
Citaat:Het is een donkere nacht. De wolken verdringen de sterren, zelfs de maan verstopt zich. Er hangt een aangename warmte rond me en een fris windje speelt zo nu en dan met mijn krullen. Ik zucht. Voor me ligt “het plein” dat eigenlijk niets meer is dan twee appartementenblokken met parking en een grasperkje gescheiden door een kruispunt. Het is omgeven door een apotheker, een slager, een bakker, een frituur en nog wat appartementen. Het kruispunt ligt er verlaten bij. Ondanks dat de straat die evenwijdig loopt met het terras waar ik op sta een verbinding is tussen een dorps wegje en de grote snelweg die ons overal kan brengen waar ons hartje verlangt, is het stil. Er rijden geen auto’s, de lichten worden tevergeefs afwisselend rood, groen of oranje. Ik glimlach, het is een vreemde stilte. Een stilte die niet “hoort”. Mijn blik word getrokken naar de tegenoverliggende kerk waar achter een katholieke gemeenteschool ligt. Niet zomaar een gemeenteschool, maar mijn basisschool. Ondanks dat ik tot ongeveer een jaar geleden nooit echt op dit plein kwam, hangen hier veel herinneringen. Ik was vaak een “toevallige voorbijganger”. Iemand die kwam en ging. Soms heel even bleef hangen omdat ik er nodig was. Omdat het verplicht was. Vreemd hoe ik daar zo over kan denken gezien ik hier ruim zes jaar dagelijks naar school kwam. Toen mijn leven nog geen verdriet kende. De grootste moeilijkheden en irritaties bestonden uit de drukte rond mijn eerste communie, moeilijke staartdelingen en wat later kinderlijk gepest en de wekelijkse kerkbezoekjes die nooit leken op te houden. Steeds hadden ze een reden, tot het 1ste studiejaar was het mijn eerste communie die er voor zorgde dat ik de kerk van binnen zag, de volgende 5 jaren was het mijn plechtige communie die me binnen dwong. Dat terwijl ik nooit echt godgezind was.
Inmiddels zijn die bezoekjes degene waar ik positief op terug kijk. Ondanks dat je stil moest zijn, waren de kerkbezoekjes niets meer of minder dan twee uurtjes geen les. Voor zover je hetgeen dat je krijgt op de lagere school “les” kan noemen. Het was spelen met het heilige wijwater, wachten tot dat ultieme moment waarop we een hostie kregen! Als ik aan die tijd denk, denk ik ook spontaan aan biechten! Bij ons hield de biecht in, dat je een papiertje mee kreeg van je leerkrachten waarop een tekstje stond, dat moest je dan voorlezen bij je biecht. Als ik er nu aan terug denk, ben ik er zeker van dat onze pastoor een geduldig mens geweest moest zijn… Wij waren een grote klas! Ja, dat waren mooie tijden in de kerk. Inmiddels heb ik de kerk op een heel andere manier leren kennen en ben ik kerken op een heel andere manier gaan bekijken. Inmiddels zijn kerken bij mij gebouwen van verdriet. Plaatsen van afscheid. Over God zijn goedheid ben ik al heel lang gaan twijfelen. Maar misschien is dat ook omdat ik zijn huis enkel ken als iets waar verdriet heerst.
Ik laat mijn blik rusten op de grote zware eiken deuren. Voor me speelt zich een tafereeltje af. Een zigeuner bus stopt vlak langs de kerk. 4 EM en 6 STW stapt uit. Geen van ons weet goed hoe ze zich moeten gedragen. Vooral “onze” klasgenoten niet. Met onze bedoel ik: mijn vriendin en mij. Veel te veel op veel te korte tijd. Twee klasgenoten die hun ouders verloren op een jaar tijd is meer dan een klas kan dragen. Stilletjes wandelen we, elk met een witte roos, de kerk binnen. We krijgen een plekje aan de zijkant van de kerk en kijken naar de twee houten kisten. Voor ons zitten de twee jongens, twee zonen… Twee jongvolwassenen die zich nu in een klap gaan moeten gedragen als echte grote mensen. De oudste, onze klasgenoot, houd zich sterk, hij huilt niet, hij kijkt voor zich uit, stuk vanbinnen… De jongste huilt. Geef hem eens ongelijk! De mis gaat aan me voorbij. Ik hoor niet wat men over de ouders zegt. Ik weet dat het goed zal zijn. Je mag geen slecht praten over doden. Dan is het tijd voor de laatste groep. 6 STW zorgt voor 38 witte rozen. Een voor een worden ze op een tafeltje tussen de kisten gelegd. 38 witte rozen… Eén witte roos voor elke persoon die hen steun wilt betuigen, er voor hen wil zijn. Maar al lagen er 200 witte rozen, hun verdriet zou er niet minder om worden. Als de dienst voorbij is, gaan we weer richting school. Maar eerst passeren we langs de twee jongens, de gene die zich sterk houd, maakt een vuist, hij trilt over zijn hele lichaam en zijn gezicht staat verbeten. Wat een pijn…Wat een verdriet en wat een angst. Hij neemt nu officieel de zorg voor een broer op zijn schouders. Hij is immers 18 jaar oud en daarmee volwassen. We hebben nog een hele namiddag les maar de leerkrachten sparen ons. En maar goed, ons hoofd staat er niet naar. Net een kerkdienst achter de rug, een klasgenoot in 2000 stukjes gezien. Neen, informatica, Nederlands en Wiskunde was niet hetgene dat ons kan afleiden.
Ik zucht even diep. Onze klas was uitzonderlijk stil die week. Iets minder dan een jaar daarvoor was het ook al zo… Ongeveer een half jaar er voor eigenlijk. Met de examens van Pasen. Ik denk terug aan de bewuste dag. Het was een vrijdag. Onze laatste moeilijke examens! Iedereen keek al uit naar een weekend ontspanning. Een zondagje nalezen zou genoeg zijn voor de examens van maandag. Eenmaal in ons lokaal viel het meteen op! Ze was er niet! Het meisje dat nooit zonder reden afwezig zou zijn, die nooit zomaar examens zou missen. Ze was er niet… Er werd wantrouwig gefluisterd. Er heerste een onrust van jewelste. Vreemd, zouden we het toen onbewust al geweten hebben? Misschien wel. Het duurde lang voor de examens werden uitgedeeld. Onze klastitularis kwam binnen en toen wisten we het. Het zat fout, en goed ook!
“Graag wil ik jullie één minuut stilte vragen, om ons respect te betuigen aan Vanessa en Kristie, zij zijn gisteren hun vader verloren”
Eén minuut? Je voelt een schok door de lichamen gaan. De klasgenoten van beide meisjes blijven verbijsterd voor zich uit kijken. Spieren spannen zich op en er komen verbeten trekken rond de monden. Ogen vullen zich met tranen. Je hoort een onbreekbare stilte. Zo’n stilte die je de adem beneemt. Nog heel even proberen we ons zelf te overtuigen dat het niet waar is. Maar dan flitsen nieuwsflarden weer voor onze ogen. Het lijkt wel of iedereen het op hetzelfde moment door heeft… Hetgeen dat in de huiskamers geschrokken gezegd geweest was, blijkt waarheid. Er was een ongeulk op het nieuws geweest van een vader met de achternaam van beide meisjes. Er was beslist in elke huiskamer gezegd “Het zal toch niet?” maar het zou met een sussend “ach nee dat kan niet!” van de baan geveegd zijn. Dat kan toch ook niet? Dat gebeurt jezelf, of je vrienden toch niet? Jawel… Het gebeurt wel…
De examens werden nog gemaakt, hoe…Tja, laten we zeggen dat de examens van die dag voor iedereen niet zo goed waren. Het weekend was ineens iets waar niet zo naar uitgekeken werd. Want zouden ouders niet meteen, zonder nadenken, vragen of we wat gehoord hadden? Er van uit gaande dat het niet waar was. Vreemd, het doet een hartje zo’n pijn ondanks dat het niet je eigen vader is.
Ik probeer de herinnering van me af te schudden. Ik heb even hard met haar meegehuild in de avondmis. De hele klas had meegehuild. Goede punten en de aankomende paasvakantie waren niets meer om naar uit te kijken… Er werd angstig afgeteld naar de dag dat we weer naar school moesten en weer geconfronteerd werden met onze klasgenote. Want hoe reageer je op iemand die haar grote voorbeeld, haar steun en toeverlaat verloren is?
Een eenzame traan loopt over mijn wangen. Nee, ik mag niet huilen. Dat recht heb ik niet. Ik vis een kaartje uit mijn zak en lees het gedicht geschreven door Toon Hermans:
Sterven doe je niet ineens
maar af en toe `n beetje
en alle beetjes die je stierf
't is vreemd, maar die vergeet je
het is je dikwijls zelf ontgaan
je zegt ik ben wat moe
maar op `n keer dan ben je aan
dat laatste beetje toe.
De foto op de voorkant van het kaartje laat een oude man zien met een klein glimlachje om de mond. Een glimlach die zowel bitterheid als geluk kan uitstralen. We zullen het nooit weten van hem. Het gedicht is perfect gekozen. Ik denk met een glimlach terug aan mijn harde opa. Mijn taaie oude opa die op zijn 75 nog elke ochtend, zomer of winter, in zijn buitenzwembad sprong. Niets gezonder dan je dag beginnen met een paar baantjes zwemmen. Maar ook de zwakkere opa, die eenzaam was en ziek werd. Die niet meer wilde leven. Die zijn laatste dagen sleet, in hetgeen dat hij zo verfoeide. Van ziekenhuis naar rusthuis en terug. De opa die van een taaie gezette man naar een zwakke oude opa transformeerde op twee weken tijd…
Bij het kaartje zit een foto’tje, een foto’tje van een prachtige hond. Haar trouwe hoofdje straalt kracht uit maar de grijze haren op haar snuit verraden haar leeftijd. Mijn kleine meisje dat hetzelfde jaar stierf. 2006 was geen fijn jaar… Mijn kleine meisje dat van sterke jachthond naar oude fragiele dame ging… Mijn kleine meisje dat ondanks haar kracht en levenslust een trage dood moest ondergaan. Angst in haar ogen, pijn in haar hartje. En ik? Ik gaf haar een aai over de bol en wandelde weg… Liet haar alleen in haar angst, liet haar haar laatste gevecht alleen strijden ondanks dat zij zo vaak aan mijn zijde stond in gevechten die ze niet eens begreep…
Jawel, ik heb alle recht tot huilen. Ik heb alle recht op tranen… Ik mag verdrietig zijn. Want ook ik heb in mijn jonge leven, afscheid genomen van mensen die me dierbaar waren. De stilte die er heerst op dit late uur, de eenzaamheid die rond me hangt. Het is als een veilige deken die me sussend toespreekt met “toe maar kindje, laat maar gaan” en voor ik het weet sta ik te huilen… Te huilen als een klein kind… Het ga je goed opa… Het ga je goed mijn grote vriendin… Mogen jullie op een veilige goede plek op me wachten om me te vergeven, voor al die keren dat ik er niet was…
Ga nooit weg zonder te groeten.
Ga nooit heen zonder een zoen.
Als je het nootlot zult ontmoeten,
kun je het nooit meer doen
Ga nooit weg zonder te praten,
dat doet soms een hart zo'n pijn,
want wat je s'morgens hebt verlaten,
kan er s'avonds niet meer zijn
Als iemand me kan vertellen van wie het laatste gedicht echt is. Wil ik dat graag vermelden, 'inweven' in het verhaal. Het is iig niet van mij en vind niet van wie het wel is. Het is een gedicht dat ik standaard in mijn portefeuille heb zitten.