Huilend ren ik richting de toiletten. Het is niet de eerste keer dat dit me weer overkomt. Ik begrijp het niet, waarom moeten ze altijd mij hebben? Het maakt ook niet meer uit. Ik ben zelfs al bezig met het te accepteren, alsof het simpelweg bij me hoort. Lang zit ik hier nog niet op school, op hier op het verschrikkelijke Hoogwaard College. Eind vorig jaar ben ik verhuisd naar de andere kant van Nederland, naar de grote stad. Echt gemakkelijk was dit niet voor me. Ik bedoel, je laat wel al je vrienden achter en je moet helemaal opnieuw beginnen. Ik heb het altijd zo fijn gehad vroeger. Populair was ik niet, maar ik was tevreden. Mijn vrienden namen me zoals ik was, ik had nooit gezeur. En nu zit ik hier… De dag dat we aankwamen bij ons nieuwe huis, vergeet ik ook nooit meer. Een vreemde straat met vreemde mensen. Het viel me op dat er veel allochtonen in de buurt wonen. Dat is iets wat wij niet gewend waren in de buurt waar we eerst woonden. Je zag zelfs geen enkele allochtoon in het hele dorp! Sommige muren zaten onder de graffiti en de vuilcontainers stonden rommelig op straat. Ik voelde me niet bepaald veilig hier, en het huis vond ik eigenlijk ook niks aan. Maar we moesten wel weg, mijn vader had namelijk een nieuwe baan gevonden en het was te ver om elke dag heen en weer te reizen. Ik heb onwennig in de ruimte gestaan die mijn kamer zou worden, niet wetende wat ik ermee moest doen. Vergeeld behang, gescheurde gordijnen en een kille vloer. Ik ben gaan zitten met mijn rug tegen de muur, ik had spijt dat ik was meegegaan.
De ellende begon toen ik op zoek moest naar een nieuwe school. In de buurt was alleen een gymnasium te vinden, maar aangezien ik geen leerwonder ben, was dat al afgeschreven. Er waren nog 2 andere scholen te vinden die nog enigszins in de buurt waren en waar ik op de fiets naar toe zou kunnen. Samen met mijn ouders maakte ik een rondje langs deze scholen. Al gauw had ik mijn keuze gemaakt. Ik vond beide scholen eigenlijk niks aan en ik koos dus maar voor de dichtstbijzijnde. Goed, de eerste schooldag: miserabel! Ik kwam binnen in de klas, T3a. dertig paar vreemde ogen keken me aan; ik was als verstijfd. De leraar wees me een plek en ik ging zitten. Ook hier vond ik veel allochtonen, het was ongeveer fifty-fifty verdeeld. De persoon die naast me zat, hing ongeïnteresseerd onderuit en klapte met haar kauwgom. De rest van de dag was simpel te verwoorden: ik werd genegeerd. Stil at ik in de pauze mijn boterhammen in een van de studieruimtes, nog steeds met een overrompeld gevoel. De andere dag was niet veel anders, en dit ging nog een paar dagen door. Ook thuis was er weinig te beleven. De oude meubels hadden inmiddels hun plek gevonden en mijn kamer was onderworpen aan een grote schoonmaak, een nieuwe vloer, geverfde muren en een nieuwe inrichting. Maar toch voelde het niet vertrouwd, het was alsof ik logeerde bij een persoon van wie ik de naam niet kende. Na een week school kwam er verandering in de manier waarop men met mij omging. Maar positief was dit niet. Het begon vrij onschuldig met opmerkingen om mij uit de tent te lokken. Vooral de jongens hadden het op mij voorzien. Ik was niet langer alleen, maar samen met Soraya, een meisje die ook bij mij in de klas zat. Samen zaten we aan een tafel in de aula en kletsten wat. Regelmatig werd er naar me gekeken waardoor ik me ongemakkelijk ging voelen. Op zich was dit nog wel te doen, al had ik liever gehad dat ze mij wat meer zouden accepteren. Het begon pas echt erg te worden nadat ik ongeveer 3 maanden op het Hoogwaard College zat. In de klas tijdens Nederlands hielden we een discussie over de multiculturele samenleving zoals dat heet. Ik zei er iets over, iets dat leek op: ‘In Nederland zie je wel steeds meer buitenlanders op straat. Vaak zijn ze wel agressief, en dan voel ik me vaak niet op mijn gemak.’ Een Turkse jongen uit mijn klas heeft dit zich schijnbaar erg aangetrokken en na de les kwam hij naar me toe. ‘Je moet je bek houden met je racistische opmerkingen. Nog één verkeerd woord of blik en ik mep je helemaal in elkaar.’ Dit was mijn allereerste bedreiging. Het drong niet goed tot me door, het voelde vreemd dat iemand mij het graf in wenste en mij zo beschuldigde. Ik besloot in het vervolg op mijn tellen te passen en me niet meer te mengen in dergelijke discussies. Dat zou beter zijn; voor mij en mijn ouders. Ik vertelde het thuis niet, bang voor de reactie of de gevolgen. Na die dag heb ik me teruggetrokken op mijn kamer en heb moedeloos gedichten zitten schrijven. Eigenlijk gaat het nog steeds bergafwaarts. Soraya zit niet meer bij mij op school; ze is het land uitgezet, een paar weken geleden. Ironisch eigenlijk; alles wat ik had, is me afgenomen. Mijn vrienden, mijn huis, mijn veiligheid. Met die Turkse jongen was ik ook nog niet klaar. Nog een paar keer had ik naar hem gekeken, met verschrikte ogen. Nog steeds niet beseffende wat hij tegen me heeft gezegd. Na school heeft mij me in elkaar geslagen, hij en zijn vrienden. Ook de dag erna heeft hij me dwars gezeten. Ik was een zondebok geworden. Ook een aantal andere mensen uit mijn klas zijn begonnen met schelden, mijn tas afpakken, slaan, schoppen, mij thuis opzoeken en ons huis volgooien met eieren, enzovoorts. Ik weet het niet meer.
Snikkend zak ik in de toiletten op de grond, mijn rug tegen de muur. Het rode vocht stroomt uit mijn neus en druppelt op mijn blouse. Zin om het te stoppen heb ik niet. Met kwade bewegingen veeg ik de uitgelopen mascara onder mijn ogen weg. Ze hebben mij weer te grazen genomen. De maat is vol, ik wil het niet langer. Maar wat kan ik doen? Met wie kan ik praten? Ik heb niets, kan ik iets doen? Geef mij een teken.