antwoord.
Ik ging me steeds ongemakkelijker voelen en besloot mijn voeten in het verkoelende water te hangen. Ik speelde wat op en neer met het water, het was zo helder dat ik bijna bang was om het te bevuilen.
‘Hoor eens…’ begon Tom. Direct keek ik hem aan en zag dat ie wat rood werd.
‘Ik eh…nou ehm’ een beetje zenuwachtig probeerde hij zijn woorden te zoeken. Met een handgebaar maakte ik hem duidelijk dat hij door moest gaan.
‘ik wil je zo ergens mee naar toe nemen’ besloot hij.
‘waarheen?’ het kwam er feller uit dan bedoeld.
Hij maakte een handgebaar en schudde zijn hoofd. Waarom ik er zo slecht uit zag en waarom ik had gebeld interesseerde hem blijkbaar niet.
Nee, er was iets aan de hand en het was goed te merken dat ik er niks vanaf mocht weten.
Ik had een vreselijke zin om weg te lopen, ik wilde mijn hart uitstorten bij Tiffany en de andere.
Mijn terugkeer had ik heel wat anders voorgesteld, alles behalve dit.
Ik ging me steeds ellendiger voelen, maar uit nieuwsgierigheid bleef ik zitten. Of het slim was wist ik niet, maar weglopen kon toch nog altijd?
Na een lange zit gaf Tom het sein om te vertrekken, een beetje zenuwachtig wat er ging komen, maar toch nieuwsgierig liep ik achter hem aan.
Ook nu werd ik bij mijn arm genomen, ik zocht er verder niks achter want zo liepen we vaker.
Onderweg keek ik mijn ogen uit, dit stuk natuur had ik nog nooit gezien. Aan mijn rechterkant lagen grootse weilanden waar een aantal koeien kauwend in lagen te genieten van de zon. Aan de linkkant stond een rij bomen met daarachter een enorme vlakte.
Ik genoot van de zon die mijn huid goed deed bijkleuren.
Zonder één woord te zeggen liep Tom door, strak als een soldaat.
Nog steeds had ik last van de brandende blaren op mijn voeten en de scherpe steken in mijn hielen.
Het water had ze even doen verdwijnen, maar de pijnen kwamen al snel weer terug.
‘Tom…’ hijgde ik. Vragend keek hij om. ‘Ik moet echt even gaan zitten’.
Hij liep naar de kant en liet zich neerploffen, ik volgde zijn voorbeeld en kwam even op adem van het intensieve stuk wandelen.
Voorzichtig haalde ik mijn voeten uit de kleffe schoenen, ik trok mijn enkelsokjes uit en bekeek mijn voeten eens ernstig.
Er stonden inderdaad enkele blaren op en mijn hielen waren helemaal ver heen. De schoenen, die in het begin geschikt leken voor lange stukken wandelen, hadden niet veel goed gedaan.
De vellen hingen aan mijn enkels, mijn huis was er volledig afgeschuurd.
‘Sh*t’ hoorde ik naast mij. Tom keek verafschuwd naar mijn enkels, zijn eerst zo wazige blik was omgesprongen in een totaal andere blik.
Ik stond op en liep een stukje, de plas niet zo ver hier vandaan was erg aantrekkelijk. Mijn brandende voeten verkoelde er heerlijk in en ik slaakte een zucht van genot.
Ik stond met mijn rug naar Tom toe, maar toch voelde ik dat hij mij nauwlettend in de gaten hield.
We hadden onze weg vervolgd, ik liep door mijn pijn heen. Nou zul je denken waarom?
Mijn nieuwsgierigheid was altijd al een lastig punt geweest, ik moest overal het fijne van weten, zélfs als dat rare of gevaarlijke situaties opleverde.
Zo ben ik eens op een verjaardag van een vriendinnetje geweest. Ze werd 10 jaar.
Er stond een enorm pakket, het was een cadeautje van haar moeder. Iedereen was stinkend jaloers op haar omdat ze zo’n groot cadeau kreeg. Iets groots moest wel duur zijn.
Toen al de vriendinnetjes zich naar de bijkeuken moesten begeven om een stukje taart en een glaasje drinken op te komen halen kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen.
Ik maakte de dozen open, maar telkens kwam er weer een nieuw pakje uit. Totdat de moeder van het vriendinnetje mij kwaad wegtrok.
Ik schaamde me zo erg dat ik me de rest van het feestje zoet had gehouden.
‘Waar gaan we nou helemaal heen?’ vroeg ik nieuwsgierig. Ik verwachtte geen antwoord, maar die kwam er wel!
Het korte antwoord van Tom was: ‘Dat zul je wel zien’. Dat gaf voor mij nog geen enkele duidelijkheid.
Er begon een kronkelpaadje die we helemaal uitliepen. De natuur was weer op zijn best en mede daardoor zette ik nog even door.
Opeens stonden we voor een houten blokhut.
‘Hier is het’ zei Tom met een vreemde klank in zijn stem, zijn ogen waren wat twijfelachtig en dat begreep ik maar al te goed als ik nu de afloop al had geweten.
Met een korte klik maakte hij de deur open en keek daar recht in de ogen van…