Het Fjordenpaard komt uit Noorwegen en kan tot één van de oudste paardenrassen van Europa worden gerekend. Het Fjordenpaard dankt zijn naam aan de 'fjorden', de diepe inhammen in de rotsachtige, grillige Noorse kust. In Noorwegen bewees de Fjord zijn diensten voornamelijk als last en trekdier en ook om de bevolking in lichte rijtuigjes te vervoeren. Men had daar een goed harddravend paard voor nodig om de grote afstanden te overbruggen.
Het Fjordenpaard deed in 1954 voor het eerst zijn intrede in Nederland. Er werden een aantal paarden als proefproject door de Kleine Boeren Commissie geïmporteerd. Een aantal kernen in Nederland kreeg Fjordenpaarden toegewezen om zodoende de gebruiksproef in het boerenwerk te testen. Deze gebruiksproef onderving veel kritiek doch de bruikbaarheid van het Fjordenpaard op de kleine landbouwbedrijven voldeed boven alle verwachtingen en de populariteit van de Fjord nam sterk toe.
De Fjord kent een enorme trekkracht en werkwilligheid waardoor het ingezet werd bij vele vormen van licht landbouwwerk als ploegen, maaien, schudden, eggen, enz. Daarnaast en vooral later toen de trekker het werk van de paarden overnam werd de Fjord een geliefd paardje om recreatief mee te mennen en onder het zadel te rijden.
Rasstandaard
Het hoofd moet sprekend zijn met een breed voorhoofd, grote oogbogen met grote ogen en scherpe wangbeenderen. Het hoofd moet niet te groot en te grof zijn. De neuslijn moet wat ingedeukt zijn en de oren klein en kort en iets breed uit elkaar staand maar wel rechtop.
De hals is goed gespierd met voldoende lengte en souplesse.
De schoft moet vlak en gespierd zijn, hetgeen bij een echt Fjordenpaard wordt veroorzaakt door de 'ophanging' van de wervelkolom tussen de schouderbladen (een kenmerkende eigenschap van bergpaarden, waarbij een laag trekpunt gewenst is).
De rug moet middellang zijn en vooral in de lendenen goed gespierd. Een flauwe ruglijn is een raskenmerk van het Fjordenpaard.
Het kruis mag een weinig smal zijn en afgerond maar zeker niet te vlak en te horizontaal.
Bij het beenwerk mogen de voorbenen een ietwat franse stand hebben maar niet toontredend. het achterbeen moet een goed gespierde schenkel hebben en het spronggewricht een weinig gebogen (een te recht spronggewricht is niet krachtig en daarom ongewenst). De benen moeten krachtig en droog zijn en beslist niet voos of te grof. Het gangwerk moet gemakkelijk zijn en men moet een snelle voetwisseling zien, zowel in draf als in stap. De draf moet recht en vierkant zijn (geen knie aktie) terwijl daarbij een iets franse gang een raskenmerk is.
Het karakter van een Fjordenpaard is van nature rustig en kalm maar wel levendig in zijn hele voorkomen. Het Fjordenpaard behoort in alle opzichten mak te zijn maar wel voortvarend in het werk.
De spijsvertering (ruwvoeder verteerder) van een Fjordenpaard moet zo zijn dat het dier op 'goedkope wijze' in conditie te houden is. Zonder veel kosten moet het zijn vlees behouden en niet mager worden.
De kleur wordt Isabel genoemd en komt voor in verschillende tinten. De Fjord heeft zwarte haren in het midden van de maantop en in de lengterichting over de hals, temidden van de lichtere zijkanten van de manen kam. Verder behoort de donkere streep, welke vanuit de manen kam komt en doorloopt over de schoft, de rug, de lendenen en het kruis tot in de aanzet van de staart en doorloopt in de staart zelf tot de raskenmerken. Deze streep noemt men de 'aalstreep'. Vaak ziet men bij het Fjordenpaard een lichte snuit (meelsnuit) en zebra strepen aan de benen. Minder vaak ziet men donkere strepen over schoft en schouder.
De schofthoogte van het Fjordenpaard varieert van ± 1.38 m. tot ± 1.45 m. Er komen ook Fjorden voor die kleiner (1.35 m.) of groter (1,50 m.) zijn.
dit was het over fjorden ik dee dat omdat ik dol op fjorden ben!


bedankt! 
euhm tja