[VER] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
Kimmm

Berichten: 1739
Geregistreerd: 19-04-05
Woonplaats: Tiel

[VER] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 24-07-07 16:03

Uiteindelijk ben ik een half jaar geleden begonnen met het schrijven van een nieuw verhaal na het vorige te hebben afgerond Lachen Na het op bokt geplaatst te hebben, veel leuke reacties gekregen te hebben en uiteindelijk geen inspiratie meer te hebben, ben ik gestopt met schrijven.
Nu, een paar weken later toch maar weer pen en papier erbij gepakt. Ik kan het toch niet laten... Lachen Een groot deel heb ik herschreven na research en toch weer een nieuw stukje erbij geschreven. Daarom toch weer een poging om het met jullie te delen.

Citaat:
Twee levens, twee meiden, zwart en blank. Zoveel verschil, zoveel overeenkomsten. Passies die gedeeld worden, maar heuvels die de werelden van elkaar scheiden.

De warme zon lijkt haar donkere huid bijna te strelen. Haar oogleden en krullende, lange wimpers beschermen de ogen voor het felle licht. Knijpend met haar ogen kijkt Adannaya naar de helderblauwe lucht. Haar slanke vingers strijken over haar platte buik, waarna ze hard tegen haar ribben stoten als ze omhoog langs haar borst strijkt. Een leeg gevoel in haar maag. Een gevoel wat alle mensen om haar heen lijken te hebben. Een gevoel wat er altijd al lijkt te zijn geweest, al negentien jaar lang.
Holle, donkere ogen kijken haar vanaf de overkant van de weg aan. De kinderen lachen naar elkaar met glinsterende ogen en plagen elkaar. Vrolijke kinderen op het eerste gezicht. Maar kinderen die het moeilijker hebben, dan mensen denken. Dikke buiken waar later de aandacht naar toe getrokken wordt. Dikke, opgezwollen buiken van de honger. Honger. Een begrip in het dorp waar niemand over praat. Een taboe. Een begrip wat de hele wereld kent, maar wat maar weinig mensen in het Westen, in vergelijking met Afrika, echt gevoeld hebben. Honger. Het lege gevoel in haar maag houdt aan.
Voor haar strekt een wereld van vervallen en armzalige huisjes zich uit. Overal mensen om haar heen. Gekleurde stoffen van de kleding lijkt de ruimte om haar heen te vullen met vrolijkheid. Een schaterlach van een kind klinkt in haar oren. Korte, zwarte kroesharen bewegen door de wind als ze haar hoofd draait om de straat te overzien. Ogen die snel neergeslagen worden. Haar oogleden proberen de felle stralen van de zon tegen te houden als ze haar hoofd weer terug draait. Opnieuw slaan ogen zich voor haar neer. Frustrerend zet ze haar handen in haar zij. Waarom? Waarom kijken mensen haar nooit aan? Waarom niet? Er is toch niets mis met haar? Toch? Zij kan er ook niets aan doen dat haar broertjes en zusjes zijn overleden aan de ziekte? Een ziekte waardoor ze diaree kregen en geen vocht meer vast konden houden?
Haar donkerbruine ogen bestuderen haar lange vingers. Maanden geleden bleven de rode zandkorrels aan haar handen plakken tijdens het dichtgooien van de kleine kindergraven. Droge takken symboliseren het kruis van hun nagedachtenis. Drie weken later sterft haar moeder. Een ongelukkige val waardoor haar onderbeen kapot is gegaan. Zonder de donkere huid om haar lichaam te beschermen was haar lichaam het doelwit voor infecties. Ze haalt haar neus op als ze denkbeeldig de geur van het been opsnuift tijdens de laatste paar dagen van haar leven. Haar ooit zo trotse Afrikaanse moeder lag als een zielig hoopje op bed. Zweet parelde langs haar lichaam op de weinige dekens die in hun bezit waren. Het kostte Adannaya’s laatste krachten om opnieuw een graf te graven, een graf voor haar moeder in het rode zand. Zand met de kleur van de avondzon.

Gedachten aan haar vader borrelen naar boven, gedachten die ze heeft geprobeerd te negeren. De herinnering komt weer naar boven. Plotseling. Heftig. ‘Ga lekker slapen, prinsesje. Papa komt snel weer thuis. Ik ga eten halen, dan hoeven we nooit meer honger te hebben. Nooit meer.’ Een fluistering in haar hoofd. Zijn heldere stem. De laatste woorden van een wijs man. Een vredelievende en slimme man. Een man die is weggegaan en nooit meer is teruggekeerd. De tranen wellen op uit haar ogen. De eerste tranen trekken natte strepen over haar wangen. De druppels vallen schitterend in het zonlicht op de rode grond voor haar blote voeten uiteen. ‘Pap, waar ben je? Ik ben helemaal alleen.’ Een snik welt achter in haar keel op. Ze slaat haar ogen op naar de blauwe hemel. Zijn stem echoënd in haar gedachten.

Bijna woest veegt ze de tranen van haar wangen, waardoor ze in het rond vliegen. Haar stem een fluistering in de lucht. ‘Adannaya, niet huilen! Niet doen! Niet waar alle mensen het kunnen zien. Je moet sterkt zijn, voor jezelf. Wees sterk…’ De harde waarheid dringt zich opnieuw naar voren. Eén moment lijken haar ogen zich te vergroten. Glashelder lijkt de waarheid voor haar gezicht te zweven. Machteloos volgen haar bruine ogen de contouren van de heuvelachtige omgeving. Rood zand, overal. Een enkele struik, een enkele boom. Voor haar verschillende huizen, donkere mensen in de koele schaduw. Vluchtend voor de warmte van de zon. Enkele koeien in een kleine kraal bijeen. Stof waait op als ze hun benen verzetten. Een mooi land, een land met veel mogelijkheden, maar een land waar honger en dorst heersen. De stof op haar voeten maakt haar voeten donker rood. Het wiebelen van haar tenen laat kleine wolkjes stof opstuiven. Een land waar droogte heerst en de zon het voor het zeggen heeft. Geen groen gras langs de bermen, maar dode, droge takken. Geen bomen volgeladen met glimmende rode appels of met grote peren.

De honger laat haar maag pijnlijk samenknijpen in haar lichaam. Het lijkt haar leven te overheersen, net zoals het de levens van de mensen om haar heen overheerst. Het maakt het moeilijker. Lastiger. Haar ogen tasten de droge omgeving af. De hele dag draait erom om voedsel te verzamelen. Voedsel om elke dag maar weer te overleven. Een witte wolk drijft geruisloos voorbij. Zacht voortgestuwd door de wind. Verlangen maakt zich van haar meester. Het lijkt haar bijna vleugels te geven. Wat zou er achter de horizon zijn? Een nieuwe wereld? Een groene wereld? Een wereld zonder honger? Een wereld zonder angst? Een wereld die niet alleen maar draait om overleven? ‘Wat zou ik daar graag naar toe willen.’ Een fluistering over haar lippen.

De warmte laat de lucht trillen boven de uitgedroogde, maar bewerkte velden. Twee weken geleden groeven haar donkere vingers in de rode aarde om het kwetsbare zaad te verspreiden in de droge grond. Het gehele dorp hielp elkaar met het opnieuw inzaaien van het droge akkerland. Honderden geleegde emmers met water over het land, gedragen door tientallen donkere mensen, volwassenen en kinderen, om de nieuwe zaden een kans te geven om te groeien. Voedsel. Akkerland wat alleen de kleine zaden succesvol verder kan laten groeien, als de donkere wolken weer terugkeren van over de verre heuvels. Dikke regendruppels die de grond natmaken totdat het verzadigt is en voor nieuw leven kan zorgen.
‘Adannaya! Wil je me komen helpen met het eten?’ Een harde, maar hartelijke stem bereikt haar oren. Een oudere vrouw met een trotse houding en een kind op haar heup staat naar haar te kijken. Snel slaat ze haar ogen neer. ‘Hier.’ Donkere ogen vol met schitteringen kijken haar aan als ze het kleine meisje in haar armen gedrukt krijgt. De dikke buik van het meisje drukt tegen haar ribben. Een mooi lied wordt door het kleine beetje wind meegedragen. Gezongen door een heldere stem. De vrouw verzamelt de kleine, gedroogde takken voor een vuur. ‘Adannaya, een feestmaal vanavond! Dayo heeft een konijn geschoten!’ Na een uur bereikt de geur van warm voedsel haar neus. Met een smachtende blik lijkt Adannaya nu al te genieten van de komende maaltijd. De kleine kom met een waterig mengsel met flinterdunne stukjes echt vlees, is veel te klein. Haar tong en keel branden door de hete vloeistof. Bijna schamend slaat ze haar ogen op, als ze de lege kom voor haar blote voeten op de grond zet. ‘Kind, heb je zo’n honger?’ Knikkend laat ze haar antwoord weten. ‘Ik heb niets meer voor je, alles is op. We moeten wachten totdat m’n man terug is met nieuwe voorraden. Wie weet hoe lang hij nog wegblijft. Ik kan je niets meer geven, Adannaya. Anders hebben we zelf niet genoeg meer. Het spijt me.’ Een traan rolt van de gerimpelde wang van de vrouw tegenover haar. ‘Het spijt me echt.’
‘Au… Au… Nee… Haar handen worden wit als ze haar buik stevig omvatten. Pijn snijdt door haar buik door de krampen. Voedsel in haar maag, eindelijk. Misselijk welt zich in haar op. ‘Nee…’ Na zoveel dagen zonder voedsel. Voedsel wat de afgelopen weken heeft bestaan uit droge wortels van planten uit de grond en kleine insecten. Na enkele minuten heeft de volheid van de karige maaltijd plaats gemaakt voor het eeuwige gevoel van nieuwe honger.

Met een ruwe beweging wordt ze moeiteloos op de rode grond gesmeten. Een lage, grommende stem dicht naast haar oor. Zijn warme adem strijkt langs haar wang. ‘Waag het niet nog eens, meisje.’ In plaats van de kilte van angst te voelen, borrelt de hitte van woede in haar lichaam omhoog. Haar blauwe ogen schitteren in de felle stralen van de zon. ‘Blijf van me af…’ Haar stem lijkt sissent uit haar keel te komen. Door de kracht van de vlakke hand op haar wang wordt ze achterover geworpen. De metaalachtige smaak van bloed in haar mond. Rood stof dwarrelt uit haar lange, blonde haren als ze omhoog krabbelt. Knipperend en knijpend met haar ogen blijft ze staan als duizeligheid zich van haar meester probeert te maken. Twee donkere mannen staren het meisje van achteren aan. Twee paar donkere ogen met dezelfde meedogenloze blik. Dezelfde mannen namen haar drie dagen geleden mee. De beelden staan bij het lange, slanke meisje nog scherp op haar netvlies.

Nadine schrikt wakker uit een droomloze slaap, onduidelijk waarom. Een schrapend geluid buiten langs de muur. Stilte. Voetstappen naar het openstaande raam. Droomt ze nog? Of is ze wakker? Ze heft haar hoofd op van het kussen, haar oren zorgvuldig vrijhoudend. Opnieuw voetstappen. Bewegingsloos volgen haar ogen de onzichtbare man achter de muur van haar slaapkamer. Gordijnen die bewegen. Haar armen en benen verstijven. Haar open mond vertrekt in een geruisloze gil. Geen geluid. Ruwe handen trekken haar het bed uit en laten rode plekken achter op haar blanke huid, waarna ze over de brede schouder van de donkere man wordt gegooid. De warme dekens vallen naast het bed op de grond en blijven in een hoop alleen liggen. De bries uit het openstaande raam laat de warmte snel oplossen in de kou van buiten. De grote spiegel op de wand van haar slaapkamer volgt getrouw de beelden die het te zien krijgt. Haar gedachten draaien rond in haar hoofd. Wat gebeurt er? Wat gaan ze met haar doen? De grond voelt koud aan als hij haar minder voorzichtig uit het raam naar buiten laat zakken. Een rilling trekt door haar lichaam en laat haar onbewust schokken. Haar handen trekken de stof van haar pyjama dicht tegen haar lichaam aan om de warmte te behouden. De blauwe ogen vliegen door haar omgeving heen.
De zachte gloed van de sterren verlicht haar blanke huid. Angst neemt haar lichaam opnieuw in de greep en laat haar verstarren als een tweede gereedstaande man tevoorschijn komt. De grote donkere handen van de man graaien in zijn weinige kleren. Zijn witte tanden schitteren in het weinige licht als zijn mond zich vertrekt in een grijns. Een vieze oude lap bungelt voor haar gezicht. ‘Geen woord.’ De angst lijkt haar borst te pletten onder de grote druk. Een dichtgeknepen keel. Haar neus vangt onbewust de geur van de lap op. Misselijkheid maakt zich van haar meester. Kokhalstent ligt ze op de grond. ‘Hou op!’ Een stille grom komt diep uit de keel van de andere man als hij achter het meisje uit het raam klimt. Zijn handen grijpen naar het lichaam van het meisje. Zonder nog enige woorden te verspillen wordt Nadine omhoog op het lange benen getrokken. Een grote hand sluit zich bijna pijnlijk om haar pols als ze rennend het terrein verlaten.

Onmerkbaar geeft de man voor haar na enkele uren eindelijk een stopteken. Totaal uitgeput laat Nadine zich naast een boom zakken. Haar hoofd zakt op haar knieën. Rood stof op haar voeten en benen. Achter haar gesloten ogen tollen haar gedachten door haar hoofd. Waar ben ik? Wat gaan ze met me doen?
Beide mannen slaan geen acht op het meisje en spreken zacht met elkaar. Nadine’s blanke huid wordt helder verlicht door de maan in de zwarte lucht boven haar. Donkere wolken drijven over het groepje heen en werpen donkere schaduwen op. Wolken zwaar van het regen, maar regen wat niet naar beneden valt. Een droog land wat snakt naar een paar druppels water. Water voor de planten, de dieren, de mensen. Water wat leven geeft.
Van onder haar half gesloten oogleden probeert ze de mannen te bestuderen. Twee donkere mannen, beiden groot, breed, sterk. Kort krullend haar, kroeshaar. Mannen die goed doorvoed lijken, totdat één van hen zich naar haar toedraait. Zelfs in het donker steken zijn ribben bijna zichtbaar door de huid heen. Mensen die leven van de honger. Toch hebben ze een krachtige uitstraling. Een onbekende taal sprekend, maar toch kunnen ze ook Engels spreken. Waarom hebben ze haar meegenomen? De kou dringt vanaf de grond via haar voeten en benen haar lichaam binnen. Een huivering trekt door haar lichaam heen. Kippenvel beweegt zich omhoog langs haar rug. Haar vingers trekken de overgebleven stukken stof van haar pyjama strakker om haar lichaam heen om het laatste restje warmte binnen te houden. Het lijkt bijna een onmogelijke taak. Haar mooi gelakte vingernagels zijn afgescheurd en donker van de rode aarde. ‘K-k-koud…’ De grootste van de twee mannen gooit achteloos een wollen deken naar haar toe. Stof wordt opgeworpen in de lucht als het voor haar op de grond komt. Dankbaar slaat ze het om haar schouders. De ruwe stof schuurt over haar blanke huid, maar houdt haar lichaamswarmte vast. De mannen lijken geen plannen te hebben om een vuur aan te maken voor warmte. Wanneer komt de zon op? De duisternis van de nacht lijkt eeuwigheid te duren. Wanneer wordt het weer licht?

Wat zullen de mannen met haar doen? Alleen ontvoeren voor losgeld? Verkrachten? Misschien zelfs vermoorden? Zullen ze haar laten gaan en genoegen nemen met alleen losgeld? Vast niet. Waarom zouden ze dat wel doen? Haar ogen flitsen door haar omgeving. Warmte stroomt door haar lichaam heen. Een fluistering van haar lippen. ‘Ik laat me niet ontvoeren!’ De zin blijft in de lucht hangen als een strijdkreet. Droge bladeren kraken zacht onder haar benen als ze steeds verder uit het zicht van de mannen voor haar schuift. De mannen lijken het niet op te merken en praten door. De bast van een boom duwt hard in haar rug als ze er tegenaan leunt en beschutting zoekt. De blauwe ogen zoeken de omgeving af naar herkenningspunten. Welke kant op? ‘Waar kwamen we vandaan?’ Haar hoofd draait alle kanten op om de omgeving te overzien. Haar benen en voeten verplaatsen zich in het rode zand rond de boom. Droge bladeren knisperen als ze haar voeten neerzet. ‘Rustig aan. Geen geluid maken. Stilte…’ Vermanend spreekt ze zichzelf toe. Voor de laatste keer bestudeert ze naar haar ontvoerders van een afstandje, maar nog steeds lijken beide mannen geen acht op haar te slaan. Nu is het moment. Nu. Gaan! Met een explosie van kracht springt ze op en rent ze met grote sprongen weg. ‘Waar moet ik heen?’ Gedachten tollen door beginnen haar hoofd. Droge, afgebroken takken slaan tegen haar blote benen. Scherpe doornen van struiken haken zich in haar huid vast als ze erlangs rent. De donkere deken dicht tegen haar huid aangedrukt om haar blanke huid te beschermen tegen het licht van de maan.


Ben er nog niet helemaal tevreden mee en uiteindelijk zal het vast nog wel een keer veranderen Vork
Laatst bijgewerkt door Mireille op 14-08-07 13:21, in het totaal 1 keer bewerkt
Reden: [VER] > [VERH]

Kimmm

Berichten: 1739
Geregistreerd: 19-04-05
Woonplaats: Tiel

Re: [VERH] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 24-07-07 19:05

Citaat:
Het vuur wordt steeds kleiner, nadat het uiteindelijk verdwijnt achter een volgende heuvel. Haar voeten glijden weg over losse stenen als ze omhoog klimt. Een aantal keer stoten haar tenen pijnlijk tegen stenen. Tranen springen in haar ogen. Stenen kletteren met veel lawaai naar beneden en nemen nieuwe stenen in hun val naar beneden mee. Haar handen zoeken ondertussen haastig naar steunpunten om haar lichaam mee omhoog te trekken. De ruwe stukken rots schaven de blanke huid van haar handen. Niets, geen steunpunten. Haar spieren in haar armen en benen spannen zich aan en staan strak. ‘Nadine, kom op! Je moet hier weg. Nu!’ Haar tanden bijten op haar lip. Een druppel helderrood bloed welt op als ze te hard bijt. Er wordt geen aandacht aan besteed. ‘Kom op!’ Op haar tenen staand glijden haar handen over het gladde stuk boven haar. Waarom heeft ze niet beter gekeken welke heuvel ze opklom? Waarom heeft ze niet naar boven gekeken? ‘Nee… Alsjeblieft…’ Haar hoofd heft zich naar de donkere lucht boven haar. De heuvel lijkt steil omhoog te klimmen. Maanlicht verlicht een deel van haar pad naar boven. Haar nagels breken en scheuren nog verder af als ze hulpeloos naar boven klauwt om een uitweg te vinden. ‘Ik moet hier weg!’ Wanhopig galmen de woorden door de lucht. Straaltjes bloed lopen van haar handen, over haar polsen totdat de druppels één voor één kapot op de grond vallen.
Steeds meer stenen rollen naar beneden. Het lawaai zwelt meer aan. Een sterke arm om haar middel. ‘Nee! Ik ga niet mee! Ik wil niet mee!’ Haar handen ballen zich tot vuisten en raken de zwarte man waar ze maar kan. Haar knokkels en vingers doen pijn van het slaan. Haar voeten zwaaien woest heen en weer. Met een minimale krachtsinspanning wordt ze meegenomen. ‘Laat me gaan!’ Tranen stromen over haar gezicht. ‘Alsjeblieft! Laat me gaan…’ Haar vuisten dalen nog steeds neer over zijn rug als ze over zijn schouder wordt gegooid. ‘Waarom?!’
Haar spieren ontspannen, ze laat haar hoofd hangen en laat zich wegdragen. Hulpeloos staren haar ogen naar de steeds kleiner wordende heuvel waar ze haar uitweg zocht. Geen uitweg meer. Geen ontsnapping meer.

Adannaya’s bruine ogen verwijden zich als de twee terugkerende mannen het blanke meisje meeslepen. ‘Wat?!’ De blanke hakken laten diepe sporen achter in het rode zand. Stof verzamelt zich in de lucht. Haar gezicht vertrokken in woede. Haar gehavende handen proberen met haar laatste kracht de donkere handen van haar lichaam te trekken. Een rode blos siert haar gezicht. Haar mond stuurt met een heldere stem verwensingen de lucht in. Haar benen en voeten laten opgedroogd bloed en dikke korsten zien. Donkere plekken verschijnen op het lichte shirt van de man. Druppels vocht parelen op zijn voorhoofd. De spieren van zijn armen gezwollen. Zijn donkere vingers diep verzonken in het vlees van de armen en schouders van het blanke meisje. Het bloed van haar handen laten rode vlekken achter op zijn donkere huid. De druppels bloed glinsteren in de zon. Door de kracht van de beweging beginnen de druppels te rollen en laten strepen achter, waarna ze in het zand vallen en met stof bedekt worden.

Uit de hutten lijken de mensen toe te stromen. Kinderen. Volwassenen. Moeders met kinderen op hun arm en aan hun rokken. De zon beschijnt de stoet met haar stralen. De blonde haren van het meisje op de grond lijken een gouden licht uit te stralen. Adannaya staat aan de grond genageld. De bruine ogen volgen de bewegingen van het meisje en de donkere man. Haar ademhaling gaat steeds sneller. De donkere borst van Adannaya gaat hevig op en neer. De spieren van haar hart spannen steeds sneller en vaker samen. Haar lippen worden geopend om haar longen meer zuurstof te laten opnemen. De woede kruipt vanuit haar buik naar haar borst. Krampachtig wordt het samengetrokken. Warmte verspreidt zich door haar lichaam en laat haar gloeien. Haar hoofd begint pijnlijk te bonken. Wat doen al die mensen hier? Waarom helpt niemand dat meisje? Waarom staat iedereen toe te kijken? Ongelofelijk! Waar hebben ze dat meisje vandaan? Wat gaan ze met haar doen? Wat denken ze wel niet?! De woede breidt zich uit over haar gehele lichaam. Als vanzelf brengen haar voeten haar voor beide mannen en het onbekende blanke meisje. Met een ruk staat de donkere man stil. Het blanke meisje stopt met slaan. Ze brengt haar vingers naar haar mond, waarna ze het bloed opzuigt uit haar vele wonden. ‘Waar komt ze vandaan?’ De donkere ogen bestuderen haar met een intense blik. Stevig zet ze beide handen op haar heupen. Haar woede lijkt een kookpunt te bereiken. Ze blijft staan. ‘Laat haar gaan!’ De harde greep om haar pols laat haar abrupt zwijgen. Tranen van de pijn schieten in haar ogen, maar toch laten haar ogen de blik van de man tegenover haar niet los. ‘Adannaya, blijf erbuiten! Jij bent maar alleen, maar wij hebben gezinnen met kinderen die honger hebben en gevoed moeten worden.’ De steek van de opmerking duwt alle lucht uit haar longen. Ze hapt naar lucht. ‘Het is niet mijn schuld dat ze zijn overleden. Hou dat erbuiten! Jullie geloven me dus nog steeds niet?’ Haar stem verheft zich om ook de mensen om haar heen te bereiken. Verschillende ogen worden neergeslagen en staren naar de rode korrels zand op de grond. De blauwe ogen van het meisje op de grond worden groot en staren haar aan. ‘Dit lost niets op! Als jullie het geld voor het meisje hebben, dan hebben jullie nog steeds geen voedsel om jullie vrouwen en kinderen mee te voeden. Geloven jullie echt dat jullie haar vrijheid weer terug zullen geven?’ Opnieuw wordt ze onderbroken. Deze keer door de klap in haar gezicht die haar oren laat suizen en haar uit evenwicht brengt. Haar handen grijpen naar haar wang. Een grijzend gezicht voor haar ogen. De mond vormt woorden die uiteindelijk haar oren bereiken. ‘Bemoei je niet met zaken die niet voor jou zijn.’ Het dreigement blijft in het midden van de grote groep mensen in de lucht hangen. Stilte. Adannaya’s ogen volgen de ogen van de donkere man voor haar. Door de woede beginnen haar ogen te glinsteren. Onbewust vangen ze de smekende blik op van de blauwe ogen voor haar. Het meisje lijkt begrepen te hebben dat ze haar probeert te helpen. Met een zucht ontsnapt de lucht uit haar longen tussen haar half geopende lippen door. Haar schouders ontspannen zich. Even laat ze haar hoofd hangen, hulpeloos spreiden Adannaya’s handen zich in de lucht. Waarna ze haar rug recht en het meisje opnieuw in haar ogen kijkt. ‘Ik kan meer voor je doen en voor je betekenen als ze mij niet opsluiten. Het spijt me. Ik kan niets voor je doen, niet nu. Geef de hoop nog niet op. Houd moed.’ Met haar gedachten probeert ze het angstige meisje gerust te stellen. ‘Alles sal reg kom. Altijd. Alles sal reg kom.’ Een fluistering door de lucht. De zin blijft in haar hoofd hangen als beide mannen het meisje meeslepen naar één van de oude hutten waar vroeger de voorraden bewaard werden. Opnieuw probeert het meisje de man met haar vuisten te raken. De lucht draagt het geluid van de rake klappen naar haar oren. De donkere man lijkt zich er niets van aan te trekken en sleurt het meisje niet zachtzinnig achter zich aan. Haar donkere ogen volgen het tafereel. Haar benen als versteend. Een enkele traan rolt over de wang van Adannaya. Een nat spoor achterlatend. Het vrolijke geklingel van het metaal laat de rest menigte uit elkaar gaan. De metalen ketting met een groot slot wordt aan de deur gehangen. De laatste zonnestralen geven de hut een gouden gloed.

Een schrapend geluid maakt haar wakker uit haar droomloze slaap. Een slaap van uitputting en herstel. Met behulp van haar armen gaat ze rechtop zitten. De huid van haar handen en armen staan strak. Een paar korsten op haar knokkels breken opnieuw open. ‘Au…’ Druppels helderrood bloed wellen op uit de wonden. Het geluid brengt Nadine terug naar de avond van de ontvoering. Beelden trekken langzaam voor haar ogen voorbij. Haar warme bed, de voetstappen, de lap, het vluchten, de tocht door de savanne. Zacht krast opnieuw een nagel tegen het hout aan de buitenkant van de hut. Ze trekt haar benen onder haar lichaam en gaan op haar knieën zitten. Een pijnscheut trekt langs haar gezwollen knieën omhoog naar haar heupen en rug. Een kort moment sluit ze haar ogen en zet haar tanden op elkaar totdat de pijn weer wegebt. Het zachte schrapen is overgegaan in dringende korte tikken. Bewegingsloos volgen haar blauwe ogen het schrapen en het tikken als het zich buiten langs de wand verplaatst. ‘Meisje? Niet bang zijn.’ Een verstaanbare taal, maar met een accent. Haar mond vormt woorden als antwoord, maar er lijkt geen geluid uit haar keel te komen. Zacht schraapt ze haar keel. ‘Wie ben je?’ Angst maakt zich van haar meester als er niet gelijk een antwoord komt. Opnieuw dezelfde vragen dwalen in haar hoofd. Wat zullen de mensen met haar doen? Ze kan niet eeuwig hier blijven. Ze heeft ook voedsel en water nodig om te blijven leven. Dingen die ze overduidelijk niet in overvloed hebben. Ze zou meer een lastpost zijn voor de mensen. Zacht klinkt uiteindelijk een antwoord. ‘Adannaya. Mijn naam is Adannaya. Ik heb je geprobeerd te helpen vanmiddag.’ De herinneringen van de afgelopen uren dringen zich naar boven als de stem doordringt in haar hoofd. Adannaya. De donkere ogen van het prachtige meisje staan nog helder voor haar ogen. Het moment dat beide paren ogen, blauw en bruin, elkaar raakten. Het leek alsof ze elkaar al kenden, het leek alsof ze elkaar eerder gezien hadden. Het donkere meisje leek geen onbekende voor haar te zijn. Maar eerdere ontmoetingen konden niet opgeroepen worden uit haar herinneringen. Hoe komt het dat het lijkt dat ze geen vreemde voor me is? Ogen die dieper doordrongen dan alleen in haar ogen. Donkere ogen die tot in haar ziel leken door te dringen. De stem klinkt zacht, maar helder in de koele avondlucht. ‘Wat is jouw naam?’ Moeizaam komt een antwoord. ‘Mijn naam? Mijn naam is Nadine.’ Stilte. Even aarzelt ze. ‘Bedankt dat je me wilde helpen.’ De welgevormde, donkere hand van Adannaya plaatst zich op het hout. Even kraakt het onder het gewicht. De pijn trekt brandend door haar onderlichaam als Nadine op handen en voeten dichterbij de houten wand kruipt. Waar haar handen en knieën op de zanderige grond hebben gestaan, vullen de kuiltjes zich met druppels bloed uit de gesprongen wonden. De arm blijft een moment stil in de lucht hangen. Een kleine aarzeling, maar haar blanke hand drukt zich tegen het hout. Het ruwe oppervlak van het hout drukt tegen haar handpalm. Bijna pijnlijk. Het lijkt alsof ze de warmte van de hand aan de andere zijde kan voelen. De warmte trekt door haar lichaam heen en laat haar de pijn een moment vergeten. ‘Jammer, dat het je niet is gelukt om de mannen tegen te houden.’ Het praten valt haar zwaar. Maar haar mondhoeken lijken zich iets op te trekken in de vorm van een kleine glimlach. Diepe groeven in haar lippen, van de droogte, scheuren open. Vocht en bloed wellen op. De metaalachtige smaak van bloed vult haar mond als ze op haar onderlip begint te zuigen. Maar het gevoel van blijdschap vult haar lichaam.

Twee verschillende kleuren handen drukken zich tegen het ruwe hout. Gescheiden door de dunne planken. Blauwe en bruine ogen staren naar de stukken hout tussen hen in. ‘Ik zou je graag willen helpen, maar ik weet niet precies hoe.’ Adannaya slaat haar ogen neer. ‘Het spijt me.’ Nadine schuift onrustig heen en weer om een andere houding te zoeken. Spieren en gewrichten worden stijf door uren niet te bewegen. Uren van stil zitten en luisteren naar Adannaya. Kleine onderbrekingen voor het stellen van vragen.

Kimmm

Berichten: 1739
Geregistreerd: 19-04-05
Woonplaats: Tiel

Re: [VERH] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 25-07-07 17:04

En weer een nieuw stuk Lachen

Citaat:
Gedachten malen door haar hoofd. Gedachten die haar, de laatste paar uren na het gesprek met Adannaya, niet meer met rust willen laten. Lusteloos gaat ze op de grond zitten om haar benen rust te gunnen. Het afscheid staat in haar geheugen gegrift. De eerste zonnestralen verdreven de duisternis. Het zonlicht gaf het rode zand een eigenaardige gloed. Een vurige gloed. ‘Ik moet gaan. De zon komt op. Ze mogen me hier niet vinden. Morgenavond ben ik er weer.’ Zonder op een antwoord te wachten kijkt Adannaya snel om haar heen en staat geruisloos op. Kleine wolken rode stof worden door de lucht verspreidt zodra ze in aanraking komen met het lichaam van het donkere meisje. Zachte voetstappen worden als enige opgevangen door haar oren als Adannaya met snelle passen wegloopt. De duisternis in het kleine hutje omringt Nadine.
Haar hart klopt snel, maar regelmatig. De vele woorden van Adannaya dringen tot haar door. Opwinding maakt zich van haar meester en stroomt door haar lichaam heen. Gedachten tollen in haar hoofd. ‘Ze wilt me helpen ontsnappen! Ze helpt me hier weg te komen!’ Verschillende beelden vormen zich voor haar ogen. Blauwe lucht, de savanne. Vrijheid. Haar blanke vingers wrijven de moeheid uit haar ogen. Haar voeten zetten zich in beweging. Strompelend komt ze langzaam vooruit. Haar lange benen kunnen haar lichaamsgewicht amper dragen. ‘Nadine, geen energie verspillen! Bewaar het voor later!’ Streng spreekt ze zichzelf toe in de duisternis. De vurige woorden worden kort, maar krachtig weerkaatst door de wanden om haar heen. De woorden galmen door in haar oren en haar hoofd. Maar toch zet ze door. ‘Ik moet weer kunnen lopen als ik kan ontsnappen. Ik moet sterk en fit zijn.’ Nieuwe woorden vormen zich in haar hoofd. Alles sal reg kom. Vreemde woorden, een onbekende betekenis. Waar komen ze vandaan? De blonde haren vallen voor haar ogen naar beneden als ze haar hoofd scheef houdt om beter naar de woorden te luisteren. De onbekende woorden draaien rond in haar gedachten.

Donkere ogen schieten snel door de omgeving heen. Niemand. Snel worden haar donkere benen onder haar lichaam getrokken als ze soepel opstaat. Een zucht ontsnapt uit haar keel naarmate steeds meer meters tussen haar en de voorraadshut komen en hen scheiden. Het gesprek met Nadine heeft haar goed gedaan. Zelfverzekerd hebben ze gepraat over het organiseren van de ontsnapping. Met een kleine heupbeweging en een kaarsrechte rug loopt ze met grote passen naar haar thuis. Een plek om alleen te zijn. Alleen met haar gedachten. De opkomende zonsopgang had haar verrast. Ze bukt om door de lage ingang de hut te betreden. Heldere vlekken dansen voor haar ogen. Ogen knipperen om hun blik weer terug te krijgen. Een moment lang blijft ze aan de grondgenageld staan, als ze haar rug recht en haar ogen door de kleine ruimte laat gaan. ‘Nee…’ Haar hand slaat zich als vanzelf voor haar mond. Bruine ogen verwijden zich en schieten door de schemerige ruimte heen. ‘Alsjeblieft… Nee…’ De kleine, maar schone en opgeruimde ruimte voor haar is niet zoals ze het heeft achtergelaten. Stoelen liggen kapot op de grond, kleurige dekens verscheurt tot kleine stukken. Potten en pannen liggen aan scherven op de grond verspreidt. Alle spullen zijn van de planken op de grond gegooid. Het lijkt wel alsof er een storm gewoed heeft. ‘Nee!’
Aarzelend zet Adannaya de eerste stappen de ruimte in. Haar hand strijkt over de kapotte stoelen en tafel. Waar het hout is gebroken steken grote splinters naar boven. Gretig wachtend op een slachtoffer om zich aan vast te haken. Plotseling verdriet knijpt haar keel dicht. Tranen wellen op in haar ogen. Dikke druppels rollen over haar wangen en vallen op de grond. Natte plekken achterlatend op de ravage. Een droge snik welt op uit haar keel. Scherven laten een rinkelend geluid horen als de voeten van Adannaya ertegenaan stoten. Hevig snikkend valt ze op haar knieën. Scherven dringen in de tere huid rond haar knieën, maar er wordt geen aandacht aan besteed. Haar handen slaan zich voor haar gezicht. Donkere haren vallen op haar voorhoofd. ‘Wie heeft dit gedaan?’ Ze heft haar hoofd. ‘Waarom?’ Vingers verzamelen de kleine stukjes gekleurde stof in het rode stof op de grond en knijpen ze samen. De knokkels trekken wit weg door de kracht van haar vingers. De kleden van mama. Waarom moesten ze dat kapot maken? De avonden dat haar moeder eraan werkte staan nog helder voor haar ogen. Haar kleine vingers met daartussen een tere naald. Steek voor steek werden de lappen aan elkaar genaaid totdat ze een warme en gekleurde deken vormden. Dekens die de kleine Adannaya en haar familie warm hebben gehouden in de kou van de donkere nachten. Betraande ogen heffen zich omhoog. ‘Wie heeft me dit aangedaan? Wie? Waarom?’ Een fluistering tegen de duisternis. Haar hand glijdt zacht over de houten nerven van de kapotte stoelen. ‘Pap, waar ben je nu? Waarom heb je me alleen gelaten? Waarom ben je weggegaan? Waarom ben je niet hier om me te helpen?’ Stoelen die papa heeft gemaakt van de bomen die hij zelf gekapt heeft. Uren werk. Werk wat hij verkocht heeft voor geld. Geld om voedsel te kopen. Geld om te overleven. Werk waar hij gedwongen mee moest stoppen, omdat niemand meer om zijn diensten vroeg. ‘Ik heb niets verkeerd gedaan.’ De woorden komen fluisterend over haar lippen. Handen wrijven ruw over haar wangen en ogen om de tranen te laten verdwijnen. ‘Ik heb niets verkeerds gedaan!’ De woorden lossen op in de ruimte. Geen antwoord. Haar handen ballen zich tot vuisten. Wankelend staat ze op. Haar ogen volgen langzaam de contouren van de puinhoop. Een zwak vuur begint in haar buik te branden. Een vuur wat langzaam sterker wordt en door haar lichaam omhoog klimt. Alleen een glinstering in haar ogen verraad haar bedoelingen.

De stralen van de zon branden op het golfplatendak. De warmte is verstikkend in de kleine ruimte. Kleine stralen licht sijpelen tussen kieren van het hout door en werpen schaduwen op de grond. Enkele stralen verlichten de blanke huid op de benen van Nadine. Haar rug en benen liggen languit op het rode zand. Haar hoofd rust op een oude houten plank tegen de muur aan. Haar mond half geopend. Raspend gaat haar ademhaling. Korsten bedekken de roze, tere lippen. Druppels vocht parelen op haar voorhoofd en maken de blonde haren vochtig. Haar tong ligt opgezwollen in haar mond. De tere oogleden bedekken de dikke ogen om ze te beschermen tegen de warmte in de kleine ruimte. Gedachten draaien rond en rond. Gedachten bestaand uit een enkel woord. Een woord met hoop op overleving. Water.

De gouden stralen van de zon verwelkomen Adannaya als ze naar buiten treedt. Met een verbeten gezicht brengen haar benen zich naar een rond, platgetrapt stuk grond midden tussen de gekleurde, maar armzalige hutten. In het midden houden haar voeten halt in het rode zand. Haar ogen flitsen door de omgeving. De woede geeft haar een zelfverzekerde uitstraling. Haar mond opent zich voor de woorden die zich in haar keel verzamelen. De woorden worden met geweld naar buiten geperst waarna ze zich aaneenrijgen tot zinnen. Zinnen die door de lucht voorgeleidt worden naar oren in de dichtstbijzijnde hut. Roerloos, maar nog steeds met haar vuisten gebald, staren haar ogen naar de witte deur van de kleine hut voor haar. Opeens wordt de stroom woorden gestopt. Stilte daalt neer over het dorp. Een warme wind strijkt langs haar gezicht en laat haar zwarte haren zacht meebewegen. De nagels van haar vingers drukken zich diep in het kwetsbare vlees van haar handpalm. De roze huid veert mee, maar staat strakgespannen. Haar mond trekt zich in een dunne streep samen als haar ogen na een enkele minuut nog steeds geen beweging zien in de hut of in de omgeving. Opnieuw wellen woorden op uit haar keel. Woorden die uit haar keel ontsnappen. Woorden die dagen, maanden en zelfs jaren verstopt gezeten hebben. Diep verstopt om ze nooit naar buiten te laten. De woorden worden opnieuw schreeuwend de lucht in gesmeten. ‘Waarom heb je me dit aangedaan? Waarom?! Waarom heb je alles kapot gemaakt? Waarom geven jullie me de schuld?’ Hete tranen wellen op uit haar ogen en stromen over haar rode wangen. ‘De schuld van de zieken? De schuld van de doden? Waarom? Vertel het me! Nu! Kom naar buiten! Laat je gezicht zien en vertel me waarom! Je bent te ver gegaan, véél te ver! Hoor je! Kom naar buiten! Waarom?! Ik zal je!’ Haar ademhaling gaat snel en oppervlakkig. Hijgend gaan haar borst en schouders op en neer. Zuurstof uit de benauwde lucht wordt gretig door haar longen opgenomen. Zuurstof die dankbaar wordt meegenomen door het bloed, diep het lichaam in. Stof is opgeworpen langs haar benen door haar bewegende voeten. Geruisloos zweven de deeltjes door de lucht, waarna ze weer neerdalen op het zand voor haar blote voeten. Haar kaken klemmen zich op elkaar. Tussen haar halfgeopende lippen glinsteren witte, volmaakte tanden. De zon verdampt het vocht van de tranen op haar wangen in een oogwenk. Wit zout blijft liggen, schitterend in de felle zonnestralen. De woorden lijken te zijn opgenomen in het landschap. Stilte omringt Adannaya als een zware deken.
Beweging. Haar bruine ogen staren naar de witte deur. De hitte vibreert boven het rode zand. Was het bewogen? Of wilde ze dat het bewoog? Woorden overheersen in haar gedachten. Steeds maar opnieuw. Haar lippen prevelen de woorden. ‘Ga open, ga open! Kom naar buiten!’
Bruine ogen in een donker, zelfverzekerd gezicht, schitterend in het licht van de zon. Een felle streep licht valt over zijn gezicht door de half geopende deur. Krakend en vol protest wordt de deur verder geopend door een donkere hand. De streep wordt groter en beschijnt uiteindelijk zijn gehele gezicht. Oogleden bedekken de ogen een moment om ze te beschermen. Achter de deur verschijnt de rest van de gedaante. Een lange, donkere verschijning. Slank en sterk. Donkere ogen boren zich in de hare. De intense blik lijkt dwars door haar lichaam te gaan. Eén moment voelt ze zich naakt. Een lichaam wat wordt bekeken zonder kleren. Een object. Het gevoel wordt na enkele ogenblikken ruw weggeduwd door de hitte van woede die in haar lichaam opvlamt. De nagels boren zich opnieuw diep in het zachte vlees van haar handpalm. De tere, zachte huid scheurt geruisloos open, waarna een dieprode druppel bloed verschijnt. Het laat een streep achter op de roze huid als het door de zwaartekracht wordt meegevoerd. Rode aarde naast haar voeten zuigt dankbaar de kleine hoeveelheid vocht op als het haar wordt aangeboden. De pijn wordt niet gevoeld. De pijn in haar hart overstemt al het andere. Alle andere gevoelens. Pijn van een wond in haar hart wat ruw is opengescheurd. Een wond wat na maanden, na jaren, langzaam, maar zeker is geheeld. Een wond uit het verleden. Een wond wat is begonnen als een schram, maar wat steeds groter is geworden. Een wond wat door de mens is gemaakt. Wat door de mens is veroorzaakt. Liefde, ziekte, dood en verdriet. Waar kwam het vandaan?
De gestalte in de deuropening verplaatst langzaam het gewicht op het andere been. Als een blikseminslag keren Adannaya’s gedachten terug vanuit het verleden. ‘Waarom?! Waarom heb je me dit aangedaan? Waarom heb je alles kapot gemaakt? Mijn leven? Mijn spullen? Wat ga je nog meer kapot maken? Mijn herinneringen?! Is dit nog niet genoeg?’

Kimmm

Berichten: 1739
Geregistreerd: 19-04-05
Woonplaats: Tiel

Re: [VERH] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 13-08-07 14:25

Citaat:
Aarzelend worden de eerste stappen gezet, waarna al snel de volgende komen. Het moment lijk in een waas voorbij te gaan. Haar vuisten gebald, haar kaken strak op elkaar geklemd. Druppels bloed die tussen haar vingers door op de grond kapot vallen. De zon die haar zwarte haren laat glanzen en schitteren in haar stralen. Haar donkere ogen die de ogen voor haar gevangen houden in een dodelijke greep. Hitte van woede stroomt door haar lichaam heen. Spieren spannen zich, haar hart gaat sneller kloppen. Haar lichaam verhardt en maakt zich klaar. Klaar voor de strijd. Klaar om te winnen.
De man in de deuropening vangt haar blik, maar wend zijn hoofd niet af. Door zijn gewicht te verplaatsen maakt hij een enkele stap naar voren. Zonnestralen verlichten zijn lichaam en laat zijn donkere huid glanzen. Zijn ademhaling strijkt over haar van woede vertrokken gezicht. ‘Adannaya, wat is hier in vredesnaam aan de hand?!’ Zijn zware stem raakt haar in het diepst van haar ziel. Een stem die haar ondanks de warmte van de zon laat huiveren. Herinneringen overspoelen haar gedachten. Herinneringen die beelden laten zien die ver weg waren gestopt. Het laat haar bijna dubbelklappen. Haar hart bonkt pijnlijk tegen haar borst. De waas verdwijnt.

Een felle streep licht valt door de kier van de deur naar binnen en verlicht een deel van haar gezicht in de kleine, schemerige ruimte. Een donkere gedaante zakt door haar knieën en zet voorzichtig een gedeukte zilverkleurige kop op de grond. Haar blauwe ogen turen door de spleetjes van de opgezwollen oogleden. Een druppel vocht glijdt van haar voorhoofd naar een oog waar het een brandende afdruk achter laat. Hevig knipperend probeert ze het brandende gevoel te stoppen.
Gouden zonnestralen glinsteren op het rimpelige oppervlak van het water. Een kreun ontsnapt uit haar keel als ze haar benen onder haar lichaam probeert te schuiven. Het rode zand schuurt tegen haar tere en beschadigde huid. De kleine korrels drukken zich in de wonden en wrijven tussen de korsten. Een branderig en pijnlijk gevoel veroorzakend. Met elke beweging valt de hitte haar lichaam aan. Het beukt tegen haar huid, het brandt in haar longen, het teistert haar blauwe ogen. Duizeligheid draait rond in haar hoofd.
Het spreiden van haar vingers verloopt moeizaam. De spieren en gewrichten lijken van stroop. Trillend en onzeker zoeken ze hun weg door de dikke lucht. De glinsteringen van het water spelen met haar ogen. Met een ongecoördineerde beweging stoot ze tegen de beker. Met een metaalachtige klank beweegt het heen en weer. ‘Nee… Nee… Nee! Niet vallen! Alsjeblieft… Nee…’ Diepe kloven in haar lippen breken open. De pijn vlamt door haar lichaam en laat haar beven. Dikke druppels vocht werpen zich over de hoge opstaande rand. Kort blijven ze glinsteren in een streep zonlicht, waarna ze binnen een oogwenk worden opgezogen door de droge grond. Met een vloeiende beweging neemt de zwaartekracht de overhand en laat de kop in een enkele seconde omvallen. Kostbaar water vloeit als een golf uit de kop en verspreidt zich over de grond. Een schreeuw welt zich diep uit haar keel en werpt zich over haar lippen. Met een laatste explosie van kracht klauwen haar lange, kapotte vingers in het zand. Stof verspreidt zich dik door de lucht. Strepen zonlicht verduisteren. Blonde haren plakken samen met het stof aan haar gezicht. Haar gezicht vertrokken in een grimas. Haar knieën schuren over de grond. Pijn brand overal in haar lichaam. Pijn wat met moeite wordt weggedrukt. Kiezen knarsen over elkaar door de enorme druk van haar kaken en door de korrels zand die haar mond hebben weten binnen te dringen.

Herinneringen worden als bewegende beelden voor haar ogen afgespeeld. Herinneringen die niet rijp zijn voor dit moment en daarom diep weg worden gedrukt. Adannaya’s oogleden bedekken een moment de bruine ogen. Haar ademhaling gaat als een diepe zucht door haar lichaam heen. Haar arm heft zich, haar hand gespreid, haar spieren gespannen. Het holle geluid van de klap klinkt hard door de lucht. Felle ogen boren zich diep in de zijne. ‘Waag het nooit meer om aan mijn spullen te komen. Nooit meer…’ Haar plotselinge kalmte verrast haar. Zwarte haren dansen in de lucht als ze met een soepele beweging omdraait en met dansende heupen wegloopt. Weg van de man. Weg.

Langzaam proberen haar oogleden zich op te trekken om de ogen te bevrijden. Haar naam klinkt na in haar oren. ‘Nadine. Ik ben het. Geef alsjeblieft antwoord.’ Stilte. ‘Nadine?’ Een stem geeft krakend een antwoord. ‘Ja…’ Is het haar stem? Haar stem die een antwoord geeft? Het klinkt onbekend in haar oren. Vocht en bloed verzamelen zich opnieuw op haar lippen en stromen haar mond in. De vieze smaak ervan laat haar kokhalzen. Haar handen worden voor haar lichaam geplaatst. Moeizaam draait ze haar lichaam, waardoor ze onhandig op handen en knieën zit. Gal wordt omhoog gestuwd door haar slokdarm en zet het in vuur en vlam. Met een verbeten gezicht probeert ze het uit haar mond te spugen. Het vermengt zich met het bloed wat in dikke klodders op haar borst valt. Tranen glijden over haar wangen. Hijgend gaat haar borst op en neer. Haar blonde haren vallen in natte, vieze slierten voor haar gezicht. Hitte van de zon omringt haar lichaam, haar longen branden. De stank van haar maaginhoud en het bloed dringen haar neus binnen. De kleine ruimte draait om haar heen.

De geluiden achter de dunne houten wand laten haar huiveren. Een pijnscheut trekt door haar knieën als ze zich op haar knieën laat vallen. Zand stuift wild omhoog. Adannaya’s donkere handen plaatsen zich op het hout. ‘Nadine… Nadine, geef niet op! Hou vol!’ Haar oren vangen een gedempte klap op. ‘Nee! Nadine, nee!’ Haar stem klinkt als een kreet door de lucht. Een vogel stopt verschikt met zijn zang, slaat zijn vleugels uit en vliegt weg. Bruine ogen schieten door haar omgeving. Op zoek naar een hulpmiddel. Gouden zonnestralen strelen haar huid. Een zachte wind verdrijft de meeste hitte. De stralen van de zon worden langzaam rood en kleuren de kleine wolken in de lucht roze. De laatste stralen van de dag werpen lange schaduwen over de grond. De lange schaduw van Adannaya volgt haar als ze met snelle, maar geruisloze stappen wegrent. Het heen en weer zwaaien van haar armen geeft haar extra snelheid. Haar vuisten gebald van radeloosheid. Gedachten draaien rond in haar hoofd. Is dit het moment waarop ze heeft gewacht?

Duisternis maakt zich snel meester over het land. Duizenden sterren schitteren in de lucht. De witte maan waakt over het land en geeft het een zilveren gloed. Adannaya schenkt er geen aandacht aan. Haar handen strekken zich naar voren en zoeken in het donker naar voorwerpen die nog gebruikt kunnen worden. Bang om licht te maken, struikelt ze een aantal keer en stoot pijnlijk met haar voeten tegen kapotte voorwerpen op de grond. Een scherf van een pot laat een grote snee achter op haar scheenbeen.
Na verschillende voorwerpen verzamelt en veilig opgeborgen te hebben, brengen haar voeten haar haastig naar een hoek van de kleine hut. Het bloed uit de snee vermengt zich met het rode zand als ze door haar knieën zakt en met haar handen begint te graven. Het zand kleeft zich aan de snee en stopt het bloeden. Stof verdikt de lucht en laat haar niezen. Tranen wellen op uit haar ogen. Het moest hier ergens zijn! Ze tast diep naar haar herinneringen. Herinneringen toen haar vader er nog was. Herinneringen toen haar moeder nog leefde, evenals haar broertjes en zusjes. Het was donker op de bewuste avond. Zacht controleerde haar moeder of alle kinderen sliepen. Adannaya sloot snel haar ogen en deed of ze sliep. De grote handen van haar vader schepten grote stukken zand weg uit de grond in de hoek van de hut. Onder het zand kwam een oude, houten kist tevoorschijn. In de doos verscheen een stapeltje bankbiljetten samen met een aantal dekens en zakken voor water. Ze verstond zacht het woord ‘noodgeval’. De beelden trekken voor haar ogen.
Haar handen stoten tegen iets massiefs. Snel schuiven haar handen het overige zand weg om de vondst bloot te leggen. Lange vingers glijden zacht over het gladde oppervlak. Het hout van de kist ziet er nog gaaf uit voor de lange tijd dat het begraven is geweest. Snel vindt ze het slot, maar het openen gaat een stuk moeizamer. Wanhoop maakt zich van haar meester. Waarom gaat het niet open? Het is een noodgeval. Een noodgeval! Wanhopig slaat ze met haar hand tegen het slot. Er klinkt alleen droge knal van het metaal op het hout. Een pijnscheut trekt door haar hand, waardoor ze hem in een reflex terug trekt. Woede en wanhoop stromen samen door haar hoofd en trekken door haar lichaam.
Zand stuift opnieuw op in het donker als ze plotseling opstaat. Met haar handen voor haar uit stapt ze voorzichtig naar de andere kant van de hut. Het moet hier ergens liggen. Ik heb het vanmiddag gezien! Alsjeblieft, laat me gelijk hebben… Het moet! Het is een noodgeval!
De vingers stoten eerst tegen het gladde oppervlak, waarna ze zich spreiden en het voorwerp zwaar in haar hand komt te liggen. Zwaar, maar vertrouwd.
Een metaalachtige klank verspreidt zich door de lucht. Verschrikt heft Adannaya haar hoofd als het geluid nadreunt in haar hoofd. Heeft iemand het gehoord? Haar vingers voelen aan het slot. Nog steeds gesloten. Woede overwint het van de wanhoop. Het moet open! Ze moet de inhoud hebben. Opnieuw heft ze haar arm als ze de ijzeren klink van de kast tegen het slot wilt slaan. Het geluid galmt door het kleine vertrek. Ze klemt haar kaken steviger op elkaar, haar gezicht vertrekt in een grimas.
Na de tweede slag breekt het slot open. Opluchting stroomt door haar lichaam heen. Haar vingers rammelen eraan, waarna het dof op de grond valt. De uiteinden van haar lippen buigen voorzichtig in een kleine glimlach. Een glimlach van overwinning. Met weinig inspanning komt de klep krakend ophoog. Slanke vingers glijden over de inhoud. Het pakketje bankbiljetten weegt zwaar in haar hand. Ze ritselen als ze een klein idee probeert te krijgen van het aantal. Emoties wellen op. Woest wrijven haar handen de opkomende tranen weg. De betekenis van het woord noodgeval dringt tot haar door. Ze duwt de biljetten tegen haar borst. Biljetten die haar ouders hebben gespaard met bloed, zweet en tranen.

De kleine, leren tas voelt koud aan op haar rug en blote schouders. Het is zwaar, maar gevuld met voorwerpen die ze niet kan missen. Vooral niet als ze eindelijk genoeg moed heeft verzameld om haar plan in uitvoering te brengen. Plan. Het woord cirkelt rond in haar hoofd. Een simpel woord, maar met een grote betekenis. Een betekenis wat niet is uit te drukken in woorden. De ijzeren deurklink houdt ze stevig vast in haar handen. Een vastberaden gezicht. Adannaya’s spieren trekken samen als ze de eerste stappen zet. Door het extra gewicht zinken haar voeten dieper in het rode zand. Kleine, ronde korrels blijven achter, maar worden niet gezien of opgemerkt. De wind koelt haar rode, verhitte wangen. Het maanlicht geeft haar huid een zilveren glans. Haar doel doemt voor haar ogen op. Een alleenstaande, eenvoudige hut. Nadine.

De luide knal wordt door de lucht verder geleidt. IJzer op ijzer. Het echoëd in haar oren. Adannaya’s ogen flitsen door de omgeving. Achter de gammele houten muur proberen oogleden zich op te trekken om de blauwe ogen ruimte te geven. Duisternis. Een heldere flits achter haar ogen als de knal haar oren bereikt. Een kreun ontsnapt uit haar keel. Opnieuw een knal. Haar handen reiken naar haar oren om het geluid buiten te sluiten. Het doffe gevoel van eindeloze pijn trekt door haar lichaam en laat haar een moment duizelen. Beelden trekken voor haar ogen langs. Steeds een ander beeld. Steeds een andere herinnering. De zon die haar verwarmt met zijn gouden stralen. Haar blonde haren die schitteren in de zon. Haar ogen die het prachtige landschap om haar heen opnemen. Maar in plaats daarvan trekt de kou vanuit haar benen en billen door haar lichaam en laat haar onwillekeurig rillen. Met haar opgezwollen tong probeert ze haar kapotte lippen te bevochtigen. Haar vingers raken verward in de strengen blond haar langs haar gezicht. Een volgende klap laat haar opschrikken. Haar ogen staren wijdopen de duisternis in. Haar stem komt raspend tot leven. De pijn steekt hevig in haar keel. ‘Adannaya… Help. Help me alsjeblieft…’

Ratelend valt de ketting op de grond naast het kapot geslagen slot. De deur hangt los in zijn hengels. Adannaya’s vingers glijden over het ruwe hout van de deur. Met een kleine krachtsinspanning trekt ze het open. De kleine ruimte voor haar is donker. Een streep maanlicht valt langs haar heen en verlicht een klein deel. ‘Nadine? Waar ben je?’ Schuifelend verdwijnt ze de ruimte in om de herkomst van de raspende ademhaling te zoeken. Haar handen betasten de omgeving totdat haar handen de warme huid van Nadine voelen. Knielend gaat ze naast het blanke meisje zitten. Bruine ogen worden groot. Haar vingers bewegen vrijelijk over de warme huid. Dikke korsten voelen hard en ruw aan. Het meisje onder haar kreunt zacht onder haar zachte aanraking. Een huivering trekt door het lichaam op de grond. Adannaya’s handen strijken over haar gezicht en voelen de opgezwollen ogen en de korsten rond haar mond. Haar adem stokt. Een traan rolt over haar wang. ‘Nadine… Wat hebben ze je aangedaan?’ Met een ruwe beweging trekt ze de rugzak van haar rug, maar een plof valt het op de grond. Haar vingers vinden blindelings de sluiting en maakt het open. Het zachte leer van de zak veert mee onder haar graaiende vingers. Met een korte beweging wordt de plug van de zak getrokken. Heldere druppels water voelen koel aan op haar kapotte lippen. ‘Drink, Nadine.’

Het woord cirkelt rond in haar hoofd. Water. Adannaya heeft water voor haar meegenomen. Haar opgezwollen tong duwt zich tussen haar lippen door om de kostbare druppels op te vangen. Dorst. Met een grote krachtsinspanning zet ze haar handen naast haar lichaam en werkt zichzelf omhoog. Adannaya ondersteunt haar hoofd. Gretig wordt het vocht opgezogen en opgenomen door haar bijna uitgedroogde lichaam. Nieuwe energie stroomt door haar lichaam en geeft Nadine haar krachten terug. Tranen blinken in haar ogen. Na het sluiten van haar ogen rolt een zilveren druppel over haar wang en valt op de donkere hand van het meisje voor haar. Een fluistering komt over haar lippen. ‘Bedankt…’

Langzaam en voorzichtig probeert ze Nadine voor te bereiden. Voorbereiden op het overleven. Zacht strijkt Adannaya over de warme huid onder haar vingers. Vocht en bloed uit de wonden blijven aan haar vingers plakken. Met haar andere hand wordt een mengsel van bladeren en kruiden op de pijnlijke plekken gesmeerd. Tussendoor druppelt ze vocht in de mond van Nadine. Geen druppel verspillend. Minuten gaan voorbij en worden een uur. ‘Nadine, we moeten gaan.’ Met haar donkere, sterke armen pakt ze het meisje onder de oksels en trekt haar op haar knieën.

Pijn trekt door haar lichaam en zet haar in vuur en vlam. Stekend en brandend zoekt het een weg waar het de meeste schade aan kan richten. Overal. Pijn. Het trekt vanuit haar voeten naar haar knieën. Vanuit haar knieën naar haar heupen, naar haar buik. Vanuit haar borst naar haar armen. Haar hoofd. Een explosie. Pijn laat haar ogen dichtknijpen. De wereld draait om haar heen. De stevige arm van Adannaya houdt haar overeind. De eerste stappen laat haar kokhalzen van de pijn. Bijna haar gehele gewicht wordt gedragen door Adannaya. ‘Kom op, meid. We kunnen hier niet blijven.’ Nadine’s kaken klemmen zich op elkaar. Met een vastberaden glinstering maakt ze zich los van Adannaya. Wankelend, maar zelfstandig strompelt Nadine de kleine hut uit. Honderden sterren verwelkomen haar hoog in de lucht.

Dof glanzen de uitgedroogde takken in het zwakke licht van de maan. De zwarte hemel met zijn twinkelende sterren kijkt neer op de bewegende figuren.
Zwoegend gaat haar borst op en neer om de longen van zuurstof te voorzien. Een kreun ontsnapt uit de keel van Nadine, waarna ze onzacht op haar knieën valt. ‘Au…’ Een stekende pijn trekt door haar lichaam van de arbeid die is verricht. ‘Au…’ De tientallen meters hebben haar bijna uitgeput. Haar lichaam is minder sterk, dan ze had verwacht. Zweet stroomt in kleine straaltjes over haar uitgedroogde en hongerige lichaam. ‘Adannaya… Stop… Alsjeblieft.’
Adannaya geeft geen aandacht aan het meisje op de grond. Ze loopt een paar passen naar voren en slaat haar ogen neer. Haar gedachten zijn leeg. De woorden blijven weg. Waarom is afscheid nemen zo moeilijk? Ook al is het niet echt afscheid nemen. ‘Het spijt me dat ik moet vertrekken, het spijt me echt. Maar het kan niet anders.’ Een fluistering over haar lippen. ‘Ik kan hier niet blijven.’ Haar vingers glijden over de houten kruizen in het rode zand. ‘Ik zal jullie nooit vergeten. Voor altijd in mijn hart.’ Voor de laatste keer nemen haar ogen de graven op, waarna ze zich resoluut omdraait. Voorzichtig helpt ze Nadine onder een arm overeind. ‘We gaan. Samen.’

De open vlakte strekt zich voor hen uit. Voor hen vluchten antilopen met hoge sprongen weg. De zon laat hun bruine vacht glanzen en weerkaatst op de gekrulde zwarte hoorns. Stof welt op van de grond waar de kleine, ronde hoeven neerkomen en weer opspringen. Adannaya en Nadine nemen geen moment de tijd op van het prachtige schouwspel te genieten. Zwoegend in de opkomende hitte van de dageraad gaan beide borsten van de meisjes op en neer. Hun lange benen brengen hen steeds verder weg van het dorp. Voor hen ligt een nieuwe weg. Een nieuwe toekomst.

Tranen springen in haar ogen als de scherpe stekels van de takken tegen haar blanke benen slaan. ‘Waarom moeten die takken juist mij hebben!’ Nadine klemt haar kaken op elkaar. Rode druppels bloed wellen op uit de kleine sneden en vermengt zich met het rode stof op haar benen. De spieren staan strak onder de dunne, rood verbrande huid. Haar handen ballen zich tot vuisten. Doorgaan! Kom op! ‘Niet opgeven, niet opgeven.’ Haar voeten volgen het ritme van de fluisterende woorden. Haar ogen richten zich op de donkere gedaante voor haar.
De afstand tussen beide meisjes neemt toe. Haar stappen kunnen het snelle tempo in de moordende hitte niet bijhouden. ‘Adannaya, wacht, stop! Niet zo snel…’ Een blik achterom van Adannaya laat haar zien dat Nadine een aantal meters achter haar aan strompelt. Door medelijden trekt haar borst samen als ze de moeizame pogingen van het meisje om haar te volgen gade slaat. Ze heeft nauwelijks kracht genoeg om recht op haar benen te staan. Zacht bereikt de fluisterende stem van Nadine haar oren. ‘Niet opgeven, niet opgeven.’ De blauwe plekken en korsten steken donker af tegen de rood verbrande huid. Het meisje een macabere indruk gevend.
Zacht strelen haar handen het blonde, vochtige haar van Nadine. De lichte haren steken af tegen de donkere huid van haar handen. Het kleine beetje schaduw van een oude boom geeft een kleine verademing tegen de zonnestralen. De zware rugzak ligt voor de voeten van beide meisjes. Adannaya trekt met vaardige bewegingen de waterzak eruit. ‘Nadine, water. Drink een beetje, niet teveel. We zullen er nog lang mee moeten doen.’ Het kleine beetje vocht wat aan Nadine’s lichaam wordt aangeboden wordt dankbaar opgenomen. De lauwe waterdruppels verkoelen haar hete lippen. Uitgeput en dankbaar legt ze haar hoofd tegen de schouder van Adannaya, haar bondgenoot. Haar vriendin.

Haar lichaam wordt sterker. Het tempo van Adannaya kan steeds beter bijgehouden worden. Haar conditie verbetert, haar benen zijn worden steeds minder snel moe. Haar blanke benen gebruind door de Afrikaanse zon.

‘Waarom wilde je zo graag weg uit het dorp? Waarom hielp je me met ontsnappen?’ Een nieuwsgierige blik volgt Adannaya als ze neerzakt op de rode grond. Een kleine rustpauze na het lopen van kilometers door de savanne. ‘Wil je dat echt weten, Nadine? Echt?’ Ze schudt haar hoofd. Waarom wilde ze eigenlijk zo graag weg uit het dorp? ‘Het is een lang verhaal...’ Begint Adannaya aarzelend. ‘Nou en? We zijn toch nog lang niet thuis. Dus je kan gewoon beginnen.’ Met haar handen in haar zij kijkt Nadine glimlachend op de zittende Adannaya neer. Wil ze het wel vertellen?

Mizora

Berichten: 18459
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Oudenhoorn

Re: [VER] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst: 15-08-07 09:19

Prachtig! Echt waar, eigenlijk geen woorden voor.

Kimmm

Berichten: 1739
Geregistreerd: 19-04-05
Woonplaats: Tiel

Re: [VER] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 17-08-07 15:35

Bedankt Bloos Ik heb er ondertussen een hoop tijd inzitten en je blijft schrijven en herschrijven Lachen

Mias
Berichten: 1793
Geregistreerd: 23-04-06
Woonplaats: drentshe hoofdstad

Re: [VER] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst: 21-08-07 22:47

ben even bezig met lezen.
Morgen lees ik verder. Maar ik vindt het tot nu toe echt prachtig.
Veel beter dan de aller eerste versie

Yaara
Berichten: 202
Geregistreerd: 15-08-06
Woonplaats: Soest

Re: [VER] Blank en zwart; Zand met de kleur van de avondzon

Link naar dit bericht Geplaatst: 26-08-07 23:16

ik vind het een heel goed verhaal! je schrijft heel goed!