[VER] De hemel is wel een huis. -Compleet-

Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

[VER] De hemel is wel een huis. -Compleet-

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 09-08-07 19:05

Sommige bokkers kennen het misschien al, maar ik plaats het nog eens. Het is op Word nu rond de 30 pagina's lang, maar ik ben van plan ze goed te controleren en in stukjes te plaatsen. Ben beniewd naar jullie commentaar.
Overigens is het zelf verzonnen en is het niet bedoeld om iemand in zijn/haar geloof te kwetsen ofzoiets.


De vrouw wees door het raam naar buiten, haar hand trilde, en met dramatische stem zei ze: ‘De wereld is vergaan.’
Mijn blik volgde de richting die haar hand aan wees. Achter het raamkozijn, tussen de ouderwetse gordijnen en boven de cactusjes was een schokkend beeld te zien: Een paar mensen zaten voor een muurtje. Ze waren iets aan het eten, een hond? Het zag er verdacht bloederig uit. Een ander groepje zat rond een vuur. Voor de rest was er een hoop puin. Geen pittoreske huisjes meer. Geen kleine straatjes, gezellige winkeltjes of plantenbakken die buiten hingen. Alleen maar brokken steen, een paar muurtjes en wat hout. Ook zag ik overal afval. Één oogopslag en ik had alles overzien.
Het greep me bij de keel, waar was alles? Waarom was ik hier in dit huis, waar zelfs het raamkozijn nog heel van was? De vrouw, door al het leed wat achter de raampjes speelde door mij vergeten, tikte me aan op mijn schouder. Ze wees weer naar buiten, naar een kind. Het zat in een hoekje bij een hoopje puin te huilen. Een paar seconden later zag ik dat er iets onder dat hoopje puin vandaan stak. ‘O god, een arm,’ mompelde ik.
Het kindje had er blijkbaar wanhopig aan gesjord, want het lag nu ver onder het puin vandaan. Voor de eigenaar was er weinig hoop, maar dat leek dat kindje niet te beseffen. Het arme ding bleef huilen en zachtjes de arm aaien.
Minuten, kwartieren, geen idee hoelang, keken we naar buiten. Het leek of de beelden vanzelf voorbij gleden. Alsof we naar een film keken. Een film door een raam. We zagen een jonge vrouw met een baby op de arm angstig naar het vuur lopen. De groep schoof een stukje op, maar een oudere man werd boos. Ze maakten ruzie. Uiteindelijk mocht ze erbij zitten, maar het was duidelijk dat dit niet zomaar kon. Ik vroeg me af wat de consequentie zou zijn voor die vrouw. Er was een tienerjongen die blijkbaar een lied inzette. Hoe het klonk, of wat hij zong, dat hoorden we niet, maar door het glas zagen we dat zijn ogen begonnen te stralen. Hij kon het nog, zingen. Een jong meisje barstte in tranen uit. De jongen keek gelaten om zich heen. Zijn mond zat weer dicht, zijn stem weer verstopt. Toen niemand het meisje ging troosten sloeg hij een arm om haar heen. Tranen rolde over mijn wangen. Wat een wanhopige situatie en waarom? Ik draaide me om naar de vrouw. Die keek mij berustend aan. ‘Erg hè? Daarom willen mensen denk zo graag hier heenkomen.’
Net toen ik haar wat wilde vragen schoot er iemand naar binnen, die bruusk het gordijn sloot. Pats boem, alle narigheid weg. Boos keek hij ons aan.
‘Hms, vrouwen.’ Mompelde hij chagrijnig en haast onhoorbaar. Zonder verder op ons te letten vertrok hij weer. De vrouw keek hem kwaad na. Verbaasd keek ik hem ook na. ‘Wie was dat?’ Rolde uiteindelijk uit mijn mond. Nu keek de vrouw voor het eerst wat triest.
‘Maar dat moet je toch weten, Johanna? Dat was Petrus.’ Ik voelde me onwetend. Wie was Petrus? Waarom noemde ze me Johanna?
‘Martje heet ik, Johanna is mijn doopnaam. En wie is Petrus?’
De vrouw zuchtte overdreven diep.
‘Hier noemen we je bij de naam die wij ooit ontvangen hebben; Johanna,’ begon ze op betweterige toon, ‘en Petrus is de bewaarder hier. Hij heeft je hier toegelaten.’
Nu snapte ik er nog minder van.
‘Waar toegelaten?’
De blik van de vrouw werd nu echt wanhopig. Ze schudde afkeurend haar hoofd. ‘Begrijp je dan niet dat je gewoon dood bent? Dit is de hemel.’

Na de onthulling van de vrouw duurde het een tijd voor ik weer normaal kon functioneren. Dat ik dood was kwam er niet echt in. Laat staan dat dit de hemel kon zijn. Nadat Petrus ons kijkje uit het raam had verstoord hadden we die dag verder rondgezworven door de ‘hemel’. De vrouw had uitgelegd dat gordijnen altijd dicht waren. Mensen hier mochten niet weten wat er op aarde gebeurde. Het was Gods speelplaats, maar de laatste tijd nam de duivel net iets te veel dingetjes over, beweerde ze. Ik zou al die ellende ook wel snel vergeten volgens haar. Op mijn vraag waarom het hier toch zo licht was antwoordde ze snuivend: ‘Dit is de hemel. Wat denk jij?’ Ik dacht eigenlijk dat ze gek moest zijn, maar lampen zag ik niet aan de knalgele muren hangen.
In sneltreinvaart liepen we over het zachte tapijt langs honderden deuren. ‘Allemaal jonkies. Die moeten zich nog melden,’ snoof ze boos. Verbaasd was ik toen ook toen er een oude man uit een van de deuren kwam.
‘Waar ben ik?’ Luidde zijn vraag.
‘In de hemel,’ zei de vrouw dan nors. Zwijgend beende ik naast haar verder. Ze somde alles op waar we voor bijkwamen: ‘Hier links is de keuken, alhoewel eten eigenlijk puur tegen het vervelen is hier. Daar achter die mooie lichtgroene deur is natuurlijk het paradijs. Was paradijselijker geweest zonder deuren, maar is zo evengoed wonderschoon. Daar is het register. Zie je de enorme rij? Die stakkers willen allemaal weten of er familieleden of vrienden in de hemel zijn. Arme stumpers, die zijn óf naar de hel óf onvindbaar in dit doolhof. Maar goed, zolang af en toe één iemand z’n pa, moe of beste vriend vindt blijft het populair. O, dit hier is de leeszaal. Ik wed dat je geen van deze boeken gelezen hebt. Allemaal hier geschreven, er zit zelfs nog een Shakespeare tussen die hij tijdens zijn leven niet af kon schrijven, arme stumper. Misschien kom je hem nog eens tegen. Heeft het nooit af kunnen leren zijn ouderwetse taalgebruik te gebruiken, maar je zult het verstaan hoor kind. Dat grapje met de toren van Babel heeft hier nooit doorgewerkt. Hij vloekt trouwens ook als een ketter, die Shakespeare, niet de toren van Babel. Petrus wilde hem niet toelaten, maar in zulke gevallen blijft God heer en meester en die vertikt het zulke beroemdheden aan Lucifer te geven. Precies om die reden zitten we ook opgescheept met Hitler. Volledig paranoïde en weigert zijn kamer uit te komen, maar hem aan Lucifer geven? Nee hoor. Doodsbang dat die duivel Hitler weer terug op aarde deponeert. Het is daar nu toch al een zooitje, met al die kernoorlogen en zo’n type kan Hij nu echt niet op de aarde gebruiken.’
‘Kernoorlogen?’ onderbrak ik haar opeens, ‘de wereld was toch vergaan?’
Maria keek meewarig opzij. Bemoei je er niet mee, leek haar blik te zeggen en ze ging verder met haar verhaal: ‘Ja, door die kernoorlogen natuurlijk. De wachtlijsten hier zijn immens ondertussen. Tegenwoordig gaan er veel meer mensen de pijp uit en die kloppen allemaal bij de hemelpoort aan. Maar afijn, waar was ik? Oja, dit hier is de spiegelzaal. Kan je jouw eeuwige jeugd bewonderen. Soms vraag ik me af waarom iedereen toch oud wil worden. Hier kan je blijven genieten van je schoonheid, je wordt nooit ouder. Jij blijft nu eeuwig mooi.
Daar achter die enorme deur zit het kerkgedeelte. Alle mensen die ooit misbruik hebben gemaakt van de kerk zitten daar. Hoor je het gezoem? Ze zingen psalmen en moeten tot in de eeuwigheid blijven zingen. Wie heeft ooit gedacht dat God vergevingsgezind was?’
Na deze filosofische vraag valt ze even stil. Een scherpe blik opzij: ‘Ik wed dat jij daar één van was.’
‘Huh?’
‘Jij dacht dat God vergevingsgezind was of anders heeft Jezus een oogje op je. Zoveel jongs laat Hij niet meer binnen.’
Dat was het toppunt. Jezus die verliefd op me was? Haar verhaal leek al van geen kanten te kloppen, zo kon ik echt niet dood zijn, maar Jezus die verliefd op me was?
Omringd door alle deuren, gangen en gesloten gordijnen barste ik in lachen uit. ‘Jezus verliefd op me?’ Ik schaterde het uit. Tranen sprongen in mijn ogen. ‘U voert de grap nu wel erg ver door mevrouw.’ Bracht ik nog nahikkend uit.
‘Maar het is geen grap, Johanna.’ Argh, weer die naam.
‘Ik heet Martje,’ zei ik brutaal.
‘Op de aarde ja, maar niet hier. Dit is de hemel en ooit is er vast gelegd dat je Johanna heette. Jij bent dus Johanna, net als ik hier Maria heet. Al werd ik op de aarde door vrienden ook Martje genoemd.’
Het leek alsof ze zich bedrogen voelde dat ik niet kon geloven dat dit de hemel was. Boos beende ze weg en als ik niet wilde verdwalen moest ik achter haar aan. Ik wilde niet verdwalen dus haastte ik me door de gangen naar haar toe.
‘Ik breng je nu naar je slaapvertrekken,’ begon ze toen ik haar had ingehaald. ‘Alles is daar. Je wordt vanzelf ontboden om bij God te komen. Die zal je vertellen hoe en wat.’
De rest van de weg liepen we zwijgend verder. Bij een deur aangekomen die sprekend op de rest van de deuren leek stopte ze.
‘Hier is het. Jouw slaapkamer.’ Als bij toverslag verscheen, in het goud gegraveerd, mijn naam op de deurklink met daar achter een hele hoop cijfers. Toen ik geen aanstalten maakte naar binnen te gaan deed de vrouw de deur voor mij open.
Voor mijn ogen verscheen een prachtig kamertje. ‘Ga nu maar naar binnen. Er komt straks nog iemand die je naar God brengt. Tot die tijd mag je de kamer niet uit. God kan je dan wel overal zien, maar de hemel is groot en zelfs Petrus weet niet waar iedereen uithangt.’
Ze gaf me een zetje en ik struikelde over de drempel naar binnen. De vrouw zond me een zeldzame glimlach.
‘Het komt vanzelf goed meid.’ Daarna draaide ze zich om. Hoofdschuddend verdween ze uit het zicht. ‘Arme stumper,’ hoorde ik haar nog mompelen.

Een tijd lang bleef ik op de drempel staan. Gedachten flitste door mijn hoofd, voornamelijk beginnend met stel dat: Stel dat dit echt is, stel dat dit een grap is. Stel dat ik ontvoert ben door een gek die de hemel na wil bouwen, stel dat ik voor eeuwig in deze kamer moet blijven. Door dat laatste keek ik rond waar ik beland was. De vloer (paarse tapijt, net als in de hallen) was schoon en zacht, aan de wanden (zachtgeel geverfd) hingen lege lijsten. De gordijnen van het raam waren vanzelfsprekend dicht. Verder stond er een boekenkast, een kledingkast, een bed, een bankje en een grote spiegel. Ik haastte me er heen om wat vertrouwds te zien. Gelukzalig keek ik naar m’n eigen spiegelbeeld. Haast ontroerd stond ik er naar te staren. Ikzelf, mezelf. Hoewel de kleding niet van mij was klopte de rest. Van mijn piekerige haar tot mijn blote tenen die zich in het tapijt krulde. Ik droeg een nauwsluitende jurk die tot net over m’n knieën viel. Hij was lelijk grijs.
Ik draaide me om en nam een kijkje in de kledingkast. Ik wilde een spijkerbroek aan of in elk geval een andere jurk. Ik wilde thuis zijn. In de kast hing niets anders dan een nachthemd. Toen ik me weer omdraaide zag ik mijn spiegelbeeld opeens huilen. ‘waar ben ik.’ Snifte ik verdrietig. Ik liep naar het bed en plofte erop neer. Ik trok mijn benen op en omhelsde mijn knieën met mijn armen. Waar in hemelsnaam kon ik zijn? Als dit echt de hemel was, waarom voelde ik me dan zo rot? Was ik dan nu een engel? Maar als dit niet de hemel was, waar was ik dan? Opgesloten in een huis met een vreemde vrouw en een oude man? Natuurlijk; de gordijnen. Die mochten niet open, omdat anders iedereen kon weten waar ik was. Om te kijken of het waar was liep ik naar mijn raam. Met een hand probeerde ik de gordijnen opzij te duwen, maar ze gaven niet mee. ‘Wel verdomme,’ siste ik boos. Wat is dit? Ik duwde tegen het gordijn en het deinde zachtjes heen en neer. Ik kon de onderkant een stukje optillen, maar meer niet.
Gefrustreerd, bang en boos liep ik terug naar mijn bed.
Ik droomde dat ik thuis was.


Als iemand beniewd is naar een uitwerking van de verhaallijn, dan zou ik die kunnen sturen per pb.

Kom maar op Lachen
Laatst bijgewerkt door Fnanne op 21-02-08 20:52, in het totaal 2 keer bewerkt
Reden: Titel aangepast.

marthine

Berichten: 568
Geregistreerd: 13-10-05
Woonplaats: Ridderkerk

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 11-08-07 21:13

geweldig in 1 woord Tong uitsteken
humor
en serieus ik ben christelijk en zou dit als spot moeten beschouwen.. maar ga asjeblieft zo door Tong uitsteken
ben erg benieuwt Knipoog

Lachen Nagelbijten / Gniffelen

Ayasha
Blogger

Berichten: 60587
Geregistreerd: 24-02-04

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 13-08-07 00:53

vind het goed Ja ben niet christelijk maar ben wel benieuwd waar je heen gaat met dit verhaal. Lachen

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 16-08-07 22:30

ik kom net terug van vier dagen weg, bedankt voor de berichtjes Lachen

*ik plaats snel wat nieuws Knipoog

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 16-08-07 23:34


Een tijd lang bleef ik op mijn kamertje. Hoelang weet ik niet precies. Ik vulde mijn tijd met slapen, nadenken en lezen. De boeken waren niet veel soeps. Behalve een variant op de bijbel die ik niet kende (God schiep de aarde niet, maar nam hem over?) was er een boek van Shakespeare en er waren nog een paar boeken die me niets zeiden. Denken had helaas ook niet veel zin. Mijn gedachten over waar ik was en wat ik moest doen veranderde in gedachten waar mijn familie was en wat zij deden. Ook dacht ik weer na over wat ik had gezien door het raam. Was de wereld echt vergaan? Of ik dacht over hoe het thuis zou zijn gegaan als ik dood was. Hoe zou mijn begrafenis zijn geweest? Een enkele keer dacht ik aan opstaan en weglopen. Maar de angst te verdwalen hield me op mijn kamertje en de nieuwsgierigheid naar God hield me wachtende. Slapen deed ik als ik al denkend in slaap viel. Wakker worden gebeurde dan vanzelf.
De enige goede ontdekking was dat er elke keer dat ik wakker werd een andere kleur jurk hing. Eten of drinken deed ik niet en blijkbaar had ik het niet nodig. Daar dacht ik dan verder weer niet over na. Zo werd mijn kleding prioriteit nummer één. Zodra ik wakker werd liep ik naar mijn kledingkast om te kijken wat er voor nieuws hing. Ik verwisselde mijn kleding meestal snel. Daarna begon ik in de spiegel te kijken hoe de jurk me stond. Een spijkerbroek was er nooit, maar de jurken paste perfect en al snel kon ik mezelf niet meer in een spijkerbroek voorstellen. Na dit ritueel zakte ik in kleermakerszit op de grond. Zo kon ik weer urenlang mijmeren.

Midden in één van die mijmersessies ging de deur open. In eerste instantie schrok ik, maar toen de man in de deur: ‘Johanna?’ vroeg kwam ik weer bij zinnen.
‘Ik wordt liever Martje genoemd.’ Zei ik schuchter en ik kwam overeind, onderwijl mijn jurk gladstrijkend.
De man bekeek me even. ‘Johanna dus. Je mag meekomen.’ Vervolgens draaide hij zich om en liep meteen weg. Hij keek niet eens of ik hem volgde. Ik bedacht me dat ik best kon blijven staan. Gewoon uit protest. Nieuwsgierigheid dwong me echter om niet zo kinderachtig te doen en hem toch maar achterna te gaan. Toen ik de deur achter me sloot was de man al bijna aan het andere eind van de gang. Ik moest rennen om hem in te halen. Mijn rok ruiste. Zijn snelle passen maakten me zenuwachtig. Na de eerste bocht werden zijn passen alleen sneller. ‘kunt u misschien wat langzamer lopen?’ vroeg ik. Als antwoord schoot hij weer een ander pad in en versnelde zijn pas opnieuw. ‘Meneer?’ Hij snoof.
‘Petrus?’ probeerde ik in de hoop dat hij Petrus zou zijn, ik herkende hem niet als de man die opeens de gordijnen dicht had gedaan, maar toch.
hij lachte sarcastisch. Zijn benen leken twee keer langer dan die van mij en vooral zijn stappen moesten drie keer zo groot zijn. Moe werd ik niet, maar ik was bijna blij toen hij eindelijk stopte. We stopten midden op de gang. De deur voor onze neus was hoog en imposant. De posten waren prachtig versierd met allerlei inkepingen en de deur was van het mooiste hout. De man klopte aan. Drie snelle klopjes. Toen draaide hij zich naar mij om. Bekeek me van top tot teen, veegde een paar pluisjes van mijn jurk, draaide zich opnieuw om naar de deur en klopte weer. Er vloog van alles door mijn buik. Zenuwen die ik in mijn kamertje verdrongen dacht te hebben.
Wie was God, wat ging ik hier doen, zou ik zo naar binnen moeten?
Het antwoord was een zonnig en zangerig: ‘Ja?’
De deur ging open en ik moest naar binnen. Angstig stapte ik over de drempel. Achter een bureau zat een jongeman, met een mooi gezicht dat werd aangevuld met adembenemend mooie ogen. ‘Hallo, jij moet Johanna zijn?’ constateerde hij met een warme stem.
Ik knikte verlegen. ‘Noem me maar Martje,’ zei ik desondanks. Was dit nou God? Deze mooie man?
De man glimlachte. ‘Martje.’
Hij stond op en liep op me af. Hij gaf me een hand en gaf een antwoord op de niet hardop gezegde vraag, maar het klonk alsof hij het ingestudeerd had: ‘Ik ben Jezus, Mijn vader is te druk bezig met de Wereld. Daarom moet ik opeens allerlei taken overnemen. Niet dat ik het erg vind. Hij liet de laatste tijd alleen gelovige oude mannetjes binnen. Ik houd meer van zoiets als jij.’
Oké, dat laatste klonk iets minder ingestudeerd. Ik slikte, ‘pardon?’
‘Je snapt me toch wel?’ Hij trok quasi plagerig zijn wenkbrauwen op, ‘God is mijn vader. Hij wil alleen gelovige oude mannetjes en ik. Tja. Ik wil ook wel eens wat jongs hier.’
O God, dacht ik onwillekeurig. Wat zich voor mijn ogen afspeelde kon ik helemaal niet geloven. Jezus, zo’n player? Zo’n gladjanus? Zo’n… ontzettend lekker ding?
Blijkbaar was het te zien dat ik me verbaasde. ‘Was jij er ook zo eentje die de bijbel niet las, Martje?’ vroeg hij.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, ik weet wie God zou moeten zijn en ook over u heb ik het één en ander gelezen. Dit verbaast me gewoon.’
Hij keek me supervriendelijk aan. Met zijn zachte stem vroeg hij waarom dit me verbaasde. Ik wist zo snel geen antwoord te verzinnen. Wat moest ik zeggen? Dat ik bij Jezus altijd een man in een jurk met een baard voor me zag? Deze Jezus was glad geschoren en droeg verdomme een spijkerbroek!
‘Ik overval je natuurlijk! Jij hebt de hele tijd in zo’n achterlijk kamertje opgesloten gezeten en nu werd je door Petrus hierheen gezonden met de boodschap dat God voor je staat. Ben ik er op eens.’
Hij sloeg zijn hand voor zijn mond. ‘Ik had papa moeten vragen of hij dat wilde vertellen aan jullie. Het moet toch ergens duidelijk zijn dat hij al die officiële rompslomp niet meer kan regelen.’ Diep zuchtend ging hij weer achter zijn bureau zitten. Ik kon hem alleen verbouwereerd aankijken. Wat ging hij nu weer uitvoeren?
‘We moeten namelijk nog wat zaakjes op een rijtje zetten. Je heet hier Johanna, officieel. Heb je dus dingen nodig, noem jezelf dan Johanna. Verder krijg je van mij een plattegrondje mee van de hemel. De plattegrond is nooit helemaal up to date, maar je kunt vanaf jouw gang alle belangrijke zaken vinden en uhm…’ hij zond me een knipoog, ‘ik weet jouw kamertje ook altijd te vinden.’
Wat? Was dit Jezus? Het kon niet. Het mocht niet! Dit was wel een hele foute ingehuurde acteur. Op wat voor plek was ik? Jezus, of de slechte acteur, had niet door dat ik echt enorm geschokt was van deze opmerking en ging rustig verder.
‘Verder wil jij natuurlijk weten hoe het zit op de aarde, etc. Nou moet ik toegeven dat precies in jou sterftejaar er een ongelukje plaats vond. Daarvoor was het al een zooitje natuurlijk, eerst was er ingeplant om een tweede zondvloed te doen, de polen waren al aan het smelten. Alleen vond papa dat toch iets te lang duren. Hij had er niet zo’n zin meer in feitelijk, God is toen een soort van zijn functie gestapt en de aarde werd een zooitje. Klonen, kernoorlogen. Papa had wat beters te doen, zijn projectje en tja dus. Hij liet helemaal geen mensen meer toe en dan wil de duivel ook niet alles. Nou ja, toen greep ik in. De aarde was toen alweer zo’n vijfhonderd jaar verder en voor ik alles in orde had kon je daar weer honderd jaar bij optellen. Toen ik alles had opgeknapt dacht papa dus dat hij het wel weer over kon nemen samen met zijn project, maar dat kon niet. Zodra hij een paar mensen weer een eigen wil gaf ging het bergafwaarts. De dag dat jij hier kwam verging de wereld. Één grote kernbom. Wat we met alle sterfte aanmoeten weet ik niet precies. Petrus en Maria hebben het nu al razend druk met nieuwe mensen en dan nog sturen we eigenlijk alles weg. De Aarde is een zooitje en God is zich nu aan het afvragen of hij een nieuwe planeet moet gaan bevolken. Vandaar dat hij zijn project aan het versnellen is. Mars ontdooien, dan zetten we daar nieuwe mensen op.’
Dit alles zei hij zo achteloos alsof het dagelijkse koek was. Ik wist even niets te zeggen. Zijn hele verhaal moest een verzinsel zijn, maar het duizelde me als nog. Polen smelten, had ik geregistreerd en dat klonk verdacht bekend in mijn oren. Toch wilde ik iets levends, iets bekends, wat moest ik met deze onzin? ‘En m’n ouders?’ vroeg ik uiteindelijk.
‘Ja, dat is dus het probleem. Die gingen waarschijnlijk een jaar of zestig na jou dood? In elk geval was dat net de tijd dat God zich nergens mee bemoeide en ik nog niet ingegrepen had. Jij was toen nog ergens in het middelpunt. Niet in de hemel, niet op de Aarde, niet in de hel. Ik denk dus dat die of door de duivel opgevangen zijn of daar nog ergens rondzweven. Sorry kind, maar die zie je niet snel meer terug.’
Au, die voelde ik wel even. Betekende die woorden dat ik hier nooit meer weg kon. Gingen ze losgeld vragen ofzo? Ik beet op m’n lip. Jezus, of de acteur, leek niet door te hebben dat die me pijn had gedaan. Pas toen hij opkeek van een paar papieren zag hij het.
‘Och nee, ik had het natuurlijk niet zo plompverloren moeten zeggen.’ Hij stond op het sloeg een arm om me heen. ‘Arm kind, maar misschien zijn er nog andere familieleden hier, een oma of zo iets. Ik zal voor je gaan kijken. Dat gaat een stuk sneller als je in de rij gaat staan voor dat register. Ondertussen zal ik iemand die hier al langer is voor je roepen. Zij kan je dan rond gaan leiden. Als ik wat over je familie vind, nou ja. Dan hoor je het wel.’
Waar had die gozer het over? Hier mijn oma. Die was al heel lang dood. Ik had er nooit echt gemogen, ze was al oud en ik nog jong. Maar goed, nu was hier mijn oma?
Verward schudde ik de arm van ‘Jezus’ van me af.
‘Dus?’ vroeg terwijl ik heel diep adem haalde.
‘Dus ik ga nu iemand voor je regelen die hierheen komt. Ik geloof namelijk dat ik alle info van jou wel heb…’ hij keek nog eens door zijn papier. ‘Wil jij nog wat weten, Martje?’
‘uhm… Ja, nee. Ik, uhm, ik weet het niet. Nee.’
Hij keek me aan met een typisch spottend glimlachje, een lachje dat ik toen al zat was. Hij schudde zachtjes mijn hoofd en mompelde iets wat op: ‘tut,tut,tut,’ leek.
Ik wist even niet waarop ik nou moest reageren. Helemaal niets wist ik eigenlijk. Wat moest ik hier nou mee? Jezus liep terug naar het bureau en pakte de hoorn van iets wat op een ouderwetse telefoon stond. Daarvoor moest hij eerst wat papiertjes wegschuiven. Johanna Maria Peters zag ik op één staan. Mijn naam, hoe wist hij mijn hele naam? ‘Wat is dat?’ Ontsnapte uit mijn mond.
‘Wat?’ Jezus keek verward naar me op. Ik knikte naar de papieren, ‘O, dat. Dat is gewoon wat informatie over jou en wat nutteloze dingetjes. Je hoeft je daar niet mee bezig te houden.’
Daarna beschouwde hij het als afgedaan en ging hij weer verder met de telefoon. In zich zelf de cijfers mompelend draaide hij het nummer.
‘Maria? -…- Ja, nee ik heb alles verteld,- O, niet zo. Maar ze snapt waarom pap hier niet staat. Zou jij Lillian hier heen kunnen sturen? -…- Waarvoor? Die kan Johanna hier rondleiden. -…- Dat heb jij al gedaan?’ Hij legde zijn hand op de hoorn, ‘Heeft Maria jou hier al rondgeleid?’
Ik knikte en wilde wat zeggen, maar hij was alweer in gesprek: ‘Maakt niet uit, het is goed voor haar als ze iemand van haar leeftijd ziet. -…- O, nee. Maar als ze zo’n lange tijd alleen maar op dat kamertje heeft gezeten. -…- Oké, dag Maria.’
Jezus legde de hoorn neer, ‘er komt zo iemand die je rond kan leiden. Ik kan nu even zoek naar je familie.’ Legde hij vriendelijk het gesprek uit. Vervolgens plofte hij neer op een bureaustoel die zachtjes over het tapijt rolde en maakte een vaag gebaar naar een andere stoel. ‘Ga even zitten, terwijl ik zoek.’
Ik knikte en ging voorzichtig op de stoel zitten. Om een houding aan te nemen streek ik mijn jurk glad en frummelde ik wat aan mijn haar.
Jezus rammelde op een toetsenbord. Toen ik daar naar keek bedacht ik me hoe vreemd het was dat ze gewoon zo’n ding hadden hier in de hemel. Een heel normaal toetsenbord voor een normale monitor. Ik miste alleen wat snoertjes. Jezus, de acteur dus herinnerde ik mezelf, keek strak naar de monitor en mompelde wat in zich zelf. Er verscheen een frons op z’n voorhoofd. Heel even keek hij wat donkerder. Zelfs dat stond hem. Ik bestudeerde zijn gezicht verder. Wie was hij? Een glad gezicht, twee sexy bruine ogen. Wie hoorde daarbij. Jezus dat vertelde de man me, maar moest ik hem geloven? Waarom was ik hier, was ik dood? Losgeld konden ze niet vragen. Ik was veel waard voor mijn ouders, alles misschien wel, maar ze hadden niet zoveel. Dus waarom zouden deze mensen mij kidnappen? Ook was ik tot nu toe goed behandeld, behalve dat ik niets te eten had gehad.
Het kwartje viel, niets te eten…
‘Hoe komt het dat ik hier niet hoef te eten?’
Jezus keek op van het beeldscherm, ‘Eten?’ Reageerde hij wat verward. ‘O, sorry. Martje, je bent dood. Doden hoeven niet te eten. Doden hebben niets nodig. Ons hart hoeft niet te kloppen, ons bloed niet door ons heen te pompen. Onze hersens werken, maar op de kracht van de hemel. Voel jij soms je hart kloppen?’
Ik knikte heftig. ‘Natuurlijk!’ Mijn hand verschoof richting mijn hart. Er van overtuigd dat mijn hart nog wel zou kloppen, maar hij had gelijk. Wat vroeger zo vanzelf sprekend leek was er nu niet meer. ‘Maar…’ bracht ik uit.
Ik voelde dat ik zat te trillen, mijn hand verschoof zenuwachtig heen en weer. Ik voelde mijn hart niet meer. Nergens niet. Met twee vingers probeerde ik mijn pols. Mijn adem versnelde. Mijn hand ging naar mijn keel… Opeens wist ik zeker dat dit niet zomaar een huis was. Dit huis was wel de hemel. Weer naar mijn hart, niets. Ik kneep in mijn handen, kleine groefjes van mijn nagels verschenen. Ik voelde het niet, geen pijn daar. Een andere pijn voelde ik wel. Dood?
‘Maar waarom ben ik dan niet gelukkig?’ Bracht ik met gebroken stem uit. ‘Hélemaal Niet Gelukkig.’
Opeens was ik heel hard aan het huilen. ‘Hoe kan dit allemaal?’
Ik hoorde Jezus niet opstaan, maar ik voelde wel een hand op mijn schouder. ‘Maar Martje, je kunt nooit meer dood gaan, je voelt geen pijn meer en wordt nooit meer ouder. Dat is toch wat iedereen wil?’
‘Ik wil naar huis.’ Snifte ik. Ik stond op en wilde weg. Ik wist niet waarheen, maar ik wilde zo snel mogelijk weg. Tranen liepen over mijn wangen en ik hield ze niet tegen. ‘Kijk. Ik huil. Iemand die dood is kan toch niet huilen?’ schreeuwde ik tegen Jezus. ‘Ik beef en ben ongelukkig. Ik ben zelfs boos, waarom moet ik hier zijn? Ik ben niet gelukkig, ik wil niet eeuwig hier wezen. IK WIL NAAR HUIS!’
Jezus stond op en liep op me af. ‘Rot op, jij kunt Jezus niet zijn! Die is… zit alleen in de Bijbel en in de hemel en ik ben niet dood!’ Ik duwde hem van me af, maar Jezus sloeg zijn armen om me heen. Ik verstarde en wilde slaan en schoppen, maar opeens liet ik het toe. Ik kroop tegen hem aan en legde mijn hoofd op zijn schouder. Ik huilde met gierende uithalen. Jezus wiegde me zachtjes heen en weer.


e voila.

Ayasha
Blogger

Berichten: 60587
Geregistreerd: 24-02-04

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 16-08-07 23:48

Bloos! heb je dat zo snel geschreven?
Goed stukje, de verwarring komt mooi over.

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 17-08-07 09:16

Pharagirlke, niet zo snel geschreven in Word heb ik het hele verhaal al staan, tot wordpagina dertig ofzo. Ik heb het dus alleen gecontroleerd voor ik het plaatste. Want zo snel kan ik ook niet schrijven hoor Bloos

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 19-08-07 20:58


We zeiden niets tot er op de deur geklopt ben. Zijn hoofd op mijn schouder en zijn armen om me heen. Ik voelde me geborgen en het huilen ging over in zachtjes snikken. Jezus tilde zijn hoofd op en riep: ‘Binnen?’
De deur ging open er stond in de deuropening een meisje in dezelfde jurk als ik aan had. Ze had lang haar, dat in een vlecht op haar rug hing. Verbaasd keek ze naar Jezus, die mij nog steeds in zijn armen had.
‘Sorry, ik dacht dat ik moest komen, maar uhm…’ verlegen ging haar blik richting ons. Jezus zijn armen gleden van mijn schouders. In een paar passen was hij bij de deur. ‘Nee, natuurlijk niet. Je bent welkom Lillian.’ zei hij warm. ‘Nou, Martje, dit is Lillian. Lillian, Martje.’ Hij knikte naar ons beiden en maakte een gebaar naar Lillian dat ze binnen mocht komen. Toen die bleef staan in de deuropening nam ik het heft maar in handen. Ik veegde de tranen van mij gezicht en liep op haar af met snelle passen. Toen ik mijn hand uitstak zag ik nog steeds kleine groefjes van mijn nagels staan daarin.
‘Hallo, ik ben dus Martje. Je komt hier denk voor mij.’ Zei ik, merkend dat mijn stem weer normaal mee wilde werken.
Het meisje schudde mij de hand en knikte. Daarna keek ze verlegen naar Jezus. ‘U hebt me dus om haar laten komen?’
‘Ja, het lijkt mij een goed idee dat jij Martje rond gaat leiden in de hemel. Ze is hier nog niet zo lang en kent hier niets of niemand. Verder, nou ja. Ik denk dat jullie misschien ook met zijn tweeën kunnen praten.’
Lillian keek me schattend aan, mijn gezicht was behuild en er zaten kreukels in mijn jurk. Ze haalde haar schouders even op. ‘Natuurlijk wil ik dat doen.’
‘Dat is mooi,’ zei Jezus tevreden. ‘Nou Martje, ik heb je nu echt alles verteld. Veel plezier op jullie zoektocht hier.’
Drie seconden later sloot hij de deur achter ons. Verlegen stonden Lillian en ik naast elkaar in de lange gang. ‘En waar zou jij heen willen?’ vroeg Lillian toen maar aan mij.
‘Ik zou het niet weten. Ik ben al die tijd alleen maar in mijn kamer geweest. Waar ben jij graag?’
‘Overal en nergens. Ik kan heel lang rondzwerven, maar ja. Ik ben hier ook al zo lang.’
‘Hoe lang dan?’ Informeerde ik nieuwsgierig.
‘Weet ik niet. In de hemel doen we niet aan dag of nacht, aan uren of aan dagen. De tijd is er niet meer. God die heeft al dat soort irritante dingetjes uit het hele bestand gewist. Vandaar dat jij en ik elkaar ook kunnen verstaan. Jij kunt vast geen 18eeeuws Frans?’ Vroeg ze liefjes.
‘18eeeuws…?’ Vlug dacht ik terug aan wat ik geleerd had met geschiedenis. ‘De Franse revolutie?’ wist ik opeens weer.
Lillian knikte, ‘ja. Zo lang al.’
Met open mond keek ik haar aan. Ik stond hier met iemand uit de Franse revolutie te praten? ‘Maar dan, ik leefde…- Maar hoe? Jij? Dat was 200 jaar voor mij.’ Bracht ik stotterend uit.
Lillian knikte opnieuw en haalde toen haar schouders op. ‘Er zijn hier ook mensen van 2000 jaar voor jou. Die man die je net omhelsde bijvoorbeeld.’ Mompelde ze erachteraan. Hoorde ik jaloersheid in haar stem? Pfoe, jaloers waarop?
‘Was dat echt Jezus?’ Nieuwsgierigheid borrelde weer op. Ergens geloofde ik nog niet dat dit de hemel was. Durfde ik het nog niet te geloven.
‘Wie denk je anders?’ Zei ze bot.
Ik haalde mijn schouders op, ‘Geen idee, maar. Hij leek niet op de Jezus uit de bijbel.’
Een lach verscheen op het gezicht van Lillian. ‘Jezus uit de bijbel? Wie was dat ook alweer?’ grijnzend keek ze op. ‘Een man in een jurk. Met een baard?’ een lachje schoot uit haar mond. ‘Een man die op water kan lopen?’ een enorme grijns versierde haar nu en ze keek me spottend aan.
Ik knikte verlegen.
‘Toch,’ zei Lillian met haar wijsvinger zwaaiend, ‘Is de man die jou net troostte Jezus.’ Daarna barstte ze in schaterlachen uit.
Verbouwereerd bekeek ik haar, maar heel langzaam kroop er een lach op mijn gezicht. ‘Maar deze Jezus draagt een spijkerbroek,’ probeerde ik nog. Maar als antwoord kon Lillian alleen maar harder lachen en of ik het nou wilde of niet. Ik lachte mee.
Terwijl wij nog nahikte ging opeens de deur achter ons open. Het hoofd van Jezus kwam te voorschijn. De rest van zijn lichaam nog verscholen achter de deur. Zijn haar een beetje voor zijn ogen. Toen hij onze gezichten zag verscheen zijn grijns weer rond zijn mond en pretlichtjes kwamen in zijn ogen. ‘Is dit het enige van de hemel wat je wilt zien, Martje?’ Vroeg hij semi-verbaasd aan mij.
Even had ik de neiging om Jezus diep in zijn ogen te kijken en een verleidelijk ja te antwoorden, maar ik onderdrukte die neiging snel en schudde toen mijn hoofd. Bang dat er iets verkeerds uit kwam. Volgens mij zou Lillian dat niet leuk vinden. En zo wilde ik helemaal niet zijn ook.
Ook Lillian viel even stil. Even keek Jezus verbaasd van de een naar de ander, maar toen schudde Jezus zijn hoofd. Op vaderlijke toon zij hij: ‘Kom op meiden, ga erop uit. Ik weet dat jullie eeuwig de tijd hebben, maar neem het er nou maar van!’
Toen we nog geen aanstalten maakten om weg te gaan zuchtte hij geërgerd. ‘Goed, goed. Jullie zoeken het zelf maar uit. Het is al goed dat je net zo keihard stond te lachen. Al lachten jullie om mij.’ Mompelde hij als laatste voordat hij de deur weer dicht trok.
Verbaasd keken Lillian en ik elkaar aan. Toen barstten we weer in lachen uit. Onze lach weerklonk door de lange, lege gang. Hij wist het gewoon.
Uiteindelijk stonden we nog steeds voor de grote deur van de werkkamer. We hijgden nog zachtjes. Ik was er het eerst weer bovenop en begon rond te kijken. Ik zag alles heel anders nu ik wist dat dit de hemel was. Terwijl ik me dat bedacht viel er een soort steen terug op mijn maag. Ik was dood.
Toen Lillian ook bijgekomen was voelde ik me al weer haast hetzelfde als toen we net de deur uit waren. Ik voelde me rot. ‘Ik ben dood.’ Zei ik.
‘En je ziet je familie nooit meer, en je weet nooit hoe het is om ouder te worden en je zult nooit meer eten om het lekker vinden en,’ een korte stilte ‘… en het is kút.’
Verbouwereerd keek ik naar haar. Even moest ik nadenken over wat ze had gezegd. ‘Ik vind het Kút’ gaf ik toe.
‘en met jou honderden, duizenden anderen.’ Las ze me de les.
‘Maar,’ probeerde ik ‘maar jij kan toch ook nog lachen? Waarom wil je hier nog zijn? Wil je hier nog zijn?’
Ze knikte aarzelend ‘Omdat ik hier niet weg kan,’ ze wende zich van me af, ‘en omdat ik het alternatief ken.’ Voegde ze toe.
Ik hield mijn mond. Het alternatief? Wat zou dat zijn? Wilde ik dat weten?
Nee, verdomme! Ik wilde alleen wat medelijden. Ik voelde me zielig, ik had het even nodig. Geen preek over dat ik niet de enige op de wereld, pardon: Hemel, was.
‘Ik dacht dat jij wat van de hemel wilde zien?’ zei Lillian voordat ik iets kon zeggen.
Toen ik knikte, draaide ze zich om en begon ze van mij weg te lopen. Ze liep niet de kant op waar Petrus en ik vandaan kwamen. Haar blote voeten raakte het tapijt en ik zag het tapijt indeuken. Hoorden engelen niet zwevend te lopen? Vroeg ik me nog af, voordat ik haar volgde op mijn eigen blote voeten, die mijn eigen kuiltjes maakten.
We liepen een tijd lang door de gangen. Ik was al gauw naast Lillian gaan lopen, maar we spraken niet meer. Er was niets te zien behalve de deuren. Ik begon me af te vragen hoe ik hier ooit de weg kon vinden. Lillian ging doelbewust haar weg. Zij wist de weg. Maar ja. Ze was hier ook al tweehonderd jaar. Jeetje, tweehonderd jaar!
Of kon je dat niet zeggen als er geen tijd zou zijn? Hoelang zou dat voor haar voelen?
Heel de tijd dat we liepen kwamen we maar twee mensen tegen. Beide gingen helemaal aan de andere kant van de gang lopen, om ons heen. Ze waren oud. Lillian negeerde ze en ik dus ook. Hoorde dat zo als je dood en in de hemel was? Waren er etiquette voor doden? Iemand die jong gestorven is mag niet in de buurt komen van iemand die oud gestorven is. Waren ze jaloers? Omdat ik eerder dood was gegaan? Wat een wereld.
Toen we verder liepen had ik niet het idee dat er iets veranderde. De gangen bleven lang, na elke bocht bleven de muren geel. Ik begon te fantaseren over eeuwig zo doorlopen, maar algauw eindigde die fantasie in het niets. Het was lang niet zo leuk om over eeuwig te fantaseren als je mee maakte wat eeuwig was. Eeuwig was altijd een sprookje. Shít, ik zou hier eeuwig moeten zijn!
Ik voelde een brokje zelfmedelijden omhoog kruipen. Ik knipperde een paar tranen weg. Ik ging toch niet weer huilen! Net stond ik nog te lachen met degene naast me, die trouwens nu alleen nog hatelijk leek te kunnen zwijgen.
Weer gingen we een bocht om. De zelfde gang streek weer ver voor me uit. Waar waren al die dingen die Maria mij had laten zien? Toen zag ik deuren en zalen. Ik zag nu alleen het zelfde. Als dit dat hemel was… Nou, dan wilde ik dood. Een zwak lachje borrelde op. Ik onderdrukte het snel. Ik wilde hier de humor niet van inzien!
Ik was zielig!
Om de tijd te doden keek ik opzij. Lillian keek stug naar voren en beende met vrij lange passen. Ze was korter dan ik, maar niet veel. Haar haren waren lang en de vlecht werd bij elkaar gehouden door een elastiek in dezelfde kleur als haar jurk. De kleur van vandaag was een warme oranje die goed stond bij haar zwarte haar. Haar gezicht was mooi, in mijn tijd zou ze knap zijn geweest. Ze had donkere ogen, maar een lichte huid. De paar sproeten, rond haar rechte neus, stonden haar goed en maakte haar wat zachter. Ze zag er op het eerste gezicht niet heel oud uit. Toch zag je in haar houding en haar blik dat ze ouder was dan je snel zou denken. De jurk stond haar goed, ze leek gewend er een te dragen en het liet zien hoeveel taille ze had. Haar handen frunnikten aan een plooi van de rok. Ze had slanke vingers. Ik registreerde dat ze zachte handen moest hebben. Hoe zat dat hier? Werden je handen ook zacht als je vroeger, toen je op de aarde was, eeltige werkhanden had?
De hand die ik bekeek ging om hoog om een los geraakte lok achter haar oor te schuiven. Mijn ogen keken opeens naar de hare. Toen ze zich er bewust van werd dat ik naar haar keek, schonk ze me alleen een boze blik.
‘Wat?’ Kon ik het niet nalaten te zeggen.
‘Waarom kijk je naar me?’
Ik trok mijn schouders op, ‘gewoon.’
‘Waarom keek je naar me?’ Vroeg ze nogmaals.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik nu. Ze schonk me weer een boze blik. ‘Ik keek of ik kon zien wie je was.’ Zei ik eerlijk.
‘Lillian. Ik bén Lillian. En trouwens,’ ze stopte voor een deur die een tikkie anders was dan de andere. ‘We zijn waar we willen zijn.’
‘Waar we willen zijn?’
Lillian knikte geheimzinnig en deed de deur open. ‘Deze kamer wordt ‘Rust’ genoemd. Er komen weinig mensen. Ik kom er vaak.’
We stapten over de drempel en ik voelde me thuis. Het was meer geborgen dan de armen van Jezus en nu al vertrouwder dan mijn kamertje. Zacht blauwe muren en een vloer die warmte uit leek te stralen. Er lagen kussens die turkoois gekleurd waren en er stonden paarse stoelen her en der verspreid. Één van de wanden was vol met planken waarop boeken stonden. Er was verder geen geluid. Lillian zat al op een van de kussens en gebaarde naar mij dat ik ook kon zitten. Ik nestelde in een van de donkerste paarse stoelen.
Even keken we elkaar aan. ‘Sorry,’ zei Lillian opeens.
Verward keek ik op. Ik had Lillian net als koppig bestempeld. Ik hield wel van koppige mensen.
‘Ik,’ toen ze zuchtte hoorde ik wat twijfel, ‘ik weet nog hoe ik het vond toen ik hier net was.’ Zei ze. ‘Ik voel me nu soms nog zo.’ Ze keek me vriendelijk aan. ‘Het wordt wel minder, hoor.’
Ik vond het raar dat ze was begonnen met praten, ‘Deze kamer heet toch rust?’ bracht ik subtiel naar voren.
Lillian knikte ijverig. ‘Ja. Het is hier fijn. Je kunt hier heel lang zitten en aan niets denken. Weinig mensen komen hier, maar dat had ik al gezegd. Mensen in de hemel zoeken liever naar familie of naar vrienden. Even zitten is er niet bij.’
Ik zette mijn voeten op de stoel. ‘Ik houd van stil zitten en niets denken.’ Kondigde ik aan.
‘Ik ook,’ bevestigde Lillian. ‘Ik weet trouwens toch al dat mijn ouders hier niet zijn. Ik heb gezocht en gezocht, maar niemand is hier’
Mijn knikje leek ze als excuus op te vatten om verder te praten, ‘Mijn ouders zijn waarschijnlijk naar de hel.’ Vertelde ze. ‘In de Franse revolutie stonden ze blijkbaar aan de verkeerde kant.’
‘En jij aan de goede?’ Vroeg ik, maar direct daarna kon ik mijn tong er wel afbijten. Nu had ik haar nog een excuus gegeven om te praten ook.
Maar Lillian schudde alleen haar hoofd, ‘Doet dat ertoe?’
Als antwoord trok ik mijn benen nog dichter naar me toe, ‘nee?’
‘Nou dan.’ Zei ze zacht.
We werden stil, zoals het hoort in Rust. Ik bestudeerde mijn voeten en dacht aan niets en Lillian, wel, die hoorde ik ook niet meer.
Na een tijd ging de deur open. Of we daar lang of kort hadden gezeten wist ik niet. Lillian keek verschrikt, maar vooral verbaast op. Ze kon niet geweten hebben dat er iemand kwam Een hoofd verscheen om de hoek van de deur, nieuwsgierig keek ik wie het was. Het was een jongen. Hij had bruin haar, blauwe ogen, een niet zo opvallende neus en een normale mond. Toen de mond open ging kwam er een stem uit die van een van mijn klasgenoten had kunnen zijn.
‘Lill?’
Hij kende Lillian dus. Lill antwoordde slechts door haar schouders op te halen en een kort huhm? te laten horen.
‘Mag ik er bijkomen, Lillian?’ vroeg de jongen.
Lillian keek naar mij. ‘Als zij het goed vind.’ antwoordde ze met een hoofdbeweging richting mij.
Nu zag de jongen mij ook en nieuwsgierig begon hij me te bekijken. Ik voelde me in het nauw gedreven en kon niets anders doen dan knikken. Nee zeggen tegen een vreemde die vroeg of hij een kamer in mocht die van iedereen was? Nee.
‘Als je stil bent,’ bromde ik vanuit mijn stoel toen ik me bedacht dat we straks weer in een heel gesprek verwikkeld zouden zijn. Toen hij door mijn nukkige antwoord toch in de deuropening bleef staan voegde ik nog maar toe: ‘Ik beloof niet te bijten.’
Opgelucht door dit sprankje vriendelijkheid van mijn kant schoof de jongen de deur verder open. Hij droeg een spijkerbroek en een ruimvallend T-shirt. Dat overigens dezelfde kleur oranje was als onze jurken. Toen hij de deur gesloten had werd het stil in de kamer. Op zijn tenen liep de jongen over de warme vloer en hij ging zitten op een van de zitzakken. Die liet een luid gekraak horen toen hij erin neerplofte. Verschrikt keek hij naar mij. Had ik hem door één boos antwoord zo schichtig gemaakt? Het verbaasde me en ik wilde wat vragen. Tot ik eraan dacht dat ik had gevraagd om stilte. Oja, ik beet op mijn tong en probeerde een wat meer ontspannen houding aan te nemen. Langzaam liet ik mijn voeten van de stoel glijden en ik leunde naar achter. Hier zat ik dan. Met een vreemde jongen en een meisje die mij nu al niet meer mocht. Met een rothumeur en, dat moest ik toegeven, ik was bang.
Bang dat ik nooit meer terug kon, bang omdat ik wist dat dit nooit kon kloppen. Doodsbang dat dit mijn leven zou zijn voor eeuwig. Bang omdat ik nu eindelijk door had dat ik misschien toch echt dood was. Dat de hemel wel een huis was.
Onwillekeurig was ik in elkaar gekrompen. Ik wilde dit niet, mijn ademhaling werd wat sneller en mijn boven lichaam bewoog zich heen en weer. ‘Nee,’
‘Martje?’
Ik keek op, twee paar ogen waren gefixeerd op mij. De vreemde jongen keek gefascineerd, Lillian bezorgt. Ik slikte een paar tranen in. ‘Sorry, het gaat alweer. Ik kreeg het benauwd Ik bedacht me opeens…’ de rest van wat ik wilde zeggen slikte ik in. Het was te intiem om te vertellen dat ik bang was. Zelfs al moesten Lill en de jongen het kunnen zien.
Lillian zag het inderdaad. Ze stond op en liep op me af. Met haar armen drukte ze mij stevig tegen haar aan. ‘Maakt niet uit,’ fluisterde ze in mijn oor. Ik liet haar begaan. Nu al weer ruzie wilde ik niet en de stilte was kwijt. Rust was zo rustig niet meer.
Nadat ik me uit de omhelzing van Lillian had bevrijd schoof Lill haar kussen meer richting mij. Ze wenkte de jongen dat hij er ook bij moest zitten.
‘Martje, ik moet Hans nog voorstellen aan jou. Ik hoop dat je het niet erg vind dat ik toch weer ga praten, maar de stilte is nu toch al weg.’ Zij had het dus ook door gehad, bedacht ik me.
‘Hans, dit is Martje. Ze is hier nog niet zo lang en komt uit het jaar…’ vragend keek ze me aan.
‘tweeduizend zes’ voegde ik toe.
Lillian knikte tevreden, ‘Martje dit is Hans. Hans komt uit het jaar negentienzevenentwintig. Hij was een Hollandse Boerenzoon.’
We gaven elkaar plichtsmatig een hand en ik kon het niet laten om mijn ogen nog een keer goed over hem heen te laten gaan. Nu ik wist dat hij tachtig jaar voor mij had geleefd was hij toch een stuk interessanter geworden.
‘Wat voor persoon was jij eigenlijk?’ vroeg Lillian opeens aan mij.
‘Ik was, ben een normaal meisje. Gewoon. Ik woonde in Nederland, ging naar school, had een vader en een moeder en een bijbaantje in een schoenenwinkel. Ik reed paard en liep hard en ik was gek op zingen. Ik kon het niet zo goed, maar als ik vrolijk was dan zong ik altijd.’
Een paar andere herinneringen borrelde op.
‘Ik had twee broers en een schattige poes. Meestal hield ik van mijn broers, maar soms dat haatte ik ze en nouja. Ik was niet echt het soort meisje dat alle feesten afging en leefde op drugs en alcohol. Feitelijk ben ik toen nog nooit echt dronken geweest. Eigenlijk was ik gewoon normaal. Ik had wel veel vriendinnen, maar geen enkele echtte en ik kon kletsen met iedere vreemde. Ik was, ben…’ even hield ik mijn adem in, ‘Martje. Gewoon dat rare, beetje gekke meisje met iets te veel lef. In mijn tijd was er niet de Franse revolutie en hadden we televisie.’
Nieuwsgierig leunde Lillian naar voren, Hans bekeek mij met grote ogen. ‘Je ging elke dag naar school? Wat voor werk deden jouw ouders?’ Vroeg hij verbaast. ‘Mijn moeder was kleuterjuf en mijn vader deed iets met architectuur.’
‘Ging je ook naar school in de zomer?’
Toen ik knikte, vielen zijn ogen bijna uit zijn kassen. Vol verbazing leunde hij voorover. ‘Hoe deden jullie dat dan op het land? Wie hielpen de boeren?’
‘De tractoren,’ antwoordde ik simpel en ik voegde nog toe dat ik in de zomer wel zes weken vrij had. ‘Dan gingen we op vakantie. Naar een ander land met de auto en één keer ben ik wezen vliegen.’
Nu vielen twee monden open, zelfs Lillian kon niet verbergen dat ze verbaasd was. ‘Vliegen!’ riep ze uit. Hans liet zijn adem sneller ontsnappen. Ik knikte, ‘maar dat deden we niet veel hoor…’ mompelde ik en om niet opschepperig te klinken melde ik ook nog dat we veel vaker met de auto op vakantie gingen. ‘Soms zaten we wel de hele dag in de auto en als we pech hadden dan stond er een file en waren we nog geen eens in het midden van Frankrijk. Vanaf vijf uur reed je dan!’
‘Vijf uur stond ik elke dag op,’ zei Hans.
‘Frankrijk?’ vroeg Lillian.
Ik besloot mijn mond te houden over onze techniek, ‘Hoe was jullie leven dan?’
‘Doet er niet toe,’ besloot Lillian bazig.
‘Was die auto van jullie zelf?’ vroeg Hans, ‘Jullie waren zeker heel rijk?’
‘Ja, die was van onszelf en nee, we waren niet rijk. Iedereen had een auto. Maar ik was niet zo speciaal. Jullie verhalen zijn vast veel interessanter. Waar in Nederland woonde jij?’ Vroeg ik Hans om de aandacht van mijn o zo geweldige leven af te leiden.
‘O, ergens in het oosten.’ Mompelde Hans schouder ophalend. ‘Jij?’ vroeg hij mij toen.
‘Het westen,’ vertelde ik vaagjes.
Lillian voelde zich duidelijk wat buiten gesloten en mengde zich weer in het gesprek. ‘Jij bent dus ook wel eens in Frankrijk geweest?’ vroeg ze nieuwsgierig.
Ik knikte.
‘Ook in Parijs?’
Weer knikte ik. ‘Met mijn moeder. Het was er geweldig. Met de Eifeltoren, het Louvre en de winkelstraten.’
‘Stond het Louvre er nog?’
Mijn antwoord bleef bevestigend. ‘Veel oude dingen in Parijs zijn bewaard gebleven. Al zal het wel anders zijn dan toen jij er leefde. Al zal ik dat nooit meer meemaken.’
Lillian keek me met grote ogen aan en wilde wat zeggen.
Voor ze dat kon doen ging de deur weer open, dit keer geen jong gezicht dat om de deur heen kwam. Het was Maria en ze liep met grote passen de kamer binnen. Haar handen stevig om een stuk papier geklemd.
‘Jou zocht ik, Johanna.’ Begon ze direct. De andere twee negeerde ze. Hans schoof zijn zitzak een stukje van mij vandaan toen Maria tegen mij begon te spreken. ‘Jezus zou je dan alles uitgelegd hebben Johanna, maar hij is een enorme sloddervos. Daarom wil ik je dit en dit nog geven.’ Ze drukte het velletje papier en een sleutel in mijn handen.
‘Waarvoor…’ wilde ik vragen, maar Maria draaide zich om en was al weg voor ik mijn zin kon eindigen. ‘Dan niet,’ mompelde ik beduusd. Een paar tellen later bedacht ik me dat ik nog wat gemist had. ‘Ik heet trouwens Martje!’ schreeuwde ik nog maar veel te laat naar de gesloten deur. Niet dat het nut had gehad. Ik kon het gewoon niet laten.
De sleutel die Maria mij gegeven had stopte ik in een klein zakje in mijn jurk. Daarna probeerde ik me op het papier te richten.
‘Johanna?’ Hoorde ik Lillian verwonderd vragen.
‘Zeg maar Martje,’ antwoordde ik afwezig terwijl ik het papier bekeek. Op de voorkant stond iets wat duidelijk een plattegrond was. Ik zag honderden hokjes, en een paar met cijfers erin. Mijn vingers gleden over het dolhof van lijntjes en hokjes. Ze raakten de weg kwijt.


En weer een stukje, is er nog iemand die hier commentaar op kan geven? Dan hoor ik het namelijk graag Lachen

Amandavd
Berichten: 12393
Geregistreerd: 04-05-06
Woonplaats: Limburg

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 19-08-07 21:28

HILARISCH!

Oh echt, dat stukje met Jezus, prachtig! Ga vooral zo door!

Colorado
Berichten: 4209
Geregistreerd: 11-10-05

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 19-08-07 21:56

Super tof verhaal!
Heel anders dan ik had verwacht toen je het in het topic zette.
Super goed bedacht, echt enorm leuk. Post maar vaak stukjes Schijnheilig

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 19-08-07 22:00

dankje Isa Lachen
ik ben weer verder aan het lezen, dus plaats denk vanavond nog een stuk Knipoog

Colorado
Berichten: 4209
Geregistreerd: 11-10-05

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 19-08-07 22:01

Jammer dat ik net naar bed moet, lees 't morgen. Maar iniedergeval enorm goed geschreven en heel goed verzonnen Ja
Zou je zo uit kunnen geven gok ik Knipoog

Ies_

Berichten: 2891
Geregistreerd: 26-10-06

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 19-08-07 22:08

Super verhaal! ben benieuwd naar het volgende stuk.

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 19-08-07 22:10

Bloos! uitgeven, ik gok zo maar van niet. Maar wel bedankt voor het compliment zeg Lachen


‘Je heet Johanna?’ Naast me barstte Lillian opeens in lachen uit. Ik hoorde Hans in zijn zitzak zenuwachtig verschuiven. Of moest hij zijn lachen inhouden?
Verdomme, ik was die naam net vergeten. Waarom moest Lillian daar nou weer mee komen. Ik hield er niet van. Zonder het te merken had ik mijn armen over elkaar geslagen. Het papier kreukte een beetje onder mijn armen.
‘Ik heet Martje. Zo hebben mijn ouders me genoemd. Johanna was…’ ik probeerde iets te bedenken, een excuus voor die achterlijke naam. ‘Johanna was een foutje.’
Lillian hikte van het lachten, ‘Een foutje, zeg dat wel ja.’ Ze stootte Hans aan, maar gelukkig schoot die niet in de lach. Hij haalde alleen maar sullig zijn schouders op. ‘Maar daar kan zij toch niets aan doen.’
‘Precies.’ Zei ik beslist. Onderwerp afgesloten. Nors leunde ik naar achter in mijn stoel. De gezellige sfeer was door Maria in één keer weer weg. Mijn armen gleden uit hun houding op de leuning. Zenuwachtig roffelde ik op mijn stoel. Verdomme! Waarom zat ik nou weer hier.
‘Johanna,’ giechelde Lillian opeens.
‘Kan je daar niet over ophouden?’ om mijn vraag kracht bij te zetten wierp ik een boze blik op haar. Ze keek stralend terug.
‘Nee, Johanna. Dat gaat moeilijk.’ Antwoordde ze serieus.
‘Houd je kop, Lillian.’
‘Waarom? Kom, als je Johanna heet. Dan moeten we je jou zo noemen. Hans en ik worden toch ook gewoon bij onze naam genoemd? En kom er niet mee aanzetten dat jij geen Johanna heet, Maria noemt alles bij naam.’
‘Ik heet Martje.’ Antwoordde ik stroef.
Lillian liet een lachgeluidje horen. ‘Nietes.’ Even was het stil. ‘Johanna!’ toen gierde Lillian het weer uit.
‘Houd je kop!’ klonk het uit twee monden op. Hans was opgestaan en keek Lillian woest aan. ‘Doe nou niet zo kinderachtig Lillian en Martje,’ even zuchtte hij, ‘ik vind Johanna een even mooie naam als Martje. Maar ik zal je Martje noemen als je dat liever hebt.’
Ik knikte dankbaar, maar Lillian wist van geen ophouden.
‘Johanna, Johanna. Hans en Johanna.’ Begon ze opeens te zingen. Ook zij stond op en begon in het kleine kamertje te dansen. Haar jurk zwierde rond haar benen.
Uitdagend bleef ze na een rondje voor Hans staan. Zijn wangen waren rood gekleurd. ‘Je vind haar leuk, is het niet Hans?’ Ze streek met één hand over zijn wangen. ‘Ze zijn rood. Het is zo.’ Giechelend deed ze een stap naar achter en bekeek ons allebei. ‘Ik moet zeggen, Hans en Johanna klinkt goed. Jullie namen passen bij elkaar.’
‘Ze is gek.’ Bromde Hans.
‘Doe normaal,’ wierp ik haar toe.
Lillian giechelde, ‘Ik ben serieus.’ Met een grote grijns op haar gezicht liep ze op me af. ‘Trouwen hoeft in de hemel niet en uh,’ ze maakte een veel betekenend gebaartje en keek overdreven om zich heen, ‘is in de hemel net zo lekker als op aarde hoor.’
‘Jezus, Lillian, doe normaal!’ bracht ik uit en ik duwde haar weg.
Hier was het kamertje te klein voor. Lillian struikelde achteruit door mijn duw en na vier passen lag er een kussen in de weg. Het naar achter te vallen leek in slow motion te gaan. Er klonk een harde bonk toen ze met haar hoofd op de vloer viel.
‘Lill!’ riep Hans.
‘Fúck!’ Vloekte ik.
Allebei liepen we snel op Lillian af, ik mopperend. Hans vooral bezorgt. Nog voor dat we bij haar neer geknield waren zat Lillian alweer rechtop.
‘Lill, gaat het?’ Hans was echt bezorgd. Mijn woede baande zich weer een weg omhoog nu ik haar zo gemakkelijk weer zag zitten. Stom kind!
‘Ja hoor Hans. Je weet toch dat je in de hemel geen pijn voelt? Ach, ik zal misschien een bult krijgen, maar niets ernstig.’ zei het stomme kind vrolijk, terwijl ze met haar hand naar haar hoofd bewoog.
Even kwam er een herinnering boven, maar die onderdrukte ik. Een herinnering?
‘En die bult is je verdiende loon. Waarom deed je nu zo kinderachtig?’
‘Ach! Jij doet kinderachtig. Je laten stangen door alleen zo’n stomme naam. Wat is er mis mee?’ ze voegde nog net niet Johanna toe.
‘Ik… Het is,’ ik haalde diep adem om mijn woede te onderdrukken. ‘Het is gewoon zo!’ antwoordde ik toen maar.
'Goed, wat jij wilt. Mártje.' Gaf Lillian opeens mopperend toe. 'Ik vind het best, als snap ik er geen drol meer van.'
Ik wist zelf niet meer of ik het snapte, ze gaf het weer zomaar toe. Uit het niets, net als je het niet verwachtte. Om niet kinderachtig te lijken slikte ik de stekelige opmerking die op mijn tong lang weer in.
Ik stak een hand uit om Lillian te helpen opstaan. Ze nam hem aan zodat ik haar omhoog kon trekken. Even keken we elkaar aan.
‘We houden onze mond er verder over.’ Zei Lillian zeker.
‘Waar houden we onze mond over?’ vroeg ik overdreven.
‘Zouden we onze mond houden?’ herstelde Lillian zich.
Ik grijnsde, zij grijnsde terug. Stomme naam ook! Bedacht ik me nog.
‘Meiden, ik geloof het wel weer. Ik denk dat ik maar weer vertrek.’
Verbaasd keken Lill en ik op van elkaar. Hans stond op een afstandje. Hij keek een beetje onhandig, zijn handen in de zakken van de spijkerbroek. ‘Ik denk dat ik je nog wel zie Martje. Lill ik spreek jou ook wel weer.’
Even stak hij zijn hand op. Het viel me toen pas op hoe slungelachtig hij was. Samen met Lillian keek ik hem na. Het slungelachtige stond hem wel besloot ik terwijl ik naar zijn kont keek die er goed uit zag ik de spijkerbroek. He, het is wel een achttiende eeuwse Boer he! Probeerde ik mezelf wakker te schudden. Het werkte niet, hij zag er nog steeds goed uit.
‘Weetje Martje, ik denk dat ik ook wel weer terug ga naar mijn kamertje. Dus ik zie je nog.’ Voor ik antwoord kon geven draaide Lill zich de andere kant op en liep ze ook weg. Ze stak nog even haar hand op en verdween toen om de hoek.
Met een scheef hoofd keek ik haar na. Had ik een vriendin gevonden hier? Vroeg ik me af. Ze leek me aardig, maar ik had het idee dat ze niet was wie ze leek. Ontzettend koppig en dan opeens toegefelijk. Tijdens de ruzie van net, dacht ik haar even door te hebben. Het was toch niet zo en dat ze zo vaag deed over wie ze was. Schaamde ze zich daar voor? Lill leek me eigenlijk niet het type dat zich voor zoiets schaamde. Zeker niet na dat achterlijke dansen van haar in dat kamertje: Rust. Zonder dat ik het echt door had was ik gaan glimlachen.
Raar kind besloot ik voor mezelf. Neem dan Hans, een echte Hollandse boer. Doe maar normaal dan doe je al gek genoeg. Dat was Hans, een jongen die je in een, tja, hoelang hadden we in dat kamertje gezeten? Ach, ik had hem door in elk geval. Lief, lekker kontje en misschien een beetje simpel. Dat hij eigenlijk tachtig jaar voor me had geleefd was onbelangrijk. Wat maakte het uit dat zijn leven heel anders was geweest? Hier had iedereen hetzelfde. Niets.
Een oud vrouwtje schuifelde opeens de hoek om. Ze negeerde me totaal en schuifelde rustig de gang door. Toen ze vlak bij me was, bedacht ik me dat ik er heel debiel uit moest zijn. Een scheef hoofd en een grijns rond mijn mond. In geen tijd had ik me hersteld en stond ik met mijn rug tegen de deur van Rust.
Het oude vrouwtje had niet eens opgekeken bij de snelle beweging. Zag ze me wel? Zou ze me horen? Ach, ik had toch al voor paal gestaan bij haar.
‘Mevrouw?’ Vroeg ik.
De vrouw schuifelde door. Was ze doof, ofzo?
‘Mevrouw!’ Riep ik wat harder.
Nog steeds geen reactie en hoewel ze niet snel liep was ze al bijna bij de eerst volgende bocht. Bijna verdwenen om de hoek.
‘MEVROUW!’ donderde ik nu, het echode door de gangen heen. Hoeveel mensen hadden dat gehoord?
Zij hoorde het niet in elk geval. Iets geïrriteerd verliet ik mijn plek tegen de deurpost. Ze liep inderdaad niet snel. In een paar passen was ik bij haar. ‘Mevrouw?’ Dit keer tikte ik haar zelfs op haar schouders.
Te veel van het goede, ze draaide zich om en leek in staat zijn met de stok in haar hand te slaan. ‘Sorry, mevrouw,’ excuseerde ik me snel. ‘Ik vroeg me af of u...’ de laatste woorden van de zin slikte ik in. Of u me hoorde, had ik wilde vragen. Maar was dat niet oneerbiedig?
De vrouw kon gedachten lezen, ‘Ik hoorde je wel hoor, juffie.’ Mompelde ze nuffig. ‘Ik twijfelde alleen of je het tegen mij had. Normaal praten jouw soort en mijn soort niet tegen elkaar.’
Hiermee was volgens haar alles gezegd. Ze liep weer verder. Uit nieuwsgierigheid liep ik met haar mee. Iets van wat ze gezegd had snapte ik niet. ‘Uw soort en mijn soort?’ Vroeg ik.
De vrouw knikte ongeduldig. ‘Je bent hier nieuw.’ Constateerde ze.
Ik knikte.
‘Dat dacht ik al,’ bromde ze tevreden op haar oude vrouwtjes toon. We liepen verder samen op. Een paar lege gangen lang zeiden we niets tegen elkaar. Toen keek de vrouw op.
‘Wat wil je weten?’ Vroeg ze .
‘Wat ik wil weten?’ herhaalde ik haar verbaasd?
‘Je hoorde me toch? Ik dacht dat wij als ouwetjes doof waren en niet de jonkies.’
Ze liep weer verder, leunend op haar stok. ‘Je loopt nog steeds naast me, dus je wilt iets weten.’
Beweerde ze.
Haar logica was niet te volgen, maar wel waar. Ik wilde iets weten, eigenlijk alles. Dat vertelde ik haar ook.
‘Alles, kan je niet weten. Ik kan je misschien iets uit leggen. Loop maar mee naar mijn kamertje. Daar worden we minder snel aangekeken. Jonkies en ouwetjes horen niet gezellig te babbelen. Dat geeft rare ogen.’
Rare ogen? Wat bedoelde dat oude mens daar nu weer mee? Langzamerhand begon ik me af te vragen of er in de hemel ook dementie bestond.
Toen er een oud mannetje de hoek om kwam stond de vrouw naast me acuut stil. Ze leunde zwaar op haar stok en begon zonder blikken of blozen haar jurk, bijna dezelfde als de mijne, af te stoffen. ‘Wat voer jij nu weer uit hier, Mien?’ Vroeg het mannetje met een krakende stem.
Het oude vrouwtje keek niet eens op van haar bezigheid. Hoewel de man tegenover haar een kop groter was sprak ze hem aan op een toon zoals ze ook haar zoons aan zou spreken.
‘Dat gaat je niets aan, meneertje.’ Nee, geen toon die een moeder tegen haar zoon aan slaat, een toon van een schooljuf tegen een bende hele, hele vervelende jongens. Ze stak nog net haar vingertje niet op.
‘Het gaat me wel iets aan Mien, maar als je het niet wilt zeggen. Dan hoeft het al niet meer.’ Hij leek niet op een bende vervelende jongens, maar gewoon op een seniel oud mannetje. Het beetje grijze haar dat hij nog had lag op zijn hoofd, hij was dun en bottig en hij negeerde mij totaal.
Toen hij zich omdraaide, seinde Mien naar mij met een handgebaar. Ik moest door lopen, begreep ik eruit. Vlug deed ik of ik niets door had. De etiquette van de hemel waren lang zo moeilijk nog niet. Ik liep door zoals het hoorde.
Tot hij uit het zicht was bleef Mien ergens achter me schuifelen. Één keer waagde ik het om achter me te kijken of hij weer weg was. Dat werd direct bestraft met een boze blik en een waarschuwend gebaar met haar vrije hand. Jezus hé, wat kon er gebeuren als ze zagen dat ik met die vrouw praatte? Ons uit de hemel verbannen of zo? Die man had ik in die ene snelle blik niet eens gezien. Hij zou dus al weg zijn. Waarom zo moeilijk doen?
Toch hield ik het toneelstukje vol. Als dat oude vrouwtje het nu wilde, wat zou het mij dan uitmaken? Ik had toch niets te verliezen. Met mijn beste pokerface liep ik door de gangen. Ik had geen flauw idee hoe ik eruit zag, maar hoe langer ik het spelletje moest spelen, hoe meer lol ik erin kreeg. Al snel voegde ik er een opvallend fluiten aan toe. Ik kon de witharige Mien bijna afkeurend haar hoofd zien schudden. Even twijfelde of ik zou gaan huppelen, maar dat was misschien teveel van het goede. Ik liet het huppeltje dus maar achterwegen.
Terwijl ik bezig was te bedenken of ik het fluiten in zingen moest veranderen, ik was vrolijk, voelde ik opeens een tikje op mijn schouders. Abrupt stopte ik met fluiten en draaide ik me om. Mien stond voor me. Verbaasd dat het oude mens zo snel had kunnen zijn, ze had net nog ver achter me gelopen, wilde ik wat zeggen. Ik bedacht me toen ze een vinger voor haar mond legde en naar de deur wees. Goed, ik moest stil zijn. Het leek wel een detective roman. Ze keek overdreven om haar heen, als een havik speurde ze de gang af. Daarna wachtte ze heel even. Toen er niemand was of kwam viste ze een sleutel uit een zakje in haar rok en trok ze de deur open. ‘Tel langzaam tot tien en kom ook naar binnen. Voor de zekerheid.’ Fluisterde ze. Toen schoot ze verassend snel voor haar leeftijd het kamertje binnen. De deur viel dicht voor ik een vingerbeweging kon maken.
Een beetje dommig staarde ik naar de deur. Tot ik diep adem haalde en begon met tellen. Één, bedacht ik in mijn hoofd. Ik keek om me heen en leunde tegen de deur. Wat een onzin. Twee. Wat zou het probleem zijn als ik er gelijk achter aan dook? Er was toch niemand. Drie. Zou ik het doen? Ik kon tegen het vrouwtje zeggen dat ik wat sneller geteld had. Vier. Het was wel flauw om tegen haar regels in te gaan en zij leek er bijna van te genieten dit te spelen. Vijf. Maar er was gewoon niemand, dit was nutteloos! Zes. Als er na de volgende tel nog niemand is, dan ga ik naar binnen. Zeven.
Er was niemand. Een snelle blik om me heen om het zeker te weten, maar er kwam ook niemand. Mijn hand lag op de klink. Ik voelde me net een dief toen ik de deur voorzichtig open deed.
Mien keek verschrikt op. Het liefst had ik de deur direct weer terug geknald. Had ik nu maar door blijven tellen. Ze zat op haar knieën bij haar bed. Net toen ik de deur open had gedaan hoorde ik haar acht mompelen. Een hand lag op een papier. Een ander papier lag erachter. Ik had het al gezien, zonder het te willen. ‘Ik,’ probeerde ik nog.
Ze schudde zachtjes haar tere hoofd. Langzaam schoof ze de twee tekeningen onder het bed. Ondertussen stond ik in de deuropening en durfde ik niet te bewegen. Ze keek me niet meer aan terwijl ze bezig was. Heel beheerst zag het eruit, maar toen ze opstond zag ik haar hand trillen op de bedrand. Broos leek haar gebogen rug, terwijl ze de bedrand gebruikte als ondersteuning. Trilde ze? Had ik dit gedaan. Ik wist al dat mensen niet dood konden in de hemel, maar dit was toch ook niet goed? Ze draaide zich met haar gezicht naar mij. ‘Kom binnen,’ sprak ze langzaam, beheerst. Ze had zichzelf beter onder controle dan ik. Ik stond zelf ook te trillen, zag ik opeens. Dit had ik helemaal niet willen zien. O, die stomme deur. Had ik net heel even kunnen wachten! Beet ik mezelf toe.
‘Het spij-..’
Mien schudde haar hoofd en legde een vinger voor haar mond. ‘Sst.’ Kwam er over haar lippen. Haar ijsgrijze ogen zeiden me te vergeten wat ik gezien had, zo snel mogelijk het liefst.
‘Kom de kamer binnen. Je herkent misschien wat van het jouwe. Kies een stoel.’ Mien gebaarde om zich heen en ik durfde niets anders te doen dan te gaan zitten. Terwijl ik naar de stoel liep zag ik mezelf in de spiegel. Een meisje in een oranje jurk met kort piek haar. Ik was nog niets veranderd sinds ik mijn kamer uit was gekomen. Zolang was het dus niet geleden, maar waarom leek het toch zo? Ik voelde me anders dan de laatste keer dat ik mezelf zag. Alles was toch ook anders. Ik nestelde me in een van de stoelen. Het vrouwtje kwam naast me zitten. In de andere stoel. Behalve die twee stoelen was de kamer bijna het zelfde als de mijne. Er stonden dezelfde spullen, alleen geen bankje.
‘Alles kan ik je niet vertellen, maar misschien kan ik je iets wijzer maken.’ Sprak Mien vriendelijk. Even twijfelde ik of ik het verdiende om alle informatie uit haar te trekken. Toch kon ik het niet laten. Wat ik Lillian niet had gevraagd kon ik Mien vragen en ze had ook nog veel vragen opgeroepen.
‘Wat bedoelde u met verschillende soorten?’ begon ik maar.
Mien leunde naar voren en ondersteunde haar kin sierlijk met haar hand. Even leek ze wat jonger dan ze was. Toen stak ze van wal.


Amandavd
Berichten: 12393
Geregistreerd: 04-05-06
Woonplaats: Limburg

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-08-07 09:42

Het is net een boek waar je niet kunt wachten tot een volgende bladzijde!

Colorado
Berichten: 4209
Geregistreerd: 11-10-05

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-08-07 09:54

Mee eens, super tof stukje weer. Ik zie soms nog wat spelfouten maar heb er niet echt last van Lachen

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-08-07 09:54

Isa zou je de spelfouten aan me kunnen geven? Ik ga ondertussen weer even verder Lachen

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-08-07 10:08



Ik weet niets, schoot het een tijd later door me heen. Ik was vragen op Mien af blijven vuren, tot ik er geen meer wist. Daarna was Mien uit haar zelf gaan vertellen. Over de hemel, over Jezus, over God en over alle andere etiquette uit de hemel. Over de verschillen tussen oud en jong en hoe het precies hier zat. Mien kwam uit ongeveer dezelfde tijd als Hans, had ik al uit haar getrokken en ze had een leuk leventje op aarde gehad. Meer vertelde ze er niet over. Liever praatte ze over het nu. Daar was ze ten minste voorlopig zeker van. ‘Tot God weer rare dingen gaat doen met de hemel. Dan kan het opeens zo zijn dat hij besluit iedereen er als twintigjarige uit te laten zien, omdat dit mooier is.’ Ik wist niet of ze hier nu een grapje over maakte of dat dit zomaar waar kon zijn. Van haar hoorde ik dat God van de hemel zijn paradijs had gemaakt. Het was een huis zonder vast gezette regels, alleen ongeschreven regels waren er in overvloed. Die moest ik ook zo snel mogelijk leren. Ze waren belangrijk. Één van de regels was dat ik niet met oudere mensen mocht praatten. Behalve als ze jou aan spraken en dat was hier nergens voor nodig. Ik snapte niet waarom. Dat kon Mien niet uitleggen, het was op een of andere manier zo, al vond zij het ook een onzin regel. ‘Daarom praat ik ook nu met jou. Oudjes hebben de neiging overal over te klagen en zo nostalgisch te gaan doen. Pfoe, al dat gezeur over vroeger.’
Even dacht ik aan de tekeningen onder haar bed. Zou ik er nog naar vragen, er over beginnen, het aankaarten? Ik was er benieuwd naar, maar durfde het onderwerp eigenlijk niet aan te snijden. Het gesprek bleef veilig en mijn nieuwsgierigheid werd toch bevredigd. Er was zoveel te horen over de hemel. Mien legde uit waarom de gordijnen dicht zaten, dat was niet altijd zo geweest. Een tijd lang had de zon altijd geschenen door de ramen, ze zagen de wereld niet, dat kon alleen in één kamer, maar wel een zon. ‘Als in een vliegtuig?’ Vroeg ik. Maar die hadden ze natuurlijk nog niet toen Mien leefde. Onwerkelijk was dat, ik vergat het steeds. ‘Dat deed ik ook hoor meisje. Je went vanzelf hier. Helaas…’ verzuchtte Mien voor ze verder ging met haar uitleg over rangen en standen in de hemel. ‘God is natuurlijk de baas, maar je ziet hem weinig. Hij heeft de laatste tijd geloof ik wat aangeknoeid met de aarde en nu houd Jezus ons in de gaten. Goede jongen die Jezus.’
Ze moest lachen toen ik vertelde dat Maria dacht dat Jezus een oogje op me had. ‘Maria is een goede vrouw, maar verstokt. Ze is al zolang in de hemel en voor haar is het raar dat ze Jezus als zoon van God ziet. Ze kende hem in het echt namelijk. Maria moet je te vriend houden, die heeft hier ook wel invloed. Ze is de bazin van het register. Daar staan alle namen in. Vind ze je aardig, dan kan zomaar blijken dat je beste vriendin hier ook is.’
Naar Jezus vroeg ik verder niet. De man had me geraakt. Ik had het idee dat ik een band met hem had, maar wie weet deed hij dat met ieder meisje. Het gewoon troosten en in zijn armen houden? Zou het kunnen zijn dat hij…
Mien trok mijn gedachten verder. Ze vertelde over Petrus, de hemelbewaarder. Hij kon overal opduiken en scheen alles te weten. Hij hield in de gaten of de gordijnen dicht waren, of alles een beetje netjes bleef. ‘Netjes, kan je hier dan gewoon de verf eraf krabben ofzo?’ Het verbaasde met dat dit geen poppenhuis was, waar de verf gewoon weer terug kwam als het weg was gekrabd, waar vuil achter je rug om weer verdween. Dat er hier nog iets echt zou kunnen zijn.
‘Net zo makkelijk,’ glimlachte Mien. ‘Het komt niet terug?’ Ik zag Petrus al staan met een emmertje verf.
Miens ogen twinkelde, ‘Ik weet niet, volgens mij heeft niemand het geprobeerd.’ Even keek ik haar vragend aan. Ze knikte, jongensachtig en jong keek ze me aan. Haar oogjes twinkelden nog steeds toen ik op stond en naar haar muur liep. We grijnsden alle twee. Mien giechelde zelfs als een jong meisje. Het stond totaal niet bij haar oude vrouwtjes uiterlijk. Ze straalde werkelijk als een verliefd meisje van, nou ja van mijn leeftijd! Ik moest lachen om haar vrolijkheid en zette mijn nagels op de muur.
Om alle onechtheid te verpesten!
Voorzichtig krabbelde ik een wit plekje in het geel. Ik keek eerst eens naar mijn nagels, ze waren een beetje geschaafd. Al voelde ik niets. ‘Die groeien wel weer tot een lengte die jij wilt, maakt dus niet uit. Krab ze stuk kind. O, dit heb ik in jaren niet gedaan!’ Glunderde ze.
Ik werd nog vrolijker om haar vrolijkheid en krabde verder aan het witte plekje. Gele stukjes verf dwarrelde op de grond.
‘Vroeger was ik dol op kattenkwaad. Dit zou echt iets zijn wat ik toen deed.’ Straalde Mien. Ze straalde echt. Ik kon het niet laten en liep naar haar stoel toe. ‘Als ik nu eens,’ mompelde ik geestdriftig.
Mien gaf een gilletje toen ik haar stoel naar de muur schoof. ‘Pas op voor mijn hart!’ Riep ze. Heel even later stonden we alle twee driftig te krabben. Ik had een liniaal gevonden die ik nu gebruikte en Miens gereedschap bestond uit een van de lijstjes, die ze ook vrolijk van de muur getrokken had. ‘We slopen mijn kamer!’ Brulde Mien enthousiast. Ze leek zich totaal geen zorgen te maken over andere dingen. Ik probeerde het zelfde te doen. Alleen al voor de kwajongensgrijns op haar gezicht had ik dit zo nog tien keer gedaan.
Al snel begon ik te zingen. ‘If God had a name, what would it be?’ Ik was vrolijk, Mien kende het liedje natuurlijk niet, dat was na haar tijd. Maar al snel zong ze het mee. Het was vreemd om engels te zingen. Mien beweerde dat ze uit Engeland kwam en dat dit voor haar klonk zoals ze normaal praatte. Daar moest ik even over nadenken. Ik kon dus nog wel engels zingen. Voorzichtig mompelde ik een engels zinnetje: ‘I love you,’ was het eerste wat in mij op kwam.
Mien keek verstoord op, ‘ga eens door met zingen,’ mompelde ze sikkeneurig en ze zong weer verder. ‘Stel dat god had een naam, wat zou het zijhijn?’ Zong ze vrolijk.
Wat zou het zijhijn! Galmde in mijn hoofd na. Het klopte ergens niet. ‘Waarom zing je nu opeens Nederlands?’
‘Ik zong hetzelfde als de hele tijd hoor, kind.’ Mompelde Mien. Ondertussen sloeg ze met het lijstje tegen de wand. De plek voor haar was bijna wit. ‘Kan je me zo trouwens opschuiven? Dit stukkie is bijna klaar.’ Ze keek trots naar de witte muur en gaf een flinke klap met haar fotolijstje tegen een geel stukje. Er verschenen barstjes in. Een verlaten stukje verf dwarrelde naar de vloer, die al bezaaid was met witte/gele floddertjes.
‘Natuurlijk,’ zei ik werktuigelijk. Ik liep richting haar stoel en verschoof die iets zodat ze weer voor een geel stukje muur stond. ‘Waarom zong je net Nederlands?’ vroeg ik nog een keer. ‘Nederlands?’ mompelde Mien verward. ‘wat zou je vragen, als je slechts één vraag had?’ brulde ze er vrolijk achteraan. Ze gaf nog een mep tegen haar nieuwe stukje. Ik duwde tegen de stoel, ‘nee, zo bedoelde ik het niet,’ zei ik tegen de bovenkant van haar hoofd. ‘Je snapt het wel. Ik zing dit: “If God had a name, what would it be?” en jij zingt: “Als God een naam had wat zou het zijn?” hoor je het verschil niet?’
Mien schudde haar hoofd. ‘Doen we niet aan,’ zei ze beslist. Met een puntje van haar pink probeerde ze een scheurtje te vergroten.
‘Maar waarom niet? Ik kan toch ook Engels zingen?’
Mien draaide zich half om in haar stoel. ‘Kind, ik hoor je inderdaad in het engels, maar ik praat nu ook mijn engels. Hoor je dat?’
Ik keek haar aan en kneep mijn ogen stijf dicht. ‘De toren van Babel?’ vroeg ik.
Mien knikte.
‘En engels, Latijn,’ Mien schudde haar hoofd. Ik aarzelde even. ‘Frans?’
‘Kind, voor jou klinkt het allemaal als Nederlands. Zelfs werkwoordenvervoegingen en zinsopbouw klopt. Net zo makkelijk toch?’
‘Maar,’ zei ik voorzichtig. ‘Waarom?’
‘Het zou toch lastig zijn als ik je niet kon verstaan, schat?’ zei Mien alsof het niets uit maakte. ‘Daar is nog een stukje gele muur, ik wil mijn hele kamer wit hebben!’ Enthousiast begon ze weer met slaan. Ik stond er naar te kijken, de gele/witte floddertjes dwarrelde naar de grond. De lol was er voor mij af. Zou ik het hier nooit normaal vinden?
Mijn hand gleed weer naar mijn hart. Die niet klopte. Pijn kon ik niet meer voelen, van buiten niet. Mijn hand bleef bij mijn hart liggen, maar van binnen wel…
‘Wat sta je nou te staren lieverd?’ Vroeg Mien en ze keek om. Zag waarschijnlijk mijn droeve blik, want opeens keek zij ook niet zo vrolijk meer. Voorzichtig legde ze haar fotolijstje naast zich neer. ‘Draai mijn stoel eens om.’ Zei ze alleen.
In stilte liep ik naar haar toe en draaide haar stoel. Het ging stroef door het tapijt. Toen ze voldoende gedraaid was zei ze: ‘Kom eens.’
Ik ging naast haar staan, ze steunde op me en stond op. Ik bedacht me dat ze me helemaal niet nodig had, maar ze leunde zo zwaar, dat ik het maar toe liet. Het vulde goed nog ergens nuttig voor te zijn.
‘Breng me naar het bed.’ Fluisterde Mien in mijn oor. Voetje voor voetje schuifelde we naar het bed. Bij elke pas vielen er brokjes van de vrolijkheid van me af. Mijn schouders gingen alleen niet lager hangen, omdat Mien erop steunde en ik was bang dat ze anders zou vallen. Wat natuurlijk nergens op sloeg, vallen deed geen pijn. Het zou alleen zonde zijn als. Nou ja, ik had nog geen idee hoe snel gebroken botten helen in de hemel.
Bij het bed aangekomen ging Mien voorzichtig zitten. Doordat ik haar hielp zat ik opeens ook naast haar op het bed. Mien sloeg een arm om me heen. Ik zag druppels op mijn jurk vallen. Zonder dat we hoefden te praten gingen we te gelijk liggen. Ik kroop dicht tegen haar aan. Zo vielen we in slaap. Met tranen in mijn ogen. Ik zag ook haar tranen op het kussen vallen voor ik in slaap viel.

Langzaamaan werden we wakker. Ik voelde Mien tegen me aanliggen. Even bedacht ik me nog dat het maf was om met een oude vrouw in hetzelfde bed te slapen, wat mijn ouders daarvan zouden denken. Het maakte me niet uit, ik schurkte me tegen Mien aan en wilde verder dromen. ‘Ben je wakker?’ vroeg Mien heel zachtjes, net voor ik mijn ogen weer gesloten had.
Ik wilde geen antwoord geven.
Een tijd later werd ik weer wakker, dit keer schudde Mien aan mijn schouders. ‘Martje?’ Geen antwoord geven, maalde het door mijn hoofd heen. Ik hoefde echt niet terug de hemel in. Mijn dromen waren prima.
‘Martje? Wordt eens wakker?’
Ik kneep mijn ogen extra dicht en kreunde protesterend in de hoop dat ze me verder liet slapen. De hoop was tevergeefs. ‘Je moet wakker worden meis, strijk je jurk glad. Petrus staat voor de deur. Jezus zou nieuws voor je hebben.’
‘Nee, geen zin. Het interesseert me niet.’ Bracht ik uit. Ik sloeg een arm om mijn hoofd heen en raakte daarbij per ongeluk Mien.
‘Nou, je hoeft me niet te slaan.’ Bracht die verontwaardigd uit. ‘Wat je nu wel moet doen is wakker worden Kom op, vooruit met de geit.’ Een zacht duwtje liet me bijna uit het bed vallen, dat toch wat smal was voor twee. Ik gaf toe aan Mien en deed mijn ogen open. Vanuit mijn plekje op het bed zag ik dat de deuropening open stond. Na even staren had ik opeens door wie er in de deur opening stond. Binnen drie seconden stond ik rechtop in de kamer.
‘Goedendag Johanna,’ begroette Petrus me. Voor ik kon antwoorden ging hij verder. ‘Jezus wil je spreken, volg je me.’
‘Wat dan..-’ Wilde ik vragen, maar hij was al weg. Even draaide ik me om naar Mien, maar die wuifde dat ik moest gaan. ‘Volg hem maar, anders kom je te laat.’
‘Hoe kom ik hier weer terug?’ wilde ik weten. Terwijl ik mijn jurk toch nog glad streek en naar de deur liep. Ik vond het van zelf sprekend dat ik haar nog zou zien. Mijn eigen kamer hoefde ik niet meer.‘Je vindt me vanzelf, gebruik de plattegrond.’ Gaf Mien aan en ze duwde me de deur door. ‘Tot ooit.’ Haar hand verliet mijn schouder. De deur viel met een zachte plof dicht.
‘Kom,’ Petrus stond op de hoek te wachten. Het verbaasde me dat zijn houding niet ongeduldig was. Ik dacht eigenlijk dat die man altijd haast had, maar hij stond alleen maar stijf en strak te wezen. Toen hij zag dat ik in beweging kwam, kwam hij dat ook. Voor ik het wist, liep ik weer achter hem aan. Net als de vorige keer in een razend tempo.
Dit keer hield ik hem zonder te praten bij. Zwijgend liep ik in zijn kielzog door de gangen. Ik probeerde bij te houden welke kanten hij opging, zodat ik de weg terug ook kon vinden, maar ik raakte de tel al snel kwijt. Links, links, rechts, rechtdoor, tweede links en… Ik wist het niet meer. Beetje balend hoopte ik dat de plattegrond me inderdaad zou helpen. Vertrouwen op dat ding deed ik niet, plattegronden hadden me nog nooit de goede weg gewezen.
De weg was voor mij allang verloren toen ik opeens de gang herkende waar ik met Lillian doorheen had gelopen. Niet dat hij veel afweek van de rest, maar iets had deze gang in mijn geheugen gegrift. Onder het lopen en nadenken door gleed mijn hand langs een van de gordijnen. Er zat een kleine verkleuring op, wat vreemd was in een huis dat de hemel heet. ‘Horen dit soort dingen niet weggehaald te worden?’ vroeg ik aan Petrus’ rug.
Hij draaide zich niet om en liep door in het zelfde tempo. Toch beantwoorde hij mijn vraag wel: ‘We hebben niet overal tijd voor, Johanna.’ Zei hij terwijl we al ruim voorbij het gordijn gekomen waren.
‘Martje,’ meldde ik nog. Ondanks dat ik wist dat het geen zin had. Petrus negeerde de opmerking, behalve dat hij harder ging lopen. Het verschil met de vorige keer was dat ik nu snapte hoe het kwam dat ik hem bij kon houden. Dus ik deed dat zonder moeite. Voor ik het wist stonden we bij de deur. Die was geen spat veranderd. De procedure voor de deur was weer het zelfde als de eerste keer. Drie snelle klopjes op het prachtige hout. Petrus bekeek of ik toonbaar was en veegde kritisch een paar onzichtbare pluisjes van mijn jurk. Vervolgens klopte hij weer. Het antwoord op zijn kloppen kwam vanachter de deur: ‘Ja?’
Voordat Petrus de deur kon openen deed ik dat zelf al. Ik had geen zin om nog een keer als een schoothondje de deur doorgeschoven te worden. Eenmaal in de kamer deed Petrus zonder groeten de deur dicht. Jezus keek op van zijn papierwerk en rolde met zijn bureaustoel naar achter terwijl hij me begroette. Zijn stem klonk warm, precies passend bij zijn uiterlijk, en ik kon opeens vergeten hoe en wat. In de kamer Rust had ik me thuis gevoeld, bij Jezus voelde ik me ook veilig. Drie dingen al, bedacht ik me. In Rust, bij Jezus en samen met Mien. Misschien kon de hemel toch nog het veilige toevluchtsoord worden wat mij was beloofd. Ooit, toen ik nog leefde hadden ze gezegd dat ik me hier thuis zou voelen.
‘Ha die Martje. Ik heb goed nieuws,’ Jezus straalde toen hij dat vertelde.
‘Wat dan?’ vroeg ik nieuwsgierig. Goed nieuws was welkom. Alhoewel ik me zonder ook al beter begon te voelen was goed nieuws… Als of ik tien was en een extra snoepje mocht nemen.
‘Ga eerst zitten. Dan leg ik het je uit.’ Hij gebaarde naar een stoel. Ik nam plaats en Jezus trok een wat ernstiger gezicht. Wat me verwarde, bij goed nieuws dacht ik aan een vrolijk gezicht. Jezus keek echt alleen maar ernstig. Een lichte frons op zijn gezicht. Het was prettig om naar te kijken, maar het voelde niet helemaal compleet. Goed nieuws?
‘Ik had je beloofd om te zoeken naar een familielid. We wisten dat je ouders er niet waren, hm?’ Ik knikte bevestigend. Jezus verschoof zijn hoofd iets en keek me scheef aan. Misschien herinnerde hij zich ook nog hoe hij het de vorige keer gebracht had. En hoe ik toen had gereageerd. Dit keer wist ik het al. Ik barstte niet in huilen uit en knikte alleen maar. Eigenlijk hoopte ik nog steeds op het goede nieuws waar hij het over had gehad.
‘Nu zijn we een tijdje op zoek geweest en we hebben iemand gevonden die familie van jou is. Het gaat zelfs om degene naar wie je bent vernoemd.’
Even had ik het idee dat ik een black out kreeg. ‘U bedoelt…’ stotterde ik. Iemand naar wie ik vernoemd was. Dat kon maar één iemand zijn.
Jezus trok een wenkbrauw omhoog en keek me vragend aan. ‘We hebben je oma gevonden,’ Inderdaad. Mijn oma. Prima, Johanna, mijn oma. ‘En ze wil je graag ontmoeten.’ Maar ik niet. Dacht ik er meteen achteraan.
‘En nu?’ zei ik er in plaats daarvan achteraan. Ik ging even verzitten en voelde iets in mijn buik zitten wat er net nog niet was. Johanna had ik zelf niet echt gekend, ze was gestorven toen ik tien was en in die tien jaar had ik haar niet vaak gezien. Mijn moeder mocht haar niet zo en ze had voldoende verhalen verteld zodat ik haar nu ook niet meer echt mocht. Als ik alle verhalen mocht geloven was ze een heks geweest. Alleen dan zonder giftige appels. Mijn moeder was niet voor niets op haar vijftiende al in een kraakpand gaan wonen. Het verhaal ging zelfs te ronde dat mijn opa door haar al op vroege leeftijd was overleden. Ik noemde haar vroeger ook geen oma, maar gebruikte de toepasselijke benaming die mijn moeder in het leven geroepen had: ‘Oude Feeks, zure taart of in een slechte bui mevrouw Moordenaar. Later had ik zelf bedacht dat Oma waarschijnlijk zelf niet zo’n fijn leven had gehad en niet meer wilde dat andere dat Wel hadden. Toen ik dat aan mijn moeder werd ze heel fel. Ik begon er maar niet meer over. Ze overleed, maar niemand moest huilen. Ook mijn moeder had geen tranen, ‘het werd tijd,’ verzuchtte ze alleen maar.

Colorado
Berichten: 4209
Geregistreerd: 11-10-05

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-08-07 10:11

Waah nu ik het opnieuw lees lijken ze opeens verdwenen Nagelbijten / Gniffelen

Dan moeten we je jou zo noemen.
Je hoort er niet tussen lijkt me Knipoog

Of u me hoorde, had ik wilde vragen.
willen Knipoog

Hmm.. net leken er meer te zijn, fout gezien blijkbaar Huilen van het lachen

Mooi stuk weer Ja
Kan niet wachten tot het volgende, heb in dit stuk trouwens geen spelfouten kunnen vinden Knipoog

YMJArabians

Berichten: 9678
Geregistreerd: 10-11-05
Woonplaats: Somewhere

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-08-07 15:29

Mooi verhaal Tong uitsteken Heel grappig, en mooi neergezet. Ik zie het helemaal voor me!

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-08-07 17:38

Hmmm, vind zomaar een foutje in het laatste stuk. Woord vergeten. "Toen ik dat aan mijn moeder vertelde werd ze heel fel." goed dat ik af en toe de laatste paar zinnen nog een keer lees.

Ik zit nu trouwens bijna op het punt waarbij ik echt weer bij moet gaan schrijven, ik en er nu ook alweer mee begonnen. Maar dat betekent wel dat de stukjes nu iets minder snel gaan komen Lachen

Bedankt trouwens voo rhet commentaar.

‘Nu kan je haar ontmoeten. Ik geef je haar kamernummer en wijs je de plek aan op de plattegrond. Als de tijd rijp is kan je haar opzoeken. Volgens Johanna zelf had je haar op aarde niet zo vaak gezien en ik kan het begrijpen als je het moeilijk vind om naar haar toe te gaan. Alleen maak je haar er denk ik gelukkig mee. Dat is heel wat waard’ Door zijn haren heen keek hij naar me. Zijn bruine ogen bezorgd en hij legde vertrouwelijk een hand op mijn knie. ‘Ben jij al gelukkig hier, Martje? Voel jij je al thuis?’
Ik haalde mijn schouders op. Wilde geen antwoord geven. Ik had teveel huilbuien hier gehad en wilde niet nog meer medelijden. ‘Het gaat goed, voor zo ver dat kan. Ik heb al mensen ontmoet.’ Ik dacht aan Lillian, Hans en Mien. ‘En ik geloof dat ik al enkele vrienden kan gaan maken. Het is onwerkelijk en ik mis de werkelijkheid. De aarde, mijn leven, ik voel me…’ daar ging ik weer, bedacht ik me. Toch praatte ik verder, alsof de waterval van woorden niet meer te stoppen was. ‘Ik voel me soms zo nutteloos. Wat heeft het allemaal nog voor nut? Op de aarde kon je nog streven naar,’ een hapering, onwerkelijkheid was het toen ook, ‘vrede en perfectie. Hier is al vrede en ook perfectie en toch voel ik me ongelukkig en heb ik het idee dat ik niets ben. Ik kan niet eens zelfmoord plegen als ik dat zo willen, want ik ben al dood. Hartstikke fijn natuurlijk, maar ik voel me er niet beter op. Zou het niet prettiger zijn om het wat minder makkelijk te maken voor ons? Dat wij ook nog wat kunnen doen?’ De snik in mijn stem was er denk ik halverwege ingekomen, maar de tranen waren verder op. Met droge ogen keek ik Jezus aan.
Die leek op te vrolijken onder mijn relaas en dat verwarde me. Het twinkelen dat in zijn ogen kwam leek op dat wat ik bij Mien had gezien. Alsof hij me in de zeik zou gaan nemen of dat hij een geniaal plan had. ‘Martje, als dat je probleem is dan heb ik een oplossing. Je kunt mij gaan helpen in heel veel van mijn werk. Onder andere gebeden beantwoorden, proberen mensen te sturen beneden en vooral veel administratie. Ik zou dat ook gezellig vinden, maar durfde verder niemand te vragen. Wie wil er nu werken in de hemel? Daar hoor je stil te zitten. Alleen als jij toch liever iets om handen hebt.’ Onder zijn relaas werden zijn gebaren steeds groter. Hij wees naar het toetsenbord en met dezelfde glinsterende ogen ging hij verder: ‘Als jij aan die computer werkt, ik leg je uit hoe die werkt, dan kan ik met je praten terwijl ik deze gebruik,’ hij wees achteloos naar degene voor hem. ‘Ik moet het wel nog even overleggen, maar dat is zo gedaan. Dan kan jij wanneer jij je verveelt gewoon hier binnen lopen en mij helpen. Vind je het geen geweldig idee?’
God spelen, mijn eigen Sims, maar dan met echte mensen? ‘Ja,’ bracht ik uit. Dit kon hij niet menen! Wanneer zou ik eindelijk eens wakker worden uit deze droom?
‘Dan is dat geregeld. Ik stel alleen wel één voorwaarde: Je gaat je oma bezoeken. Als je dat gedaan hebt is alles geregeld.’

Even later had ik afscheid genomen en stond ik weer buiten zijn deur. Dat had die gladjanus snel gedaan. Bedacht ik me boos. Nu al de belofte afgetroggeld dat ik naar mijn oma zou gaan. Nu al! Kwaad stampte ik weg door de lange gang waarin de deur van de kamer had uitgemond. Kwaad en zonder na te denken waar ik heen ging. Zijn idee om hem te helpen was geweldig, maar hij zou me pas binnen laten als ik mijn oma opgezocht had. Waarom vroeg hij dat nou weer aan me? Voor haar, zei een stemmetje in mijn hoofd. Gewoon voor haar, als zij je graag wil zien. Waarom niet? Omdat, ach, het kon niet eens. Ik wist niet meer hoe ik er moest komen! Dat weet je wel, beschuldigde het stemmetje in mijn hoofd mij. Mien vertelde hoe ik haar kon vinden, dat moet voor je oma het zelfde werken. De plattegrond. Met mijn handen voelde ik naar de zak van mijn jurk. Waar het papiertje nog steeds in zat. Ik viste het eruit en vouwde het open. De lijntjes begonnen gelijk weer voor mijn ogen te dansen. Hoe werkt dit? Vroeg ik me af.
Alsof het papier mijn gedachte las begonnen de lijntjes te bewegen. Ze draaiden steeds meer, even wendde ik mijn ogen af, ik kon er niet meer naar kijken, en toen ik weer keek zag ik nog net hoe een vraagteken gevormd werd. Ik had het kunnen weten, hier in de Hemel. ‘Waar wil je heen?’ stond er nu. Een gewetensvraag, bedacht ik mezelf. Ik wil niet naar Johanna. Dus dat niet. Ik stopte met lopen en leunde tussen twee deuren tegen een muur. Mijn ogen bleven hangen op de tekst. Waar ik echt heen zou willen? ‘Naar huis.’ Fluisterde ik zacht.
De lijntjes zeiden niets. Naar huis kon echt niet meer. ‘Mien?’ Probeerde ik nu. En terwijl ik toe keek zag ik de lijntjes weer voor mijn ogen draaien. Gebiologeerd bleef ik staren, probeerde ik te staren. Ik werd bijna duizelig van de snelheid waarmee het papier veranderde. Even kneep ik mijn ogen dicht. Toen ik ze weer opendeed was er in het rood een route getekend tussen de zwarte gangen. Hier, stond er in een piepklein handschrift geschreven bij één punt. Daar, stond er bij een ander punt in het zelfde handschrift. Ik begreep wat daar betekende. Daar moest zijn waar Mien was. Langzaam begon ik te lopen in de richting die de rode streep aangaf. De lijn werd korter naarmate ik verder liep. Toen ik de eerste splitsing zag naderen kwam de rode lijn ook steeds dichter bij een afslag op het papier. Ik moest rechtdoor zag ik. Dus ik negeerde de afslag. De volgende gang moest ik in, zag ik. Met het papiertje in mijn hand liep ik verder en inderdaad precies op de plek waar de rode lijn begon met buigen was een bocht in de gang. Ik ging naar rechts. Het was simpel om de kaart te volgen. Ik liep naar mijn idee een lange tijd, maar dat was niet erg. Het was juist fijn dat ik even de tijd had om mijn gedachten op een rij te zetten.
Terwijl de rode streep korter werd dacht ik na over alles, maar ik kwam niet tot iets nieuws. Mien, bleef ik denken. Het zou goed zijn om weer met haar te praten. En dat terwijl ik tussendoor alleen even met Jezus gesproken had. Gek, er was geen tijd in de hemel en ik kon helemaal niet plaatsen hoe lang ik hier al was. Het leek of ik Mien langer kende dan Lillian en Hans. Kon me niet voorstellen dat Mien de laatste persoon was die ik ontmoet had. De een na laatste bedacht ik me toen ik langs een mannetje liep die zich ook door de gangen heen haastte. Hij groette me niet, maar dat had ik ook niet meer verwacht. De gewoonten in de Hemel wenden snel.
Mien, dacht ik weer. Toen ik voor haar deur stond. Ik wist niet waaraan ik de deur eigenlijk herkende, maar de rode stip Daar was het enige rode dat nog op het papier stond. Ik moest Hier dus zijn. De gedachte werd overgenomen door de plattegrond en onder mijn ogen veranderde de D in een H de A in een I en de ander ineen E. Nog voor de laatste letter veranderd was had ik al aangeklopt. Twee bescheiden klopjes op de deur. Vanachter de deur hoorde ik iets bewegen. ‘Jaah?’ klonk Miens energieke stem. ‘Ik ben het Mien!’ riep ik. Opgelucht dat ik haar weer hoorde. Zij zou vast raad weten. Zeker.
‘Kom er in, Martje. Nu al terug?’ Ze klonk verbaasd. Zelfs door de houten deur heen.
‘De plattegrond wees me zowaar de goede weg,’ riep ik vrolijk door de deur. Ik legde mijn hand op de gouden deur klink en voelde met mijn handen de gravures. Mien’s naam en een hele hoop cijfers erachter. Daar kon haar deur aan herkennen. Dat had ik moeten weten. Soepel ging de deur open. Mien zat in haar stoel en keek me energiek aan. ‘En wat voor goed nieuws had Jezus voor je?’
‘Geen goed nieuws,’ zei ik. Voor ik het wist zat ik op haar bed en vertelde ik mijn verhaal.

‘En nu? Ik moet haar bezoeken. Jezus’ aanbod is heel lief en ik wil het graag, maar dan moet ik haar bezoeken. Ik wil het niet. Waarom haar hier gelukkig maken, terwijl ze mijn moeders leven ook niet gelukkig heeft gemaakt. Terwijl ze op aarde alleen de moeite nam om zich zelf niet eens gelukkig te maken. Ik bedoel, waarom ik? Ik kreeg niet eens een erfenis.’ Schamperde ik. Ik zat te zeuren, dat wist ik. Maar haar bezoeken? De oude feeks.
‘Maak jij je er zelf een minder gelukkig mens mee, als je haar op zoekt?’
Deze vraag had ik van Mien, de hartstochtelijke, spontane, vrolijke, Mien niet verwacht. Zo serieus? Het liet me even nadenken. ‘Niet ongelukkiger, maar’ ik wist het niet. ‘Toch wil ik niet.’
‘Je durft niet?’
Haha, dacht ik in mijn hoofd. Zo kon je een klein kind uitdagen, maar ik zou niet zo voorspelbaar reageren. ‘Nee, natuurlijk durf ik wel. Het is gewoon… Dat ik niet wil.’
‘Wat wil je dan?’ Mien hield haar hoofd scheef en keek me geduldig aan.
Wat ik wil? ‘Niet naar oma.’
Mien zuchtte, ze steunde en kreunde zelfs. Overdreven verplaatste ze haar hoofd naar haar handen, haar handen verder naar haar haren. ‘Wat je wél wilt, Martje.’
‘Jezus’ aanbod aannemen.’ Zei ik schoorvoetend. Terwijl ik het zei, wist ik Mien’s antwoord al. Toen ze het antwoord gaf klonk het precies het zelfde als in mijn hoofd. Alleen voegde ze wat toe.
‘Dan moet je toch echt je oma bezoeken. Zeg niet dat je dat niet wilt, je valt in herhaling. Wees eens dapper, Martje. De Hemel is inderdaad niet altijd een paradijs.’
Ze had zo gelijk, dat ik er bijna rillingen van kreeg. Waarom wilde ik niet dat ze gelijk had? Vroeg ik me af. Omdat ik niets meer kon zeggen, geen weerwoord meer had. Stond ik op. Mijn mond hield ik stijf dicht en mijn voetstappen waren kuiltjes in het tapijt van Mien. Toen de deur dicht knalde bedacht ik me opeens dat ik niet eens gekeken had of de witte plekken nog op de muur zaten. Mijn herinneringen zeiden niets over gele floddertjes op de vloer. Ze vertelde alleen iets over laf zijn en in herhaling vallen.
Ik leunde tegen de deur en kreeg voor de zoveelste keer een brok in mijn keel. Voorzichtig viste ik de plattegrond uit mijn zak. ‘Waar wil je naar toe?’ vroeg die weer. Besluitloos als ik was gaf ik geen antwoord. Het ding dus ook niet. Ik kon me er niet toe zetten voor de deur van Mien te blijven staan, dus ging ik maar lopen. De plattegrond verdween weer in mijn zak. ‘Ik weet niet wat ik wil,’ zei ik in gedachten tegen hem. Het klonk verdacht veel op iets wat ik pas nog gehoord had. Maar het was wel de waarheid dus ik dacht het.

YMJArabians

Berichten: 9678
Geregistreerd: 10-11-05
Woonplaats: Somewhere

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 21-08-07 12:36

Leuk! Haha!

uniekhorse

Berichten: 987
Geregistreerd: 15-02-07
Woonplaats: Onna

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 25-08-07 22:09

Wanneer komt het volgende stukje ?

Zappa

Berichten: 2761
Geregistreerd: 10-10-06

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst: 25-08-07 22:48

ik ben ook echt benieuwd naar het volgende stuk

Fenn

Berichten: 6395
Geregistreerd: 13-08-04
Woonplaats: nederland

Re: [VER] De hemel is wel een huis.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 26-08-07 09:27

Het volgende stukje komt er zo aan Lachen
Hierna ben ik er weer een week niet, maar dit is een vrij lang stukje.


Lopen deed ik dolgraag. Vroeger, op de aarde, rende ik. Als ik aan het hardlopen was dan genoot ik. Wanneer ik teveel gedachten in mijn hoofd had, dan liep ik ze er allemaal uit. Stap, stap, stap. Ademhaling blijft oké en kilometers maken. Wanneer ik het idee had dat ik nergens meer aan kon denken, dan was het lopen een andere therapie. Opeens kon ik wel denken en dan vlogen mijn gedachten lekker met me mee. In de winter met een lange sportbroek en een trui aan en in de zomer met een kort short en een topje. En altijd mijn hardloopschoenen. Daarin voelde ik me beter dan in welke schoenen ook. Ook al waren ze versleten en lelijk. Ze zaten heerlijk en betoverden mijn voeten zodat ik kon rennen. Nu konden ze dat nooit meer doen. Zij waren op de aarde en ik … Was hier. Aan mijn hardloopschoenen denken maakte me alweer verdrietig. Toch probeerde ik dit keer eens niet mijn gedachten tegen te houden. Zouden ze mijn hardloopschoenen gelijk hebben weggegooid? Mijn ouders dan, of had ik ze aan toen ik begraven werd. Nee, vast niet. Waarschijnlijk had ik andere schoenen aan, gympen of zo. Ja, mijn gympen. En welke spijkerbroek? Ik begon te fantaseren over hoe heel mijn begrafenis eruit had gezien. Ik zag hoe mijn kist werd binnen gedragen door mijn broers, ooms en misschien mijn vader. Ik hoorde liedjes spelen op de achtergrond. Wat zouden ze spelen? Acda en de munnik, Lion King, James Blunt, Racoon, James Morissen. Dat was wat ik normaal een beetje luisterden, maar mijn ouders hadden er niets mee. Toch hoorde ik in mijn hoofd Acda en de Munnik spelen. Elisabeth slaap zacht, al heette ik niet Elisabeth, dat nummer vond ik nou eenmaal mooi. Er zou een kaars aangestoken worden en er zouden mensen zijn geweest die wat zouden zeggen. In mijn hoofd bekeek ik de kerkbanken. Ik zag mensen van mijn school zitten. Vriendinnen. Onbekende. Wat verder naar voor kwamen de betere vriendinnen en familie. Ik zag buren, mijn broers, ouders. Het was alsof een film zich in mijn hoofd afspeelde. Iedereen huilde. De speech die mijn moeder over me zou houden zou gaan over hoe ik was. Ik fantaseerde hem tot halverwege. In mijn hoofd hoorde ik hoe haar adem stokte in haar keel. Daarna vertelde ze door tranen heen nog maar één ding: ‘Ze was eerlijk, oprecht, had een mening en verkondigde die alsof ze in haar eentje de wereld wilde verbeteren. Het zou haar gelukt zijn, als ze nu niet …’ haar zin werd niet afgemaakt. Mijn vader liep naar voren en omhelsde haar. Er liep een rilling over mijn rug, terwijl ik door de gangen liep van de hemel en in mijn hoofd mijn begrafenis speelde. Had ik de wereld kunnen verbeteren? Ondertussen kon ik de video in mijn hoofd niet meer stoppen. Mijn vader bracht mijn moeder naar de bank en de muziek werd weer gestart. By your Side van Racoon.

Oh, It's Saturday, all right
Bring some beers and come on over
The latest Ben Folds Five
Right by your side
We're a team, you know
And I'll never let you go
You can pick a hundred fights
I'm right by your side
Right by your side

Half past wrong, talking way too much tonight
Sip another one with your favorite 'likie dies'
Smell the air, I swear it wasn't me now this time
We're gonna be, we're gonna be around 'till monkeys fly
Oehh, 'till they fly baby

I know that I ain't easy
It's difficult to please me
But you proved more than all right
Right by my side
You may mess up my hair
Torch it, shave it, I don't care
Because morale never dies when I'm right by your side
Right by your side


In mijn gedachte stopte de film daar. Mijn moeder naast mijn vader, de huilende mensen. Het beeld werd minder scherp. Ik merkte dat ik ook huilde. Toen ik me tegen de muur liet zakken besefte ik weer waar ik was. Het beeld verdween, maar bleef wel vaag in mijn achterhoofd hangen. Ik kroop in elkaar en hoopte dat dit beeld daar altijd zou blijven.

Ik keek pas op toen iemand zachtjes aan mijn schouders schudde. Toen ik opkeek zag ik Mien bezorgd naar me kijken. Ik probeerde te glimlachen om te laten zien dat het goed ging. Het was geloof ik niet erg geloofwaardig. Mien haar ogen bleven staan op stand bezorgd. Dus probeerde ik op te staan. Het ging moeilijk, mijn benen waren stijf. Dat deed me beseffen hoe lang ik op de grond gezeten moest hebben. Het was raar, want in de hemel hoorde ik dit toch niet te voelen?
Toen Mien me overeind geholpen had was het gevoel ook alweer weg. Blijkbaar hadden spieren wel gewoon moeite met dit soort dingen, al deden ze geen pijn.
‘Weet je al wat je wilt?’ Vroeg Mien, terwijl ze een stukje met me meeliep.
‘Nadenken,’ zei ik bedachtzaam. ‘Ik weet het nog steeds niet zeker, maar ik wil nadenken. Mezelf over halen. Ik weet wat ik moet doen.’
Mien sloeg een arm om me heen. ‘Ik ben trots op je. Als je Johanna ontmoet heb, stel je haar dan ook aan mij voor?’
Mien wist wat ik moest doen. Mien zou het altijd weten. Ze draaide zich om en ik wist dat zij het ging doen wat ze moest doen. En ik zou mezelf proberen over te halen te doen wat ik moest doen. Waarom was het allemaal zo ingewikkeld?
De plattegrond bracht me naar mijn eigen kamertje. Terwijl ik er binnenkwam voelde ik me alleen. Behalve dat voelde ik me ook anders. Het bankje leek misplaatst in een kamer die zoveel op die van Mien leek. Het kamertje wat ooit gewoon een mooi kamertje was, leek nu op één van de vele. De spiegel toonde precies dezelfde persoon als de vorige keer dat ik daarin keek en dat stoorde me. Ik hoorde op zijn minst iets veranderd te zijn.
Toen ik op mijn bed ging zitten wist ik wat ik ging doen. Ik wist alleen nog niet wanneer. Het duurde niet lang voordat ik in slaap viel.
In mijn dromen beleefde ik mijn begrafenis weer.
Ik werd wakker met Racoon in mijn hoofd en het zinnetje van mijn moeder: ‘‘Ze was eerlijk, oprecht, had een mening en verkondigde die alsof ze in haar eentje de wereld wilde verbeteren. Het zou haar gelukt zijn, als ze nu niet …’’
Als ik nu niet hier zat. Maakte ik in gedachte het zinnetje af. Al had ze dat nooit kunnen zeggen. Was ik echt zo, waarom kon ik mezelf dan niet vertellen wat ik vond? Ik bedacht me wat mijn moeder gezegd zou hebben. ‘Geef jezelf een schop onder je kont en ga.’
Ik kon mezelf dan wel niet onder mijn kont schoppen. Ik kon wel gaan.

Buiten de deur pakte ik de plattegrond weer uit het zakje in mijn rok. ‘Waar wil je heen?’ Vroeg het weer. Dit keer wist ik het antwoord, net als de vorige keer, maar nu durfde ik het te zeggen. ‘Johanna. Ik wil naar Johanna, mijn oma.’
De rode lijn leek verdacht kort. Toen ik braaf de kant op ging die gezegd werd leek de lijn ook verdacht snel korter te worden. In mijn hoofd had ik nooit een route sneller gelopen. Het einde van iedere gang leek op me af te vliegen. Voor ik het wist, of wilde, stond ik voor de deur. Johanna zag ik de deurklink gegraveerd. De rij cijfers was kleiner dan bij mij viel me op. Ik klopte aan met mijn tanden op mijn lippen en een wee gevoel in mijn maag.
Deed even mijn ogen dicht en probeerde mijn oma, de oude feeks, voor de geest te halen. Wie zou ik te zien krijgen. De enige die in mijn hoofd kwamen waren mijn moeder en Mien. Ze leken verdacht veel op elkaar. In mijn hoofd knikten ze goedkeurend toen ik voorzichtig weer aanklopte.
‘Ja?’ klonk er vanuit de achtergrond. Een rilling gleed over mijn rug.
‘Wie daar?’ hoorde ik dezelfde stem zeggen. ‘Toch niet weer zo’n stelletje jongelingen dat denkt dat de hele hemel van hen is hè?’ Ze klonk nog steeds venijnig. Ik herkende haar, want zo klonk ze precies als ze altijd geklonken had.
Ik hoorde gestommel van achter, kon het niet opbrengen om wat te zeggen. Wat deed ik hier?
De deur vloog opeens open. Mijn hand gleed van de deurklink. Ik keek recht in het gezicht van mijn overleden oma.
‘Waarom, stomme jongeren verpest je naast mijn leven op aarde, mijn leven hier ook! Ga eens iemand anders pesten rot …’ Haar stem stokte in haar keel toen ze mij zag en ze keek onthutsend raar uit haar ogen.
Het vrouwtje met nog steeds hetzelfde grijze haar, ik herkende het mislukte permanentje van hoe ze opgebaard was, een rimpelige huid en een kromme rug. Was ik hier bang voor geweest?
‘Hoi Oma,’ zei ik om de stilte, die hard gevallen was, op te vullen.
Haar opgeheven handje viel naar beneden. ‘Maria?’
Hoewel ik die versie van mijn naam niet eerder had gehoord, begreep ik dat ze mij moest bedoelen. Dus ik knikte.
De vrouw keek me verbaasd aan. ‘Je bent jonger dan ik had gedacht,’ zei ze uiteindelijk. Wat moest ik hier nou weer op antwoorden? Terwijl ik nog naar het juiste antwoord zocht deed ze de deur al wat verder open. ‘Kom erin. Al zou ik je eigenlijk weg moeten sturen. Ik hoor niet met zo’n jong iemand om te gaan.’
Ik volgde haar door de deur. Haar vinger wees naar het bankje en zelf nam ze het bed. De kamer leek identiek aan die van mij. Alleen waren de lijstjes al gevuld. De moeite nam ik niet om te kijken. Mijn oma zat tegenover me. Ik had wel wat beters te doen.
Ze was niet anders dan op de aarde. Behalve dat ze haar mond nu dicht had. Het was een verbetering besloot ik zwijgend. Dat bevelen was niets. De hele tijd maar kwetteren dat wij zo slecht waren. Zoals ze alweer begon toen ik aanklopte! Dat was ze vroeger altijd. Verzuurd en oud en bazig. Gelukkig was ze hier een beetje veranderd.
Of zat ze net als ik met haar mond vol tanden? We settelden ons op het bankje en het bed. We bekeken elkaar. Onbeschaamd liet ik mijn ogen over haar heen glijden. Ik zag nu pas hoeveel ze op mijn moeder leek.
‘Hoe ging het met je moeder, voordat ze overleed?’ vroeg mijn oma voorzichtig.
‘Het ging,’ ik aarzelde. Voordat zij overleed. Mijn oma wist toch dat ik eerder… ‘Het ging zijn gangetje geloof ik. Alleen hoe het ging nadat ik…’ Moest ik het subtiel brengen? Ik haalde voor de vorm nog een keer adem. ‘Nadat ik overleden was dat weet ik niet.’
Het oude vrouwtje voor me stortte bijna in. Ze greep mijn knie om niet van haar stoel te vallen, haar handje voelde broos aan. Nog erger dan bij Mien. ‘Heeft ze haar kind moeten verliezen? Och, arme. Je bent natuurlijk ook te jong. Ik had het moeten weten. Och arme.’ Zei ze alleen maar. Ze schudde haar hoofd en keek me aan. Ik zag tranen in haar ogen. ‘En je moeder had al zo’n zwaar leven. Och arme.’ Ze schoof naar voren. ‘Weet je of ze hier is? Ik weet dat jij connecties heb met Jezus, anders had je me niet op deze manier gevonden, is ze hier?’ Ze keek me hoopvol aan. Haar handje op mijn knie, twee vochtige ogen die me niet fel, maar verdrietig aankeken. Hoe kon ik haar ooit vertellen dat…
‘Volgens, volgens Jezus,’ begon ik aarzelend en hakkelend. Mijn blik wende ik af. ‘Volgens Jezus is ze hier niet Oma. Ze is ergens tussen alles in.’ Meer kon ik niet zeggen, want ik zag mijn Oma nu echt instorten. Ze gleed niet van haar stoel, maar haar hand gleed van mijn knie en ze keek opeens toonloos voor zich uit. Uit haar ooghoek kwam een traan naar beneden gebiggeld. Ze maakte verder geen geluid. Ik huiverde toen ik zag hoe ze huilde. Ze huilde om mijn moeder, haar kind, die ze nooit meer zien zou.
Hoe vaak ik in de hemel was getroost, is bijna niet meer te tellen. Dit keer deed ik een poging. Ik legde mijn hand op haar knie. Probeerde een woord te vinden om te zeggen. Het zoeken was niet te doen. Ik wist echt niet wat ik moest zeggen en hield mijn mond dus maar. Ik liet haar tranen over haar wangen stromen en voelde een brok in mijn keel. Ze was veranderd hier, op de aarde had ze nooit gehuild. Ze was veranderd en ik wist dat dit mijn oma was. Kon ze hier nog een beetje Oma zijn, al had ik niet verwacht, dat ik mijn oma ooit had moeten troosten. Wat ik ook niet kon. Geluidloze tranen, mijn hand op haar knie, een brok in mijn keel. Dit had geen woorden nodig. Voorzichtig leunde ik naar voren en sloeg mijn armen om haar heen. Ze liet zich stijf omhelzen, maar toen voorzichtig, gleden haar armen ook om mijn rug.
‘Het is goed meisje,’ zei ze na een tijdje. ‘Het is goed oma.’ Antwoordde ik. Mijn oma huilde zachtjes na, toen ze uitgeschokt was keek ze me aan met een betraand gezicht. Ze veegde teder een haar van mijn voorhoofd. Toen stond ze, zwaar leunend op mij, op. Ze liep naar de wand en pakte er voorzichtig een fotolijstje af.
‘kijk, dit is je moeder. Ik heb een poging gedaan haar te tekenen. Herken je haar?’ Ik keek naar de tekening en zag een mooi jong meisje. Ze keek oprecht op de tekening en ik herkende wat van mezelf. ‘Ze was nog jong daar, maar zo herinnerde ik me haar het best.’ Legde mijn oma uit. Ik keek nog eens goed en wist opeens zeker dat mijn moeder zo was. Door de oprechte blik heen zag ik zelfs wat koppigheid. Het hele portret was, adembenemend mooi. Behalve dat ik in de hemel geen adem had om te benemen. Dat vertelde ik oma ook. Ze moest lachen.
‘U kunt prachtig tekenen. Hebt u nog meer mensen getekend?’
Oma knikte en haalde één voor één de lijstjes van de wand. De meeste waren oude vrienden van haar, waarvan ik niet wist dat ze die had gehad op Aarde. Verder was er een tekening van mij, toen ik een tien jaar was en een paar van mensen die in de hemel leefden. Ik herkende er geen, tot de laatste. ‘Maar dat is Mien!’ riep ik uit. Het was echt Mien. Ze keek me aan met haar Mienblik en zat met haar knieën op de grond. ‘U hebt echt talent.’ Riep ik terecht, kijkend naar de tekening die bijna een foto was. Mijn oma schudde bescheiden haar hoofd.
‘Had ik maar talent, dan kon ik veel mooiere dingen maakte.’
‘mooier dan dit kan bijna niet. Heeft Mien deze wel eens gezien? Oh, ze lijkt echt precies.’ Bewonderend keek ik naar mijn oma.
Die knikte. ‘Ja, ze heeft er ook een van mij. Mien en ik zijn…’ ze stopte even en ik keek haar onbegrijpend aan. ‘Mien en ik zijn vriendinnen.’
‘Maar dat had Mien mij nooit verteld!’ riep ik uit. ‘Ik heb haar ontmoet hier in de hemel, en, nou. Zij is ongeveer de reden dat ik hier toch heen gekomen ben.’ Oeps, iets minder tactisch. ‘Ik bedoel dat, uhm.’ Me eruit redden kon ik geloof ik niet meer en m’n oma keek me niet eens zo boos aan. ‘Ik was eerst niet van plan u op te zoeken.’ Legde ik toen maar uit. ‘Op de aarde was u. Nou ja,’
‘Niet zo aardig?’ Vulde mijn oma aan, ‘Of, een zure oude taart?’ suggereerde ze. ‘Wat dacht je van een moordenares, oude feeks of gewoon een rotmoeder?’
Ik slikte, maar zij keek er wel vrolijk bij. ‘Die laatste had ik nog nooit gehoord.’ ‘O, die gebruikte ze niet in jouw bijzijn? Maar de rest herken je wel degelijk. Ik wist wel hoe jouw moeder over mij dacht.’ Ze zuchtte, maar rechtte toen haar rug weer. ‘Ik had het nog goed willen maken hier. Ik had het willen uitleggen.’
Dat schoot in het verkeerde keelgat, het kon niet meer, maar het had ook nooit gekund. ‘Viel er wat uit te leggen dan? U had hooguit sorry kunnen zeggen volgens mij.’ Viel ik boos uit.
Mien trok zich onder mijn bozen woorden iets terug naar achter.
‘Beseft u wel dat u het leven van mijn moeder eigenlijk verpest had. Beetje laat om na haar dood alles uit te gaan leggen, niet?’ Ik wist opeens niet meer waarom ik medelijden had met mijn oma. Ach, ze was wel een beetje zielig, maar dit schuldgevoel, was grotendeels haar eigen schuld. ‘U had tijdens uw leven ook tijd om na te denken hoor. Zoveel werd er niet aan uw kop gezeurd, liet u niet aan uw kop zeuren! Weet u wat ik niet snap? Dat u hier gaat huilen, omdat mijn moeder dood is, maar ze toch nog langer heeft moeten leven dan ik en alles. Dat, is. Nou!’ Ik kwam verdomme niet eens meer uit mijn woorden en was ondertussen allang opgestaan. Waardoor ik op mijn Oma neerkeek en het nog meer opviel dat ik met een bek vol tanden stond. fiets it ook! Bedacht ik boos. ‘U had gewoon tijdens u leven al aan andere moeten denken.’ Besloot ik toen maar. Voor mijn oma kon antwoorden, voor ze überhaupt eraan kon denken haar mond open te doen, draaide ik me om. Boos stampte ik naar de deur. ‘Tot ziens oma, u kunt prachtig tekenen. Bent u ook te laat mee begonnen, want op aarde kon je daar ook nog eens iets mee.’
De deur sloeg bevredigend hard achter me dicht.

Uiteindelijk kwam ik uit voor de deur van Jezus. Ik was nu bij mijn oma langs geweest en dat was de voorwaarde dat ik daar mocht werken. Dus nu wilde ik dat doen ook. De woede op mijn grootmoeder was langzaam weggeëbd tijdens een lange wandeling door de gangen. En tegen de tijd dat ik mijn plattegrond tevoorschijn had gevist voelde ik alleen nog een soort rust. Ik was er helemaal klaar mee. Hooguit nog bij Mien verhaal halen, of haar wat vragen en dan had ik het weer gehad met Mien tut Johanna de oma. Toen ik op de deur klopte en het zangerige ‘ja?’ van Jezus horen wist ik het weer. Ik zou gaan werken. Ik zwaaide de deur open. ‘Ik ben bij oma langs geweest.’ Zei ik triomfantelijk. ‘Nu kan ik gaan werken.’ Voegde ik toe.
Jezus knikte te vrede, ‘dat is mooi. Een goed gesprek gehad?’
Ik gaf geen antwoord en liep naar de computer die Jezus mij al eerder aan had gewezen. ‘Is deze nu voor mij?’ vroeg ik brutaal.
‘Ja, helemaal voor jou. Ik zal je zo uitleggen wat en hoe je kan doen. Het moet niet te moeilijk, of te verantwoordelijk zijn. Dat mag dan weer net niet. Maar hoe was het gesprek met je oma?’ bracht Jezus het onderwerp weer terug.
‘Goed,’ zei ik maar, om hem af te wimpelen. Ik ging aan het bureau zitten. Mijn bureau nu, dacht ik te vrede. Het scherm op Mijn bureau leek op degene die we thuis hadden en de computer, onder Mijn bureau aan de rechterkant, leek op de computers van thuis. Toen ik mijn handen op Mijn toetsenbord legde zag ik dat de letters op de zelfde onbegrijpelijke manier lagen. Er waren een paar knopjes waar ik niets van snapte, maar daar maakte niet uit. Het voelde als thuis. Blijkbaar zag Jezus de glimlach op mijn gezicht. ‘Hij is goed?’ Informeerde hij, wat nutteloos was. Ik wist zeker dat ik het al van alle kanten uitstraalde.
‘Ja dus,’ zei Jezus blij. ‘Nou, zet hem dan maar aan ook.’
Ik zocht naar het alom bekende knopje op de computer, maar vond niets. Geïrriteerd liet ik m’n hand wel duizend keer over de gladde box glijden, maar al wat ik voelde waren de gleufjes waar je disks in kon duwen. Toen ik op keek, met een rood hoofd, zag ik Jezus geamuseerd toe kijken. ‘Hoe?’ Vroeg ik geïrriteerd. ‘Er is geen knopje.’ Ik gebaarde naar het apparaat.
‘Ik zal het je voordoen.’
Hij liep naar mij en de computer toe, keek recht naar het beeldscherm en zei:‘Ga aan.’ Ik hoorde de computer zachtjes gaan zoemen op zijn commando. ‘Zo simpel is het.’ Zei Jezus. Simpel? Dacht ik. Er kwam kleur op het computerbeeldscherm en een hoos aan pictogrammen. Mijn hand ging automatisch naar de rechterkant van het toetsenbord, waar de muis hoorde te zitten, maar die was er niet. ‘Ik denk,’ begon ik. Mijn mond klapte weer dicht toen ik wat teksten onder pictogrammen las, “Binnenkomen Gebeden.” “Weer en Klimaat” “lijst met wachtende” “oorlogen” “voedselketen” “dierenbelangen” ‘Kan je het me uitleggen?’ vroeg ik Jezus uiteindelijk.


Laatste stukje kunnen nog wat fouten inzitten.