Omdat ik bioloog ben, en vrij veel van genetica afweet
Is heel simpel: beide ouders zijn heterozygoot voor de bontfactor.
Ieder dier heeft 2 exemplaren van elk gen. Genen worden meestal aangeduid met letters. Het bontgen wordt bv met P aangeduid (van platenbont).
Bij de celdeling die gebeurt om eicellen en spermacellen te maken, worden die 2 exemplaren gescheiden. Iedere eicel en iedere spermacel heeft dus maar 1 set genen. Als eicel en spermacel samensmelten heeft het daaruit resulterende kind dus weer een volledige set genen, 1 set van pa en 1 set van ma.
Een gen kan dominant of recessief zijn. Van een recessief gen heb je er 2 dezelfde nodig om het kenmerk tot uiting te laten komen. Maw, het gen van Pa en het gen van Ma moeten dezelfde werking hebben.
Het bontgen P is dominant, daarom wordt het met een hoofdletter aangeduid. Je hebt dus maar 1 exemplaar van het gen nodig om een bont paard te krijgen. Dat betekent óók dat het 2e exemplaar van het gen de niet-bonte variant kan zijn: p. Een bont paard kan dus genetisch Pp zijn (een bont gen + een niet-bont gen). Uiterlijk zie je dat niet, omdat het bontgen overheerst. Dit noem je heterozygoot (hetero = ongelijk). Een homozygoot bonte is PP (2x het bontgen).
Als je 2 heterozygoten kruist, heb je bij iedere ouder 2 soorten geslachtscellen: P-eicellen (geven bont) en p-eicellen (geven geen bont), en P-spermacellen (bont-gen) en p-spermacellen (geen bont-gen). Nu snap je wel dat als er toevallig een p-eicel vrijkomt die door een p-spermacel wordt bevrucht, je een pp veulen krijgt, dus effen gekleurd.