Morgen heb ik een PW scheikunde en er is ons een oefentoets gestuurd. Nu probeer ik deze te maken, maar uit de volgende vragen kom ik echt niet:
1. Hoeveel zuurstofatomen bevinden zich in 20 g zuurstof?
A. 3,8·10 23
B. 4,8·10 23
C. 7,5·10 23
D. 9,6·10 23
2. Men lost op in water en vult aan tot 1,0 L:
I 0,1 mol KNO3
II 0,2 mol C12H11O22
III 0,3 mol Fe(NO3)3
IV 0,4 mol NH4Cl (Er staat hier de letter ℓ dus géén hoofdletter I.)
Welke van deze oplossingen bevat het grootste aantal ionen?
A. oplossing I
B. oplossing II
C. oplossing III
D. oplossing IV
Men lost 0,20 mol glucose op in water.
Na het oplossen bedraagt het volume van de oplossing 400 mL.
De concentratie van de glucose bedraagt dan:
A. 0,080 mol·L-1
B. 0,20 mol·L-1
C. 0,50 mol·L-1
D. 2,0 mol·L-1
Op alle 3 de vragen is het antwoord C, maar er is geen uitleg bij gegeven dus iemand die dit wel snapt en mij kan helpen?

Alvast bedankt.
