arie53 schreef:Onder deze titel staat de onderstaande brief in de Hoefslag nr. 10
Voor - of achterover?
Onder de titel "Goed werk heeft tijd nodig" (Hoefslag nr. 7 van 15 febr.) zou volgens de schrijfster Dorli Welp Johan Hamminga in zijn inleiding gewezen hebben op het belang van het achterover kantelen van het bekken zodat het achterbeen beter kan ondertreden.
Nu lijkt het mij haast onwaarschijnlijk dat een vakman als Johan Hamminga deze voor een paard fysiek onmogelijke beweging zou hebben geuit. (Noot van de redactie: Johan Hamminga heeft dit inderdaad niet gezegd tijdens het KNHS-instructieseminar)
Via het bekken zijn de achterbenen van het paard met het skelet (de romp/frame) verbonden. Door het sluiten van de lendenwervels (voorover kantelen van het bekken) wordt deze constructie stabiel en stelt dit het paard in staat om zowel de massa te dragen als middels het achterbeen voorwaarts te stuwen. Bovendien leent het bekken zich er helemaal niet voor om achterover gekanteld te worden. Het kruisbeen blokkeert dit proces om de lendenwervels verder dan in de normale rusttoestand te openen. Het bekken kan en moet echter naar voren gekanteld worden om de lendenwervels te sluiten en van de romp in de beweging een uiterst stabiele constructie te maken. Het hoofd, de hals en het heffen van de staart vormen in dit proces een belangrijke rol. Daarbij worden de hoeken van de onderliggende gewrichten kleiner gemaakt hetgeen een voorwaarde vormt om in de beweging een verende landing, een heffende en een dragende alsmede een afzettende fase mogelijk te maken. Alleen als aan deze voorwaarde wordt voldaan, is het paard in staat om de massa optimaal in balans voort te bewegen. De zithulpen (aantrekken van het kruis) zijn immers op dit natuurlijke proces van een naar voren gekanteld bekken afgestemd. Paarden met een sterk hellend kruis hebben per definitie grote gewrichtshoeken en kunnen derhalve het bekken moeilijk of niet naar voren kantelen om de gewrichtshoeken sterk te verkleinen en de lendenwervels optimaal te sluiten. Daarom is het ook van groot belang dat een sportpaard een goed oplopende en goed bespierde lendenpartij heeft om het naar voren kantelen van het bekken mogelijk te maken.,
Bij een achterover gekanteld bekken zou immers de hoek van het darmbeengewricht groter worden en dat geldt ook voor de hoek van het spronggewricht. Daarmee zou het natuurlijke proces van heffen, dragen en voorstuwen door een uiterst nauwkeurig op elkaar afgestemde werking van het verkleinen van de gewrichtshoeken volkomen tenietgedaan worden.
Bovendien kan bij een achterover gekanteld bekken niet gelijktijdig aan de voorwaarde van dragen en voortstuwen voldaan worden omdat dan de lendenwervels open blijven staan. Het effect van het afzettende achterbeen gaat verloren door de niet stabiele skeletconstructie die er ontstaat bij geopende lendenwervels. Bij de afzet moeten de lendenwervels immers gesloten zijn en volgens de lezing van een achterover gekanteld bekken staan de lendenwervels open! Nu is het fysiek onmogelijk voor een paard om in de beweging, bij een achterover gekanteld bekken waardoor het achterbeen beter zou ondertreden, de lendenwervels te openen en tegelijkertijd voor de benodigde afzet de lendenwervels te sluiten.
Bovendien verlangt de FEI article 404.4 dat het paard in de uitgestrekte draf het frame verlengt (to lengthen his frame). Aan deze voorwaarde kan alleen voldaan worden als het bekken naar voren wordt gekanteld. Het frame wordt dan gelijktijdig verlengd. Bij een achterover gekanteld bekken wordt het frame verkort.
Goed werk heeft tijd nodig luidt de titel van het bewuste artikel maar het verlangt ook dat de ruiter weet hoe het skeletmechaniek werkt en dat hij goed wordt voorgelicht.
Karel de Lange, Steenbergen
En nu ook het antwoord op deze ingezonden brief plaatsen.