). Ik zit me echter af te vragen of hij wel leesbaar/leuk wordt. Daarom zou ik graag jullie commentaar hebben over wat ik nog zou kunnen veranderen, in welke zin dan ook!=============================
De velden waren leeg. De wind sneed over de grijze heuvels, over het kale landschap dat zich uitstrekte tot achter de horizon. Nu de Winter was gekomen waren alle dieren weggetrokken uit het landschap, en weldra was het hun beurt. In de Zomer hadden ze de velden gedeeld met schapen, koeien, bloemen, vruchten en de warme zon, die met iedereen mee naar het Westen was getrokken. De laatste stam die met hun de zomer hadden doorgebracht op deze weiden was met de laatste zonnestralen weggegaan, en sindsdien waren de dagen koud en donker. Weldra werd het ook voor henzelf tijd om te vertrekken. Tussen het droge gras was niets meer te vinden, van de wind en de kale bomen konden ze niet leven. Het klimaat werd te guur aan deze kant van de Heuvels, waar de grote zwarte rotsen aan de Westzijde hen afsloten van de Zon.
Durandy stond met opgetrokken schouders op kleine rots op een heuveltop. Haar armen had ze over elkaar heen geslagen, om de koude die door haar dunne kleren drong een beetje tegen te houden. De wind gierde door haar haren, en het klonk zo hard, dat ze het geluid van haar tentenkamp achter zich niet meer hoorde. Hier had ze in de zomer vaak met Nandini gezeten, de dochter van Handas, van de Luraks. Hier hadden ze gefantaseerd over de landen achter de donkere bergen, waar de zon heen ging in de Winter, en hadden ze bloemen geplukt en die in hun haar gevlochten. Nandini was weg, de bloemen waren weg. Weggereden met haar stam. Vanaf deze plek had ze haar uitgezwaaid, gekeken hoe de lange stoet mensen, karren en paarden langzaam voortbewoog over het smalle zandpad.
Ze keerde zich om en slenterde terug, terug naar de bedrijvigheid die zo normaal scheen te zijn als de Winter in aantocht was. Al van veraf zag ze vrouwen heen en weer rennen met water, kinderen, eten en stokken. Je hoorde allerlei geluiden door elkaar; geroep van mannen die elkaar van verre aanwijzingen probeerden te geven, vrouwen die hun kinderen bij elkaar probeerden te houden, en huilende baby's.
'Doran! Doran!'
Ze versnelde haar pas niet. Even later kreeg ze een emmer in haar handen geduwd en werd ze naar de beek gestuurd om water te halen, een klusje dat vele vrouwen met haar zuchtend in beweging zette naar de beek, die een eindje van hun kamp stroomde. Iedereen werd gebruikt, iedereen maakte zich nuttig. Durac, het oude stamhoofd, was de ijzige winter van enkele jaren terug niet vergeten en spoorde nu iedereen aan om harde te werken dan ooit tevoren.
'De donkere wolken komen eraan,' zei hij. 'Ik zie ze achter de heuvels. We moeten opschieten voor de Zon ons te ver vooruit is.'
Het woord van de oude man was heilig; zijn wil was wet. Iedereen in de stam koesterde een diep respect voor de oude Durac, en het was ook moeilijk om niet een bepaald gevoel van nederigheid te hebben als je in zijn buurt kwam. Er was niet goed een vinger op te leggen, maar hij bezat iets wat alleen echte leiders bezaten, en hij was een geweldige verteller. Hij had de hele wereld gezien en meer jaren geteld dan wie dan ook in de stam. Hij wist raad, dat wist men zeker. Men vertrouwde hem zelfs nog meer dan Jacobo, de chirurgijn.
Onder toeziend oog van deze man brak iedereen snel de tenten op waar ze de hete Zomer in doorgebracht hadden. De paarden werden voor de wagens gespannen en de ezels werden bepakt. Slechts een paar tenten stonden nog overeind: de Groepstent, waar iedereen vannacht nog zou slapen, en de tent van Durac, die alle voorraden bij zich genomen had en zorgvuldig liet beheren door een wachter. In de winter was voedsel schaars en al vertrouwde hij zijn stam volledig, door zijn ervaring wist hij dat je niet voorzichtig genoeg kon zijn. Bovendien waren de aanvallen van binnen niet zijn grootste vrees; in de heuvels voelde hij de aanwezigheid van andere dieren, te onaantastbaar om te benoemen, maar zeker aanwezig. Hij leunde op zijn stok en staarde naar de volle wagens, de rennende mensen, de dag die traag ten einde liep.
Die avond was het gezellig en warm in de Groepstent. De laatste avond op deze plek wekte bij sommige mensen een melancholisch gevoel op, dat ze uitten door liederen te zingen bij het geluid van een luit. De mannen genoten van het laatste Zomerbier en de vrouwen bonden linten in hun haar en maakten muziek of dansten in prachtige jurken. Midden in de tent brandde een vuur, waarvan de rook door een gat in het dak naar buiten kon. De wanden werden verlicht met een onregelmatig schijnsel, en de schaduwen op de muren maakten de mensen drukker dan ze in werkelijkheid waren.
Me milar de bendetar
Alin hannan endetar.
Wees mijn vriend en dans met mij
Al is de Zomer nu voorbij
'Kom, dans ook met mij, Durandy!' De lichte ogen van een jongen keken haar aan. Ze kende hem; het was Aretio, de zoon van een zekere Hallad, die de vorige winter de Sneeuwbeer had verslagen. Durandy protesteerde. Ze zat liever in de warmte van de vuren rustig naar de dansende mensen te kijken, zodat ze alles tot haar door kon laten dringen en kon genieten van deze laatste avond, dan dat ze meegesleurd werd in enkele dansjes die ze niet goed kende.
'Nee, ik heb geen zin.'
'Ach kom op, het is toch leuk!' Hij trok haar mee aan haar arm en leidde haar de kringen van dansende mensen in. Achter zich hoorde ze gejoel, gejuich en geklap. Was het omdat iedereen zo verbaasd was dat Aretio Durandy op de dansvloer had weten te krijgen?
Ze deden een vrolijke rondedans, een dans waarbij je iedereen zag en met iedereen danste. Het was een dans die ze in een ver verleden hadden geleerd, niemand wist meer van wie, en die ze hadden omgevormd en bewerkt tot de dans van hun eigen stam, de dans die van hun was, die bij hun paste. De Oudsten zeiden wel eens dat de dans vroeger met stokken werd gedaan, en dat de mannen halverwege een andere dame namen, maar daar was in deze tijd niets meer van terug te vinden. Nu danste iedereen met elkaar, lachte en zong. Ze waren gelukkig op deze laatste avond in de zomertent.
De Herfst was in die streken slechts een vaag uitvloeisel van de zomer. Hoewel de dagen minder warm waren, voedden ze iedereen met vruchten en gewassen, die lang bewaard konden blijven in de grote opslagtonnen van de stam. De Herfst was de Oogsttijd. De Winter was leeg. De opslag die ze dit jaar hadden gemaakt deed de karren bijna bezwijken – het was een vruchtbaar seizoen geweest. Dankzij de milde, maar constante regenval in de zomer hadden de gewassen beter gedijt dan ooit tevoren, en dankzij de samenwerking met de 'Groene Stam' van de Muzakil hadden ze geleerd hoe ze de insecten van hun gewassen weg konden houden, en zo een groot deel van hun oogst konden sparen. Ze hadden het opgeschreven in hun Boeken, zodat ze het nooit meer zouden vergeten. Nog enkele flesjes waren over van het zogenaamde 'wondermiddel', die, naar de oudsten zeiden, hun diensten goed konden bewijzen tijdens te volgende oogst.
De wagens waren bijna volgepakt. Iedere keer dat ze verder trokken werden ze zwaarder zakten ze verder door op hun wielen en moesten de paarden harder trekken om het geheel in beweging te krijgen. Vooral na de zomer, met de oogst die meegedragen moest worden, hadden de dieren het zwaar. Vaak werd er dan een extra kar gebouwd om de dieren wat te ontlasten.
'Hebben we alles?' vroeg de oude stem van Durac. 'Kunnen wer vertrekken?'
Er werd instemmend geknikt en geroepen.
'Laten we dan gaan!'
De karren zetten zich moeizaam in beweging en begonnen hun weg over het onregelmatige pad. De ochtend was nog jong en de dauwdruppels die op het gras lagen waren kleine lensjes voor de zonnestralen. De laatste vogels floten in de lucht, en een zachte wind waaide door de lange stoet. Durandy zat zoals gewoonlijk op 1 van de karren, met een Boek op haar schoot. Een boek dat ze van de stam van de Neaden had gekregen; een boek dat ging over het maken van de allerbeste karren die er waren. Alle geheimen van het karrenmaken stonden erin uitgelegd. Hoe je het metaal moest mengen, hoe je het hout moest bewerken, en wat voor soort hout daarvoor gebruikt moest worden. De oude Durac was er erg blij mee geweest. Hij had het geschenk verheugd ontvangen en had gevraagd wat ze ervoor in de plaats wilden. Wilden zij misschien ook iets weten, wat hun stam wel wist, maar zij nog niet?
Durandy bekeek het boek aandachtig. De technische termen erin kon ze maar met moeite lezen. Toch zag ze aan de prachtige tekeningen hoe de karren eruit zouden komen te zien. Mooi, rijk, licht, stevig en duurzaam. Inderdaad de ideale kar...
Zij hobbelde op de hare de lange weg af, richting een groot grijs heuvellandschap, dat opdoemde aan de horizon. De wind werd kouder en het landschap werd kaler. De vogels werden geringer in aantal en de heuvels werden groter en groter. Ergens achter de heuvels waren een paar zwarte torens te zien.
'Wat zijn die torens?' had ze ooit aan de Oudste gevraagd.
'Dat zijn de torens van de Stad der Geleerden, Duran.'
'De Stad der Geleerden?'
De naam sprak tot de verbeelding. Ze stelde zich mannen voor in lange witte jassen, mannen met lange baarden en een wijs gezicht, hoewel gerimpeld en met dichtvallende ogen. Mannen die veel nadachten en weinig zeiden, en die, als ze iets zeiden, iets mompelden, onverstaanbaar voor de buitenwereld, maar dat toch vreselijk wijs was. Iets waar niemand eerder op gekomen was. Mannen die je wel binnenlieten als je op hun deur klopte, maar je verder negeerden terwijl ze bezig waren met hun dagelijkse praktijken, zodat je een onbehaaglijk gevoel kreeg als je daar binnen was, alsof je heel nietig, klein en dom was ten opzichte van hun grootsheid.
'Gaan we daarheen?'
'Nee, Durandy.'
'Waarom niet?'
De vraag bleef hangen in de ruimte. Het bleef stil aan de andere kant. Durandy zat ongeduldig op een antwoord te wachten, maar de oude man zweeg en nam een trek van zijn pijp.
'Waarom niet?
Zijn ogen ontmoetten de hare, en ze zag een licht verwijtende blik. Had ze iets verkeerds gezegd?
'Men moet daar niet heengaan. De mensen zijn vreemd...' zijn blik tuurde in de ruimte, door de rook heen.
'Waarom dan?'
'De mensen van Alanor zien alles, Durandy, als je niet oppast.'
. 
) Om dan terug te komen in het heden ("Nog steeds stond hij haar lachend aan te kijken. 'Dansen?' vroeg hij nog eens")