Op de zolder van het huisje 'Plaszicht' woonde een grote muizenfamilie, de familie Piepert. Het was een zomerhuisje bij de plassen en de hele zomer hadden ze het er heerlijk gehad. Want er waren mensen, en waar mensen zijn is kaas.
Maar nu kwam de winter, de mensen hadden het huis in de steek gelaten, er was geen kaas meer, er was zelfs geen kruimeltje brood meer. Waar moest de familie Piepert van leven? Ze waren met hun eenendertigen. Vader, moeder en negenentwintig kinderen. Dat is wat. Ze wisten geen raad en liepen maar van de ene kant van de zolder naar de andere kant en aten een hele Genemuider mat op van de honger. Eindelijk zei de oudste muizejongen, hij heette Snorresjoerd: Moeder, de vogels doen het veel beter: de ganzen en de zwaluwen en de ooievaars. Ze vliegen 's winters naar het zuiden en 's zomers komen ze weer terug. Kunnen wij ook niet gaan trekken, net als de vogels en terugkomen als er weer mensen zijn. Och, stil toch, domme jongen, zei moeder Piepert, die vogels kunnen vliegen, maar wij! Kun jij vliegen? Kan ik vliegen?
Maar vader Piepert, die ook geluisterd had, zei: Er zit toch wel iets in die opmerking van onze Snorresjoerd. 'k Heb altijd gezegd dat hij op mij lijkt en een pientere jongen is. Als we dan niet vliegen kunnen, dan gaan we lopen. En we hoeven niet eens naar het zuiden. We kunnen ook naar het noorden, als er maar kaas is. En ik heb een gevoel, dat er in het noorden kaas is. Maak je gereed, moeder, kinderen, we gaan op de muizetrek.
Nu, ze hadden niet veel mee te nemen, behalve hun staarten en die hadden ze altijd bij zich. En daar trok de familie Piepert, eenendertig muizen, groot en klein, huis huisje Plaszicht uit. Snorresjoerd stak zijn staart in het water en toen in de lucht, om te voelen, hoe de wind was. Toen trokken ze naar het noorden. 't Viel niet mee voor muizen om van een warme zolder het veld in te trekken. De kleine Mietje kreeg het vreselijk koud en piepte. Ze kwamen een veldmuizenfamilie tegen: Hallo, komen jullie gezellig in ons hol? Maar vader Piepert riep terug: Dank je, goede vrienden, wij zijn zoldermuizen en willen kaas. En vriendelijk wuivend liepen ze verder.
't Werd donker en het werd koud en guur. De allerkleinste muizen riepen: Vader, moeder we kunnen niet meer. En vader Piepert zei met tranen in zijn ogen: Nog even, kinderen, nog even, we zijn bijna bij het noorden.
En toen, opeens stond daar een grote boerenschuur. Ze trippelden alle eenendertig naar binnen en vonden daar een trap naar de vliering. Op die vliering lag stro en er lag graan en vader Piepert zei: Nu, kaas is hier weliswaar niet, maar er is in elk geval eten. Och, wat waren ze blij en wat aten ze veel. Ze zijn van plan om de hele winter op de vliering van die schuur te blijven, en in 't voorjaar dan gaat de familie Piepert weer terug naar het zomververblijf. het huisje met kaas, aan de plas.
groetjes samantha


