Vriendlief wilde zijn verhaal hier graag plaatsen. Op zijn eigen account heeft hij te weinig paardgerelateerde posts om op CB te mogen posten.
Citaat:
Hey, ik ben de vriend van Stumper_. Ik heb vandaag dit verhaal geschreven, nouja, het begin ervan. Ik weet niet of ik het af ga schrijven, maar het is best leuk.

Anyways, hier hebben jullie de proloog en het eerste hoofdstuk.
(Gelieve de proloog en hoofdstuk 1 apart beoordelen en ook aangeven wat je dus hebt beoordeeld (of welk deel voor wat is. ^^ )) (Geldt het voor beide, nouja, dan is het niet nodig.)
Titel onbekend schreef:Proloog
Er staat een harde wind. De man kan zich nog net vastgrijpen. Voor de zekerheid controleert hij de zekering nog een keer. Alles is in orde. Vastbesloten gaat hij verder. De bergwand is stijl, maar hij heeft moeilijkere bergen bedwongen. Het gladde, rode gesteente biedt hem weinig grip. Enkele meters van hem vandaan vliegt een condor voorbij, naar de top. Prachtig, denk hij bij zichzelf. Nog één maal gaat hij het proberen. De wind is te hard, maar de laatste vijftien meter wil hij halen. Hij smeert zijn handen in met magnesiumpoeder. Hij grijpt zich vast aan een uitsteeksel en probeer zich omhoog te trekken. Het lukt hem niet.
Opnieuw bekijkt hij de bergwand. Aan de linkerkant steken enkele rotsen een beetje uit. Hij zou zich hieraan vast kunnen pakken, maar dan moeten ze hem wel houden. Nogmaals kijkt hij naar boven. Plots ziet hij wat een mens lijkt. Onmogelijk! Er is hier niemand. Dat kan niet. Zeker niet boven op deze helling!
Hij knippert met zijn ogen en kijkt nog een keer. Niets. ‘Links dan maar,’ zegt hij tegen zichzelf. Hij leunt naar links en probeert zich vast te grijpen. Hij mist.
Een gil.
De condor vliegt op.
Titel Onbekend schreef:Hoofdstuk een: De Dialoog
Hij drukt zich dichter tegen haar aan en kust haar op haar mond. Beiden openen ze hun mond, klaar om elkaar voor de eerste keer te zoenen. Plots klinkt er een luid gekrijs uit haar mond. Hij kan het niet begrijpen? Waarom doet ze dat? Dan wordt de bubbel van zijn droom definitief doorgeprikt. De wekker geeft kwart voor zeven aan. Tijd om op te staan.
‘Goedemorgen Felix.’
Zijn kat komt enthousiast op hem afrennen wanneer hij de keuken binnenkomt. Hij geeft Felix een aai over zijn kop en krabbelt even onder zijn kinnetje. Felix vindt het heerlijk en geeft Alex een kopje. Alex loopt naar het aanrecht en pakt een bord uit de la. Net als hij het brood wil pakken gaat de telefoon.
‘Verdomme, wat nou weer?’ zegt hij geërgerd.
Hij pakt de telefoon op en zegt ‘met Alex de Vries.’
‘Goedendag meneer, u spreekt met Megan Moore. Ik werk voor de Amerikaanse ambassade. Ik ben bang dat ik geen goed nieuws voor u heb, meneer. Ik vroeg me af of u naar de ambassade kon komen, het liefst nog vandaag.’
‘Vandaag komt niet heel goed uit, mevrouw. Mag ik trouwens vragen waar dit over gaat?’
‘Ik heb toch liever dat u even langskomt, meneer, dit is niet iets wat ik graag over de telefoon meedeel.’
‘Ik heb een druk schema, mevrouw. Deze week alleen heb ik al vier vergaderingen en een diner.’
‘Als het werkelijk niet anders kan. Meneer, het spijt me voor u, maar Alec Jurgens is overleden.’
‘Het spijt me, wie?’
‘Alec Jurgens. We hebben hem eergisteren in de woestijn van Utah gevonden. Hij is omgekomen tijdens het bergbeklimmen.’
‘Volgens mij heeft u toch echt de verkeerde, ik ken helemaal geen Alec Jurgens.’
‘Maar meneer, uw adres en telefoonnummer zijn in zijn portemonnee gevonden. Zo hebben wij contact met u op kunnen nemen. Weet u zeker dat u hem niet kent? Misschien kent u hem alleen van gezicht? Als het u even schikt, kom dan langs.’
‘Verdomme, vooruit dan. Kan ik vanavond nog komen? Rond acht uur kan ik wel in Den Haag zijn.’
‘Hartelijk dank. Nog een fijne dag, meneer.’
‘Ja, dank u. Dag.’
‘Dit gaat nog een verrekt lange dag worden, Felix,’ verzucht hij.
Na een moeizame vergadering is Alex op weg naar Den Haag. Hij kijkt nog even hoe hij eruit ziet. Zijn bruine, golvende haren zien er goed uit. Zijn huid is gaaf. Zijn bruine ogen staan er vermoeid bij. Die ogen, alleen die ogen verpesten het, denkt hij. Van binnen is het erger. Hij voelt zich vermoeid. Zijn hoofd is een chaos en hij ziet er tegenop om überhaupt nog naar de ambassade te gaan. Ik heb zo’n gevoel dat die vrouw niet zal rusten voor ik langs ben geweest, zegt hij tegen zichzelf.
Een ruime drie kwartier later staat hij voor de ambassade. Bij de dubbele deur staan twee marechaussees, beide dragen een pistool. Wanneer hij de trap naar de deuren oploopt doet een van de twee een stap naar voren.
‘ID please,’ zegt hij.
Alex had er al op gerekend. Na nine-eleven zou het wel onmogelijk zijn zomaar de ambassade binnen te komen.
‘Alstublieft,’ zegt hij terwijl hij zijn paspoort overhandigt.
‘Wat komt u hier doen,’ vraagt de marechaussee.
‘Ik heb een afspraak. Iemand is dood gevonden in Utah.’
‘Ik verwachtte u al,’ zegt een man die zojuist uit de deuren is gekomen ‘loopt u maar mee, meneer.’
Van binnen is het gebouw kil, net als van buiten. Veel beton, weinig versiering. Af en toe een schilderij. Naast de receptie hangt een prikboord met belangrijke mededelingen.
‘De ambassadeur zal u hoogstpersoonlijk ontvangen,’ zegt de man, ‘als u hier even wilt wachten.’ Hij wijst naar een kleine kamer met een paar stoelen.
Alex gaat zitten. Wie is die Alec… wat was het, iets met een u? Vraagt hij zich af. En hoe in godsnaam is mijn naam in zijn portemonnee gekomen?
‘Komt u binnen, meneer,’ zegt een gezette man met een Amerikaans accent. ‘Ik zal maar meteen ter zake komen.’
‘Graag.’
‘Eergisteren hebben agenten het lichaam van Alec Jurgens gevonden. Hij is omgekomen tijdens het bergbeklimmen. Ze hebben navraag gedaan. Niemand in de nabij gelegen dorpen heeft hem gezien. Hij had geen reservering in een hotel of motel in de buurt.’
‘En toen besloten jullie zijn zakken maar te doorzoeken,’ vraagt Alex?
‘Nee, dit was meteen al gedaan. Niets, geen rijbewijs, geen identificatie. Het enige wat hij bij zich had was een grote hoeveelheid geld en een briefje. Op dit briefje stond alleen “Alex de Vries 310374768296”. We begrepen er niets van. Ze hebben uw naam door het systeem gehaald, maar vonden niemand. Ook de cijfers werden niet begrepen. Tot iemand zich bedacht dat het een telefoon nummer kon zijn. +31 is de landcode van Nederland. Ze hebben mij gebeld en vervolgens liet ik een van mijn medewerkers uw contacteren.’
‘Ik heb geen flauw idee wie die Alec huppeldepup is, noch hoe mijn naam en telefoonnummer in zijn portemonnee terecht zijn gekomen. En ik moet zeggen dat u mij wel heel erg overvalt met zo’n verhaal.’
‘Ik begrijp het. Het is ook laat. Ik zou u graag even een foto van hem willen laten zien. Ik waarschuw u alleen wel van tevoren, het is nogal schokkend.’
‘Geef maar, ik wil nou wel eens weten of ik die hele Alec kerel ken.’
De ambassadeur haalt een foto te voorschijn en schuift deze over zijn bureau naar Alex. Op de foto staat het hoofd van dan man. Hij ligt op iets van metaal; de autopsietafel. Overal op het gezicht heeft de man blauwe plekken. Een mooi gezicht, zonder de blauwe plekken tenminste. Jong, knap, vol leven. Ironisch eigenlijk.
‘Ik ben bang dat ik hem niet herken.’
‘U weet het heel zeker?’
Alex knikt. ‘Ja, heel zeker.’
‘Jammer, we zijn namelijk verrekt nieuwsgierig naar wie hij is. En waarom hij vermoord zou kunnen zijn.’
‘Vermoord? Ik dacht dat het een ongeluk was.’
‘Nee, het touw is doorgesneden. Hij is zeker 30 meter naar beneden gevallen. '
‘Jezus. Wie zou zoiets in godsnaam doen?’
‘Dat zouden wij ook wel willen weten.’
Alex zweeg.
‘Ik heb van mijn secretaresse begrepen dat u met tegenzin bent gekomen. Ik zal u hier niet langer houden.’
‘Ja, dank u,’ zei Alex afwezig.
De ambassadeur liep tot de lift met hem mee. Daar namen ze afscheid. Alex wenste hem geluk met het onderzoek. De ambassadeur wenste Alex een veilige reis naar huis.
Alex liep door de verlaten gangen. Vermoord. wat deed mijn naam in zijn portemonnee? Wie is die man? Hoe kent hij mij? Voor hij het wist was hij al bij de uitgang. Hij duwde de deur open en deed drie stappen naar buiten toen hij een piepje hoorden. Hij keek om naar de marechaussee die verbaast naar hem keek.
‘Is er iets?’ vroeg hij.
‘Oh, nee, laat maar.’
Hij deed zijn hand in zijn zak om zijn autosleutels te pakken. Niets. Ze moeten uit zijn zak zijn gevallen. Hij wist dat hij ze nog had toen hij de ambassade binnenging. De sleutels hadden hem in zijn been geprikt. Hij draaide zich om, zei tegen de marechaussees dat hij zijn autosleutels was verloren in de ambassade en liep weer naar binnen. Halverwege op weg naar de ambassadeur kwam deze hem tegemoet rennen.
‘U was uw sleutels verloren, meneer De Vries. Ik vond ze op de stoel.’
‘Ja, dank u wel. Ik was net op weg naar u.’
‘Dat begrijp ik. Nou, prettige reis dan maar.’
‘Dank u wel, doei.’
Alex liep weer terug richting de uitgang toen een enorme, zware knal het gebouw deed schudden. Terwijl hij richting de uitgang rende ging het alarm in de ambassade af. Een klagelijke schreeuw galmde door de gangen. Bij de uitgang aangekomen minderde hij vaart. Een van de deuren stond open en aan de receptie was een van de marechaussees aan de telefoon.
‘Ambassadeur? U moet direct naar de schuilkelder! Er is een aanslag gepleegd!’
Door de opendeuren zag Alex zijn auto in vlammen staan. Overal lag puin; onderdelen van de auto.
De tweede agent lag op de grond. Hij bloedde uit zijn arm, er stak een stuk metaal uit. Ongeveer zo groot als een vinger. In de verte hoorde hij sirenes. Toen hoorde hij de man die nog geen twintig minuten geleden zijn paspoort controleerde schreeuwen: ‘Alex de Vries! Plaats je handen in je nek en ga op je knieën zitten!’