Het felle licht van boven.
Dat stralend op me neer schijnt.
Wacht ik hopend wanneer het me met overdreven kracht gaat roven.
Van me niet schone lichaam en hem dan reint.
Met het doordachte gevoel.
Scheeuwend naar het doel.
Hoor ik het adrealine in me lichaam zeggen dat ik me schaam.
Schaam me voor het geen wat in het onderbewustzijn verscheen.
Zonder het me te laten voelen wil het dat ik blijf groeien.
En bewust zal zijn wat ze bedoelen.
Maar heb niks met het verleden te maken.
Proberen ze me weer met nieuwe zaken te raken.
Waardoor ik niet met mijn leven kan schaken
Maar met ziekelijke pijn in mijn hart moet braken.
Brakend op hetgeen wat op mijn scheen,
dwars door mij heen.
Waar ik mee bezig ben,
Maar ik ook weer hard voor weg ren.
Blijft het mijn innerlijk maar plagen,
Huilend in mijzelf hoop ik op die dagen.
Dat ze het gaan vragen.
Dan stel ik mijzelf de vraag,
met onzichtbare angst in mijn maag.
Dat het liefst met luide stem gilt.
De goede keuze mij helpt en niet kilt.
Hatelijk door tweeën deelt maar juist heelt.