Citaat:
Al bijna anderhalf uur zijn we ondertussen onderweg in een militaire wagen die eruit zien als gemotoriseerde huifkarren. Binnen is het warm en een beetje benauwd waardoor ik slaperig begin te worden, maar in slaap vallen durf ik niet. Er zit namelijk ook nog iemand bij mij op wacht. Even wacht ik nog en daarna besluit ik maar te vragen hoelang het nog rijden is, Merchy zit op de bijrijderstoel en zeg dat het nog zo’n twee uur rijden is. Ik slaag een zachte maar diepe zucht, wat duurt het lang. Aangezien ik toch iets moet doen ga ik met mijn aandacht maar naar Tirza, mijn lieve verwende dinnetje. ‘Wat verwaarloos ik haar eigenlijk, binnenkort moet ik maar weer een stukje over haar schrijven.’ Dan denk ik aan dat ik het vorige stuk niet kan lezen en zak moedeloos onderuit. ‘Hopelijk hebben ze een oplossing in de hersenbeschadigingspecialisatie ziekenhuis.’ Maar veel hoop heb ik er niet op. Het blijft stil in de wagen en ondanks dat ik wakker probeer te blijven, zak ik op het monotone gebrom van de motor langzaam weg, het is te saai.
FLASHBACK
Ik klim in de bomen die bij mijn hut staan, want bovenin zitten nog wat vruchten die nu wel rijp zullen zijn. Ik pluk ze en ga weer naar beneden, zo slecht is het leven hier nog niet. Aangezien ik zin heb om te rennen trek ik een sprintje naar het meer, waar ik wat drink en het fruit was. De vruchten smaken goed, ze zijn heerlijk zoet, een soort perziken. Als ik terug naar mijn hut loop voel ik me plots ongemakkelijk worden. Iets of iemand kijkt naar me, en het is gevaarlijk. Snel ren ik weg, het bos in. Na een kwartier merk ik dat het me niet achtervolgt, maar nog steeds is het hier… ergens. Ik besluit nog verder weg te gaan, ditmaal lopend.
Na anderhalf uur is de angst verdwenen. Maar zo ver weg van waar ik wakker werd ben ik nog nooit geweest. Ook weet ik de weg terug niet meer te vinden en maak dus maar een primitieve hut voordat het donker wordt, aan de zon te zien nog zo’n twee uur, dat is net voldoende. Direct ga ik hard aan de slag, de informatie die ik bij de vorige hut maken heb ontdekt komen nu goed van pas. Uiteindelijk wordt het niet eens zo’n primitieve hut als ik in eerste instantie had bedacht. Yeeh! De zon gaat ondertussen onder, maar ik moet nog wel iets eten dus ga ik op zoek naar wat bekende bomen. Na enig lopen vind ik een appelboom en al snel zit ik bovenin er wat appels uit te vissen. Eentje eet ik er boven op en de rest neem ik mee naar beneden. Even zoeken is het wel maar na een half uurtje heb ik mijn hut weer teruggevonden. Gelukkig is het een heldere nacht want de zon is volledig verdwenen, de maan is halfvol en de sterren zijn goed te zien. Al snel vind ik het emmertje, dat is mijn uitgangspost. Vanuit de hutopening kijk ik er recht op, zoals het bij mijn vorige hut ook het geval was. De regen komt bijna nooit van die kant, dus het blijft altijd wel redelijk droog binnen. Ik ben moe en besluit naar bed te gaan, nou ja, op de grond te gaan liggen in de hut. Maar als ik lig val ik niet in slaap, ik wordt afgeleid door het vreemde iets dat naar me zat te staren vanmiddag, dat iets dat me op de vlucht heeft gejaagd door enkel te kijken en er te zijn. De hele nacht blijf ik wakker, een paar keer opstaand om naar buiten te kijken maar meestal binnen liggend. Pas als de zon opkomt val ik in slaap.
REALITEIT
Mijn hele lichaam ligt vast en direct raak ik gestresst, “Rustig maar, het is de scan die ze van je hersenen maken.” De stem van Merchy klinkt zacht en vriendelijk, zoals altijd. Om mij heen wordt er geklikt, alsof het een fototoestel is alleen dan heel groot. Al snel ontspan ik iets, maar eng blijf ik het vinden. Na zo’n half uur stopt het klikken en rustig wordt ik verschoven, of beter gezegd, het ding waar ik op lig wordt verschoven. Er komt meer ruimte om mij heen, het is minder benauwd. “Hoe voel jij je?” vraagt Merchy. “Het gaat wel, wat was dat?” fluisterend vraag ik het, want er is nog iemand in de kamer, iemand die niet zo lekker ruikt. “Een MRI-scanner.” Zegt een onbekende man, “Welkom in het Menorische Ziekenhuis, ik ben Imiris Yan.” Ik zwijg, hij klinkt niet prettig, een nare man is hij. “De resultaten zijn gemaakt.” Ze lopen naar de computer, maar mij laten ze vastzitten. Gabirov komt binnen, “Moet ze niet los?” “Oh ja, wil jij dat even doen?” antwoordt Merchy. Al snel is hij bezig met alle riempjes los te maken. “Je ziet eruit alsof je geradbraakt ben, is zo’n scan nou echt zo erg?” een glimlach verschijnt op mijn gezicht, “Alleen eng.” Fluister ik. “Volgens mij vind je die gast eng, is het niet?” fluistert Gabirov tegen mij, op zo’n manier dat de anderen hem niet kunnen horen. Ik knik subtiel. “Wil je wat drinken? Dan haal ik wat.” “Ja graag.” Hij loopt weg, de voetstappen vervagen terwijl het gepraat van Merchy en Yan steeds harder wordt, ze zijn aan het discussiëren over de resultaten, dat is duidelijk, maar wat ze nou eigenlijk zeggen? Ik heb echt geen idee. Dan hoor ik de voetstappen van Gabirov weer, voorzichtig ga ik rechtop zitten en dan geeft hij mij een glas aan, met mijn vinger zoek ik de bovenkant en dan drink ik ervan. Het koele water werkt verfrissend, eigenlijk is het jammer dat het glas zo snel leeg is. “Straks breng ik je nog wel een glas.” “Bedankt.” Ik fluister al minder zacht, maar nog steeds is het echt fluisteren. Dan wordt het even doodstil, maar al snel wordt deze door Merchy verbroken. “Gabirov, wil je even meekomen?” Er wordt niet geantwoord maar al snel lopen ze met zijn drieën weg. Het wordt stil en ik ga maar weer liggen, al snel val ik in slaap.
DROOM
Er wordt geschreeuwd, snel ga ik rechtop zitten. Ik sla mezelf zowat knock-out tegen het lage dak en als ik iets bijgekomen ben en weer zicht heb, ga ik voorzichtig naar de uitgang. Nog vanuit de uitgang is te zien dat er een jongen dood op straat ligt, nog maar net gedood aan het bloed rondom te zien en hoe het nog uitbreid. Hij is vermoord, dat is te zien aan het aantal messteken. Het zijn er namelijk meerdere en allemaal in de rug. Iets dat bij zelfmoord of een ongeluk niet gebeurd. Als ik de hut uitkom is het doodstil, iedereen kijkt naar mij. “Zij is de dader!” Snel ren ik weg, ze komen met messen en speren achter mij aan. Ontkennen heeft toch geen zin. Minstens een uur ren ik, bang om neergestoken te worden. Het stuk dat ik eerst gezweefd heb ren ik nu. Plots krijg ik de mogelijkheid om te zweven weer terug, snel stijg ik op en het land veranderd weer in zee, landen ga ik niet meer. De rest van de dag zweef ik maar wat rond, last van honger of dorst heb ik op één of andere manier niet. Langzaam wordt het donker maar landen is eng, dus ik blijf zweven. In de horizon zie ik iets, het steekt af tegen de rode lucht en de ondergaande zon. Langzaam kom ik dichterbij, het is iets blauws, een draak of zoiets. Nog wat dichterbij gekomen zie ik dat het twee paar vleugels heeft, een paar blauwe drakenvleugels en een paar zwarte verenvleugels. Ook heeft het een snavel en vogelpoten, het lijkt wel een raaf en draak ineen. Het laat mij met rust dus we passeren elkaar en vliegen verder, nog eenmaal kijk ik achterom, wat een machtig beest is dat zeg, machtig gewoon. Ook de nacht gaat voorbij, langzaamaan wordt ik moe, maar landen durf ik niet, dus zweef ik door. Als de zon alweer voorbij zijn hoogtepunt is ben ik uitgeput, ik zou veel doen voor een dutje, maar niet alles, en landen is er één van. Instinctief weet ik dat zwevend slapen onmogelijk is, dus zorg ik er maar voor dat ik wakker blijf. De raafdraak komt nogmaals langs, maar weer negeert hij mij. ‘Ragon’ schiet door mijn gedachten heen ‘Een raafdraak heet een Ragon’. Hoe ik aan de kennis kom weet ik niet, maar ik weet het zeker. Het is een combinatie van de engelse woorden Dragon en Raven, wat draak en raaf betekend.
Steeds lager zweef ik, ik heb de kracht niet om hoog te blijven zweven. Langzaam komt het avondrood weer in beeld en de Ragon bezoekt mij voor een derde maal. Deze keer word ik niet genegeerd, “Geef op.” Zegt hij, om daarna te verdwijnen, maar ik durf niet, ondanks dat ik bijna bewusteloos ben van vermoeidheid. Nog een laatste maal werk ik mezelf omhoog, om nog geen land te zien, daarna stort ik neer, buiten bewustzijn.