
Het is een beetje een fantasie verhaal.

Citaat:1.
Het was een koude, vochtige zomernacht. De sterren stonden helder aan de hemel, en er waren geen wolken tot in de verste verte te bekennen. Het water stroomde zachtjes voort terwijl een paar Trinkorns snel met de stroom mee zwommen. Selwyn zat aan de kant van de rivier. Ze zag de vissoort snel voorbij zwemmen terwijl ze bedacht wat voor wonderbaarlijke wezens het eigelijk zijn. Ze zijn groot, maar toch slank. Een mooie felrode vin en zacht gouden schubben.
Ze stond op en slenterde langzaam terug naar haar huis, dat midden in het Gorkemwoud stond. Het was een prachtig huis van witte stenen en pilaren, die versiert waren met bloemen. Ze liep de trap op in de hoop dat haar vader het niet gemerkt heeft dat ze weg was geweest. Haar vader was een machtig man, de koning van het Gorkemwoud. Hij was al oud geworden, en Selwyn weet dat zij de troonopvolger is. Ze wil het liever niet, als ze mocht kiezen was ze op reis gegaan. Eerst door de Ifeb rivier, daarna langs het open veld zo de bergen in. Ze is nog nooit verder geweest dan de Ifeb rivier, dat had haar vader haar verboden.
Ze doet zachtjes de deur open en slaakt een diepe zucht als ze haar vader ziet zitten. ‘Wat heb ik je nou gezegd, Selwyn?! Je weet dat je niet het huis uit mag zonder dat er iemand bij je is.’ Ze kijkt hem aan. Hij wordt al echt oud, ze ziet de rimpels goed in het felle licht van de lamp. Ook ziet ze zijn grijze haren, die vroeger gitzwart waren. ‘Sorry vader, ik had behoefte aan wat frisse lucht en ik wou niemand wakker maken.’ Hopelijk zou ze hiermee weg komen. ‘Voortaan ga je dan maar op het balkon staan. Ik wil het niet nog eens hebben. Nu direct naar bed!’ Selwyn liep naar haar kamer en trok haar nachtkleding aan. Net toen ze in haar bed wilde stappen hoorde ze stemmen van twee mannen. Snel liep ze naar haar deur en deed die voorzichtig open tot een kier. Ze hoorde de stem van haar vader, maar wie was die andere man? En waar hadden ze het over? Ze kon het niet verstaan en gaf de deur nog een klein duwtje. De deur kraakte en Selwyn schrok. De stemmen hielden op. ‘Selwyn?’ riep haar vader. ‘Selwyn?!’ Zachtjes trok ze de deur dicht en stapte snel in bed.
Ferdi slenterde langzaam voort. Hij was moe, hij had al de hele dag gelopen. Het was al midden in de nacht dus besloot hij om een plekje te zoeken waar hij even kon uitrusten. Al snel zag hij een paar rotsen met een struikje. Hij brak wat takjes af en maakte zo een plekje waar hij neer plofte. Morgen maar weer verder, dacht hij in zichzelf. Nu eerst even rusten. Hij trok zijn jas uit en legde die in een propje onder zijn hoofd. Hij keek omhoog. Wat stonden de sterren er helder bij. Het was stil. Hij wou dat zijn broer er bij was geweest, die had altijd wel leuke verhalen te vertellen. Slapen kon Ferdi niet, hij was zich bewust dat er best iets zou kunnen gebeuren. Het was tenslotte midden in de nacht en hij was alleen in een groot woud. Het Gorkemwoud, als hij goed gelopen had. Als hij op het zelfde tempo zou doorlopen als dat hij de vorige drie dagen had gedaan zou hij er over nog eens drie dagen zijn. Hij hoopte het. Hij hoopte dat zijn broer er nog was, dat hij niet te laat zou zijn. Het was een grote kans van wel, maar Ferdi had het er voor over, als hij zijn broer nog maar één keer kon zien. Het was tenslotte zijn schuld, eigelijk zouden ze hem moeten hebben, niet zijn broer. Maar Fons kennende nam alles op zich, zijn kleine broertje beschermend. Ferdi had het er niet bij laten zitten, en heeft direct zijn spullen gepakt en is op weg gegaan, op weg naar Fons. Als het goed is brachten ze hem naar Arindi. Arindi was een akelige man. Hij had heel kort haar en was erg gespierd. Veel mensen waren bang voor hem, net als Ferdi eens was geweest. Nu was Ferdi niet meer bang voor hem, maar was woest, woest dat hij zijn broer van hem had afgenomen. Ferdi sloot zijn ogen en zag zijn broers gezicht voor hem. Lachend, alsof hij wou zeggen dat alles goed zou komen. Ferdi hoopte het maar, zo niet zou hij niet weten wat hij zonder zijn broer moest doen. Ze waren altijd goede vrienden van elkaar geweest. Hij miste Fons.
De volgende ochtend werd Selwyn al vroeg wakker. Ze hoorde de vogels fluiten en een straal zonlicht probeerde tussen de gordijnen door te komen. Het lukte hem nadat Selwyn een ruk aan de gordijnen gaf. Ze wreef in haar ogen, die even verblind werden door het plotseling felle licht. Ze keek naar buiten en voelde dat er iets aan de hand was. Snel ruilde ze haar nachtkleding voor een mooie, witte, zomerse jurk. Ze borstelde haar haren en liep naar beneden. ‘Vader?’ Ze wachtte even. Geen antwoord. ‘Vader?’ Probeerde ze nog een keer. Weer niks. Ze liep naar buiten en zag het dorp in volle gang bezig zijn. Vaders die op weg naar het land waren om voor het voedsel te zorgen dat de moeders aan hun kinderen gaven. Wat zou ze hier graag weg willen. ‘Gewoon op een dag de benodigde spullen pakken en gaan lopen, lopen tot ik een mooi plekje heb gevonden en daar verder gaan.’ Ze bedacht zich dat ze haar vader zocht, en liep weer terug. Hij was nergens te bekennen dus besloot ze maar wat te eten te pakken. Ze deed een kast open en het enigste wat ze zag was brood. ‘Het wordt dus brood.’ Ze pakte een sneetje. Ze was te lui om er beleg op te doen, dus vouwde ze hem dubbel en nam een hap. Al etend liep ze naar buiten. Nu vader er niet was, was het een perfect moment om er weer tussenuit te glippen. Ze sloot de witte deur met grote glazen achter haar en liep de trap af. Ze besloot om maar weer naar de Ifeb rivier te gaan. Al lopende zag ze dat ze niet de enige was die het ouderlijke huis was ontvlucht. Ze zag een jongen op de steen zitten, waar zij die nacht nog gezeten had. Ze bleef achter een boom staan en keek of ze de jongen kon herkennen. Ze zag korte, donkere haren. Hij had een lange broek aan in de kleur van het dennenhout, een beetje lichter misschien. Daarboven droeg hij een donkergroen shirt. Naast hem stond een zak.
Ferdi was de hele nacht wakker gebleven. Hij kon gewoon niet slapen. Hij zocht in zijn zak en vond nog wat eten. Hij legde het alvast klaar en liep de rivier in. Hij friste zichzelf wat op en ging op een steen langs de rivier zitten eten. Ferdi schrok. Hij draaide zich om en keek rond. Hij zag niks, heeft hij het zich verbeeld? Hij keek nog eens goed rond en besloot dat het vast een dier geweest zal zijn. Hij at zijn laatste stukje etensrest op en deed zijn broers zak dicht. Terwijl hij dat deed hoorde hij weer wat, alleen nu van links, wat net van rechts was geweest. Hij stond op en liep voorzichtig naar de plek waar hij wat hoorde, met zijn hand op zijn zwaard.
Selwyn hielt haar adem in. Ze probeerde zich niet te verroeren in de hoop dat de jongen uiteindelijk weer weg zou gaan. Nu zag ze zijn gezicht goed. Het was een knappe jongen, waarschijnlijk van de zelfde leeftijd als Selwyn. Misschien één of twee jaar ouder. Ze zag hem voorzichtig een paar struiken opzij schuiven. Ze dook wat verder in elkaar, want de jongen kwam nu erg dichtbij. Te laat, hij had haar gezien. Snel zette ze het op een lopen en hoorde de jongen schreeuwen. ‘Wacht! Ik doe je niks.’ Selwyn stopte met rennen en twijfelde. Ze besloot om te wachten tot de jongen kwam. Ze hoorde wat struiken en een paar tellen later stonden ze tegenover elkaar. Een tijd lang zeiden ze niks en staarden ze elkaar aan. Selwyn zag dat het niet iemand van hier was, en ook zag ze zijn zwaard. ‘Ik ben Ferdi.’ Hij stak zijn hand uit. Een beetje onnozel nam Selwyn zijn hand aan terwijl ze haar naam zei. ‘Selwyn.’ Ze kon haar ogen niet van zijn zwaard af houden, ze had nog nooit een zwaard van zo dichtbij gezien. Ferdi zag haar naar zijn zwaard kijken. ‘Ik doe er niks mee, alleen als ikzelf wordt aangevallen. Je weet het maar nooit. Ik ben op reis, en de nachten duren ontzettend lang. Zo voel ik me veiliger.’ Op reis, dacht Selwyn. Dat was iets wat zij ook zo ontzettend graag wou. ‘Waar ga je naar toe?’ Ferdi dacht na of hij het wel moest zeggen. ‘Naar mijn broer.’ Dit leek hem het beste antwoord, hij loog niet maar vertelde ook niet de hele waarheid. Selwyn zag dat hij iets achter hield maar vroeg maar niet door. ‘En jij? Ben jij ook op reis?’ Selwyn schrok uit haar gedachte. ‘Nee, ik woon hier vlakbij.’ Ferdi vroeg zich af of ze misschien wat te eten voor hem zou hebben, aangezien hij door zijn voedselvoorraad heen was. ‘Misschien een beetje rare vraag, maar heb je misschien wat te eten voor mij? Ik ben al drie dagen onderweg en heb nog drie dagen te gaan maar mijn eten is al op. Ik had een beetje verkeerde schatting gemaakt, ik hoopte er vanavond al te zijn.’ Selwyn dacht na. Haar vader was er toch niet, en het zou toch geen kwaad kunnen? Ze zou hem alleen maar wat te eten geven en dan zou hij weer verder gaan, naar zijn broer. ‘Ja is goed, loop maar mee.’ Met Selwyn voorop liepen ze naar haar huis.
Zou ik verder schrijven of denken jullie laat maar zitten?
