ik miste helaas de deadline, maar het was denk ik ook nog niet goed genoeg
wel vind ik het leuk om nog even op bokt te plaatsen en ik ben benieuwd naar tips
Citaat:Met een vreemd gevoel loop ik de begraafplaats af. Om mij heen zeggen mensen troostende woorden of knijpen zachtjes even in mijn hand of schouder. Ik glimlach en knik terug, maar met mijn gedachten ben ik er niet bij. Langzaam maak ik mij los uit de groep mensen en loop een stukje bij hen vandaan. Daar ga ik op de stoeprand zitten en staar naar de weg. Ik twijfel of ik niet terug wil lopen naar het graf, maar ik durf het niet. Iets houd mij tegen en ik weet dat ik daar later nog vaak zat heen zal gaan. Ik zucht een keertje diep en voel mij eenzamer dan ik ooit heb gevoelt. Simpelweg achtergelaten.
Het duurt een tijdje, maar uiteindelijk komt mijn vader naar mij toe en neemt mij mee naar de auto. Op de terugweg naar huis zeggen we niets tegen elkaar. Ik zou ook niet weten wat ik zou moeten vertellen. Alles geeft herinneringen die mij verdriet doen, dus staar ik uit het raam. Het duurt niet lang of we zijn alweer thuis en ik zucht een keertje. Wat een dag! Verslagen loop ik het huis in en kijk even om mij heen. De vertrouwde spullen, die nu vreemd lijken aan te voelen. Al snel valt mijn oog op het kastje, waar allerlei foto’s op staan. Ik krijg een brok in mijn keel, maar loop er toch naartoe en pak een fotolijstje van het kastje. Zonder ernaar te kijken weet ik welke foto het is en met deze stevig in mijn hand loop ik naar mijn kamer. Daar laat ik mij op het bed ploffen en bekijk de foto. Het is een foto van het gezin, ik, mijn vader en mijn moeder. Ik voel mijn tranen alweer prikken en snel leg ik de foto op zijn kop op mijn nachtkasje. Mijn blik blijft even hangen op het lijstje wat ik nu van de achterkant zie, maar laat dan langzaam mijn blik door mijn kamer glijden. Even twijfel ik wanneer ik in een hoek mijn gitaar zie staan. De afgelopen dagen had ik mij er niet toe kunnen zetten om het ding aan te raken. Wanneer ik speel maak ik altijd veel gevoelens bij mij los en iedere keer had ik het idee dat ik dat gewoon niet aankon. Ook omdat mijn moeder en ik het samen waren gaan leren. Prachtig vonden we het, maar nu lijkt die tijd zo lang geleden. Toch pak ik hem en laat het hout door mijn vingers heen glijden. Even blijf ik twijfelend staan, maar ga dan toch met mijn gitaar op het bed zitten. Ik speel een paar noten en er gaat een trilling door mij heen. De laatste noot trilt nog een klein beetje door, wanneer ik voorzichtig het fotolijstje weer pak. Heel even kijk ik ernaar, maar daarna zet ik hem rechtop. Zo dat ik de foto kan zien en met een brok in mijn keel begin ik een melodie te spelen. Na een tijdje sluit ik mijn ogen en neurie zachtjes mee, terwijl ik mijn hoofd er woorden bij probeer te verzinnen. Alles gaat over mijn moeder, maar ik blijf dapper doorspelen. Ik beweeg mij langzaam mee op het ritme. Langzaam open ik mijn ogen en kijk naar de foto. De laatste noten sla ik aan en ik ben bang voor het einde, omdat het bijna voelt alsof mijn moeder er weer is. Dan weerklinkt het laatste geluid en ik laat mijn gitaar een beetje los. Nog even staar ik naar de foto, waarna ik in snikken uitbarst. Hoe heeft dit toch kunnen gebeuren!
Langzaam loop ik door het bos. Het is donker en ik kan maar weinig zien. Turend kijk ik tussen de bomen door, maar ik weet niet waarnaar ik zoek. Een uil maakt een geluid, waarvan de rillingen over mijn rug lopen. Waar is iedereen? Waarom ben ik helemaal alleen? Ineens uit het niets, zie ik een eind verder een puntje licht. Hoopvol ga ik wat harder lopen. Hoe dichter ik bij kom, hoe meer het licht de vorm van een mens lijkt aan te nemen. Dan sta ik in een keer stil. Mijn ogen worden groot als ik de vorm van het lichaam herken. Zonder te aarzelen begin ik te rennen. “Mama!” roep ik, maar er komt geen geluid uit mijn mond. Als ik dichterbij kom, ga ik weer lopen. Mijn moeder staat met haar gezicht naar mij toe, maar precies op een richel. Ze glimlacht naar mij en maakt een wenkend gebaar. Opnieuw versnel ik mijn pas, zonder mijn blik van mijn moeder los te laten. Onverwachts lijkt ze in ineens uit evenwicht te raken. Ik hap naar adem, als ze wankelend op het randje staat van de afgrond. “Nee!” gil ik, maar opnieuw komen er geen woorden uit mijn mond en begin ik te rennen. Net wanneer ik denk dat ik het ga redden en op tijd ben, kantelt mijn moeder nog verder naar achter. Tranen springen er in mijn ogen, als ik zie dat ze geen houvast meer kan vinden en de grond onder haar voeten afbrokkelt. Voor een moment lijkt alles stil te staan, maar dan valt mijn moeder achterover.
“Mam!” gil ik en badend in het zweet word ik wakker. Ik adem zwaar en de tranen staan in mijn ogen. “Mam!” fluister ik zachtjes en kijk geschrokken om mij heen. “Laat mij niet weer achter!” probeer ik duidelijker te zeggen, maar nog komt er niet veel geluid uit mijn mond. Dan gaat de deur van mijn slaapkamer open en staat mijn vader in de deuropening. Rustig loopt hij naar mij toe en slaat zijn armen om mij heen. Zachtjes begin ik te huilen. Woorden zijn niet nodig om te vertellen waar mijn droom over ging.
Die nacht heb ik nog amper geslapen. Ik durfde niet meer, bang voor opnieuw zo’n droom. De volgende ochtend ben ik al vroeg mijn bed uit en besluit ik te gaan wandelen. Langzaam loop ik door het kleine bosje. Takjes kraken onder mijn voeten en blaadjes ritselen, maar ik merk het niet. Mijn gedachten zakken weg naar mijn moeder. Naar de keren dat wij hier samen wandelden. Wat hebben we toen veel gelachen. Het was altijd heerlijk om samen met haar door het bos te lopen. Ze had altijd wel wat te vertellen en anders vertelde ze over de dieren die in het bos leefden. Eens hadden we een vos gezien en ik vond het natuurlijk prachtig. Iedere keer weer wanneer we op dat stukje van het bos liepen, keek ik heel goed om mij heen en dan leek alles wat maar iets bewoog wel een vos. Een traan biggelde er over mijn wang door deze herinneringen. Hoe kon ik ooit weer zo worden als hiervoor. Ze was een belangrijk deel van mijn leven. Ik hield van haar! Dat had ik nooit eerder echt zo beseft als nu.
Ik heb niet door dat het intussen is gaan regenen en mijn tranen zich ermee vermengen. Na een lange tijd wandelen bereik ik een meertje. Een meertje waar ik altijd graag met mijn moeder heen ging. Ik loop naar ons eigen plekje toe. Een plekje op een rots en twijfelend laat ik mij erop zakken. Met een starende blik kijk ik over het water, wat overal kringen krijgt door de druppels die in het water landen. Ik huil zachtjes, over alles wat niet had moeten zijn. Over alles wat ik anders had willen doen…
Ik blijf er uren zitten en heb niet door dat ik zit te rillen van de kou. Hoe kon dit allemaal toch gebeuren? Waarom moest het nou net mijn moeder zijn? Allemaal vragen tollen er door mijn hoofd, maar nergens krijg ik een antwoord op. Een gevoel van eenzaamheid omknelt mij en tranen blijven zachtjes vloeien. Zal ik dat gevoel van eenzaamheid ooit nog van mij af krijgen? Ik schrik op als ik achter mij ineens wat hoor. Snel veeg ik mijn tranen weg, ook al heeft het geen nut, want ze komen net zo snel weer terug. Ik draai mij niet om maar luister naar het geluid, wat steeds dichterbij komt. Het duurt heel even, maar dan komt mijn vader naast mij zitten. Geruisloos blijf ik zitten en wacht af. Een lange tijd blijft het stil en kijken we beiden zwijgend over het water, maar uiteindelijk begint mijn vader te praten.
“Ik mis haar ook weet je. In alles wat ik doe, denk ik nog aan haar. Een tijd heb ik mij afgevraagd hoe het nu verder moet, zo zonder haar.” Verbaasd kijk ik hem aan. Natuurlijk begreep ik dat mijn vader haar miste, maar alles wat hij zegt is zo herkenbaar.
“Ik weet niet of ik dat kan, zo zonder haar verder gaan.” Zeg ik en kan een snik niet onderdrukken.
“Je moet het proberen, dat zou je moeder gewild hebben.” Zegt mijn vader troostend en ik knik bijna onzichtbaar.
“Maar hoe moet ik beginnen?” vertwijfeld komen mijn woorden uit mijn mond, terwijl ik probeer te bedenken, hoe dat zou moeten.
“Dat weet ik niet, maar we moeten het proberen. We moeten samen sterk zijn.”
“Ik weet niet of ik wel sterk wil zijn!” zeg ik en sta op. Mijn gedachten zijn verwarrend en ik kan mezelf niet zo goed bij elkaar houden. Ik loop wat heen en weer en een tijdje zeggen we niets. Een schuine blik werp ik op mijn vader, die met een lege blik voor zich uitstaart. Ik zie in zijn ogen, de pijn waar hij doorheen gaat op moment. Zo graag zou ik hem helpen, maar ik weet niet hoe! Ik weet zelfs niet hoe ik mezelf zou moeten helpen. Voorzichtig pak ik een steentje van de oever in mijn hand. Een paar keer laat ik hem door mijn hand draaien en aandachtig kijk ik naar de vormen. Het boeit mij, maar ik weet niet waarom. Een tijdje blijf ik zo staan, totdat ik in een boze bui het steentje over het water heen kaats. Hij stuitert een paar keer op het water, waarna hij onder het wateroppervlak verdwijnt. Ik staar naar de plaats waar de steen is verdwenen. Net zoals mijn moeder uit mijn leven is verdwenen. Zomaar plotseling. Een vlaag van woede trekt er door mijn lichaam. Ze had ons niet zomaar mogen achterlaten! Ik graai een paar steentjes tegelijk in mijn hand en laat ze een voor een op het wateroppervlak stuiteren. Iedere keer weer verdwijnt het steentje onderwater en iedere steen die ik gooi krijgt daardoor meer frustratie met zich mee. Zodra mijn hand leeg is, blijf ik verslagen staan. Ik wil schreeuwen, alles eruit gooien, maar er komt niets. Het blijft stil en het water trekt weer glad, afgezien van de druppels van de regen die kringen vormt. Dan voel ik hoe mijn vader zijn hand op mijn schouder legt. Ik draai mij om en met tranen in mijn ogen kijk ik hem aan.
“Zal alles ooit nog zo worden als vroeger?” vraag ik met een gesmoorde stem en druk mij tegen mijn vader aan. Hij omhelst mij stevig en een tijdje is het weer stil, terwijl ik hoop op het antwoord, wat niet gegeven kan worden.
“Nee, het zal nooit zo worden als vroeger, maar we kunnen wel doorgaan met leven. We kunnen weer gelukkig worden.” Zegt mijn vader en ik merk een trilling in zijn stem. De laatste zin blijft in mijn gedachten hangen. Nog steviger druk ik mij tegen hem aan, vechtend tegen de tranen die opkomen. Een tijd lang blijven we zo staan. Langzaam word ik rustiger en durf de realiteit onder ogen te komen. Ook al wordt het niet meer zoals het ooit was, misschien kan ik wel verder leven. Misschien kan ik nog wel mijn moeder gelukkig maken. Mijn vader heeft gelijk we moeten door. We zullen er samen voor moeten vechten. Hard moeten vechten, maar samen zal het ons lukken. Een kleine opluchting gaat er door mijn lichaam en ik ontspan mij wat meer.
“We gaan het samen redden he?” vraag ik en maak mij een beetje losser en kijk mijn vader afwachtend aan. Hij knikt en glimlacht even bemoedigend naar mij.
“Dat gaan we zeker. En een ding moet je niet vergeten, ik zal er altijd voor je zijn.” Die woorden blijven even in mijn hoofd doorgalmen. Ineens voel ik hoe een briesje door mijn haren stroomt. Het geeft mij een veilig gevoel en ik vraag mij af of het mijn moeder is, die mij verteld: “Ik zal er altijd voor je zijn meisje, al ben ik niet meer bij je.” Met een klein glimlachje kijk ik naar de lucht boven mij en eindelijk verdwijnt er een stukje eenzaamheid.
Kus Nujaro



dat van die gitaar door de vingers laten glijden, is gewoon niet slim van mezelf dat ik dat zelf neit kon bedenken! Maar daarom is het ook handig als anderen het lezen