Dit verhaal is afgeleid van een orgineel verhaal wat ik ergens ooit heb gevonden, ik heb het herschreven, Omdat orgineel hoofdstuk 5 een slot hoofdstuk was, Heb ik dat hele hoofdstuk herschreven zodat het geen Slot hoofdstuk is en ik dus zelf op eigen houtje, een vervolg er aan aan het brijen ben. Ik post eerst de eerste 2hoofdstukken, vinden jullie het wat, laat het me even weten, ook zoniet, want dan weet ik over ik verder moet gaan met dit verhaal posten of niet

Hoop dat jullie het wat vinden.
Hoofdstuk 1
Dijkwachter, hadden ze op het arbeidsbureau gezegd. Ik wist het zeker. Dijkwachter, met een 'd'. Ik was op het baantje afgegaan omdat ik van de natuur houd. Vogels, bloemen, vissen in het water... ik zag mezelf al iedere dag wachtlopen op een mooie oude hollandse dijk met een smal weggetje waar geen auto kwam. Treurwilgen en knotwilgen in de berm, de zon in het water, kortom een pracht van een baan.
"Okay, ik ga mijn uitkering stop zetten. Wanneer kan ik beginnen?" vroeg ik. "Moet ik een cursus volgen of zo? Iets speciaals leren?"
"Maandag," zeiden ze. Cursussen waren niet nodig.
Leek me ook wel logisch; als wachter hoef je alleen je ogen goed de kost te geven.
Ik kreeg een adres waar ik me die maandag moest melden bij ene meneer Hangeman. 's Avonds om half acht. Nachtdienst! Ik vond het nu al spannend. Om maar eens een flauw grapje te gebruiken: overdag niet hoeven werken en 's nachts niet hoeven slapen. Die middag zegde ik mijn uitkering op.
Het huisnummer van het adres dat ik had gekregen, klopte niet. Het was een ziekenhuis. Voor de zekerheid ging ik aan de balie vragen of ze het adres kenden van de dienst dijkbewaking. Het kon niet ver weg zijn.
De portier bekeek het briefje en zei: 'Meneer Hangeman verwacht u al. U moet in de onderste kelder zijn.'
Dijkwachter. Ik weet zeker dat ze het gezegd hadden. Maar het was Lijkwachter. En ik kon hoog of laag springen, ik had 'ja' tegen de baan gezegd. Weglopen betekende dat ik geen centen zou verdienen. Cursussen waren inderdaad niet nodig. Het werk bestond uit zitten en wachten. Wachten tot het tijd was om naar huis te gaan. In de tussentijd noteerde ik welke lijken er de vrieskelder in gingen en welke naar hun begrafenis werden gebracht. Verder gebeurde er niets. Het was - alweer een flauw grapje - een doodse bedoening. Tot gisternacht.
De lift kwam zoemen omlaag naar het kelderportaal waar mijn bureautje staat.Ik had de krant al drie keer uit en ik had erge zin in een kletspraatje met de verpleger die een nieuwe dooie kwam brengen.
Toen de liftdeuren open gingen, zag ik geen brancard en geen verpleger. De lift was leeg. Omdat ik een hekel heb aan zo'n gapend gat in de wand, kwam ik overeind om de cabine naar de begane grond terug te sturen. Pas toen zag ik dat er wel iemand in de lift stond. Een lange, bleke man, broodmager. Geen wonder dat ik hem over het hoofd had gezien. Hij droeg een slobberig zwart pak. In zijn hand bungelde een polshorloge aan een bruin bandje. Het was een knol van een horloge, hopeloos ouderwets, uit de tijd dat er nog geen chips maar enorme tandraderen in zo'n ding gingen.
"Wat kan ik voor u betekenen?" vroeg ik.
Hij keek me aan met een strakke, starende blik, waar ik de kriebels van kreeg. met deze man zou ik niet graag alleen in een kamer zijn. Ik was alleen met hem in een kamer!
"Ik kom iets brengen voor Jef Alberts," zei hij. "Iets dat ze vergeten zijn."
Het was erg ongebruikelijk dat iemand een dooie een cadeautje bracht.
"Geeft u het maar," zei ik. "Ik geef het morgenochtend wel aan..."
Hij schudde beslist zijn hoofd. "Ik breng het zelf."
Het klonk als een bevel. Niet eens als een mededeling. Terwijl hij het zei, keek hij me zo eng aan dat ik hem onmiddellijk zijn zin gaf. In de map keek ik na in welke koelcel Jef Alberts lag.
"Nummer 23," zei ik. "Sinds eergisteren. Zal ik met u meelopen?"
Tot mijn opluchting schudde hij zijn hoofd. Ik dacht er niet over om aan te dringen. "Hier de klapdeur door," zei ik. "Dan is het..."
"Ik weet waar liet is," zei hij afgemeten. Voor ik het in de gaten had, was hij vertrokken, in dat pak dat alle kanten uit slobberde.
Ik zakte in mijn stoel en wachtte. Ik wachtte vijf minuten, tien minuten. Ik wachtte een kwartier terwijl ik me steeds ongeruster maakte.
Je hebt gekken die rare dingen doen met lijken. Was deze kerel er zo een? Een gek in een slobberpak die brutaalweg de lijkenkelder binnenliep?
Midden in de nacht kun je alles verwachten. Ik nam geen risico en belde de nachtportier.
Zelfs samen waren we niet heldhaftig. De portier en ik liepen min of meer achter elkaar aan - ik meer achter hem dan hij achter mij - naar de koelruimte.
Er was niemand. We doorzochten alle ruimten, tot aan de bezemkast toe. Niemand te vinden.
De nachtportier dacht eerst dat ik een flauwe grap met hem uithaalde en daarna dacht luj dat ik had zitten dromen, of me stomweg vergiste. Ik wist zeker van niet, maar dat kon ik niet bewijzen.
De rest van de nacht bedacht ik steeds ijselijker verklaringen voor de verdwijning van de bleke griezel in zijn slobberpak.
Een echte verklaring heb ik nooit gevonden. Behalve eentje die ik zelf niet geloof.
De volgende ochtend, vlak voor het einde van mijn dienst, werd Jef Alberts opgehaald voor zijn toch naar zijn laatste rustplaats. De begrafenisondernemer hoorde mijn verhaal aan en haalde zijn schouders op. "Dan kijken we toch even?"
De dode Alberts log op een rijdende brancard, keurig onder een laken.
De doodgraver sloeg het een stukje weg. Het eerste wat ik zag, was die knol van een polshorloge. Daarna zag ik het gezicht van Jef Alberts. Op het brancard lag de magere engerd. Het was hem! Het was hemzelf!
Nee, een tweelingbroer was er niet, dat wist de doodgraver absoluut zeker. Iets over een horloge kon hij wel vertellen. De weduwe was het kwijt. Nergens te vinden. En dat terwijl ze haar man beloofd had hem met het horloge te laten begraven.
Een dooie beweegt niet. Die gaat niet naar huis om zijn horloge te halen. Dat kan niet... dat mag niet!
Dijkwachter, zeiden op het arbeidsbureau. Met een 'd'. Ik zweer het.
wat een leuk idee van je, leuk uitgewerkt ook
gezien ik een hekel aan GTST heb heb ik die namen maar zo gelaten hahaha, in de verdere stukken gebruik ik andere namen heur