Egbert zegt dat het verder fokken met een merrie (of merries) die komen uit een merrielijn, die ook al in het bezit was van je ouders en/of grootouders zonder kritisch te kijken naar de genetische kwaliteit van die merries emotie is.
Hij zelf denkt dat er merrielijnen zijn, die gemiddeld meer en betere sportpaarden geven dan andere merrielijnen, dus dat bepaalde eigenschappen toe te wijzen zijn aan één bepaalde merrie in het voorgeslacht van de moederlijn en dat bij mensen niet is aan te wijzen welke eigenschappen je hebt van je overgrootmoeder van moederszijde.
Egbert gaat hier de mist in.
Ook bij paarden zijn eigenschappen NIET toe te schrijven aan één bepaalde merrie in de merrielijn. Dat fokkers en ook Egbert kwaliteiten toe schrijven aan paarden uit stammen met een bekende naam (Loma, Sinaa etc.) is niet alleen niet juist; het is onmogelijk omdat steeds de helft van de genetische aanleg van een paard overgaat naar de nakomeling.
En dat is de verkeerde emotie van Egbert Schep. Emotie brengt de fokkerij niet verder wel feiten.
B.v. uit de Loma-stam zijn door diverse stamboeken 15 hengsten goedgekeurd, waarvan 4 bij het KWPN. Alleen WHISTLER (Holland x Iroko x Indorado) weet zich momenteel als bovengemiddelde vererver van springaanleg te presenteren. Maar dat heeft niets te maken met de in de 50er jaren Gronings gefokte merrie Wiloma. Deze merrie is 5 generaties verwijderd van Whistler en ze is een van de 32 voorouders in die generatie.
Whistler dankt zijn springindex van 145 aan 3 bovengemiddeld verervende hengsten op rij (Holland, Iroko en Indorado).