Voor de laatste keer aaide ik zachtjes over haar kaak. Ze had pijn. Ik zag het in haar ogen. Ik drukte haar een kus op haar
fluwelen (Laat dat fluwelen achterwegen..) neus en gaf haar een wortel. Ik liep weg uit de stal
,<-- komma weg laten en liet de dierenarts naar binnen. Ik haalde een traantje uit mijn ooghoek,
en liep verder (liep verder naar wát?). Ik wou hier niet bij zijn. Toen ik buiten stond hapte ik naar adem. Het leek alsof mijn longen waren dichtgeklapt. Ik kon alleen nog maar huilen.
Ik hapte naar adem.<-- dit is overbodig; weglaten. Ik voelde een grote, vertrouwde mannenhand op mijn schouder. Ik draaide me om en drukte me stevig tegen hem aan. Het was onze stalhulp, en tevens mijn “bijna vriendje”. We waren verliefd op elkaar, en niet zo’n beetje ook. Er was niet omheen te draaien, maar geen van ons beiden durfde de eerste stap te zetten. Hij haalde zijn hand door mijn haren heen. Toen hij me losliet, bekeek hij me even.
Het was avond, laat in de avond. Je verteld eerst dat hij je aankeek en toen vertel je dat het avond is.. Het was een rotdag voor mij geweest.
Echt heel zwaar.<-- Anders verwoorden of weglaten. Eerst werd ik ’s morgens wakker van vervelend gehinnik. Eng gehinnik. Gehinnik van een bang paard op zoek naar zijn baasje, zijn vriendinnetje, zijn maatje. Ik ben toen gauw naar stal gerend, omdat ik precies wist welk paard het was. Het was mijn merrie. Mijn lieve merrie. Ze was vast komen te zitten met haar benen tussen het hek.
Waarschijnlijk heeft ze de hele nacht zo gelegen. Vind ik ookniet echt mooi Eerste stukje van een verhaal wat ik aan het schrijven ben

. Zal later meer posten
