in dit geval ben ik gewoon wat aan het schrijven puur voor de lol, dus heb hier wat snippers van een verhaal wat ik hoop ooit eens af te schrijven. 
Het gaat over Kakaro, ze is 16/17/18 jaar oud (ben ik nog niet helemaal over uit
) en dacht redelijk normaal te zijn. Het tegendeel is waar. Ze is de kroonprinses van een planeet heel wat kilometertjes van Aarde af, van Lao. Alleen, ze is daar nog nooit geweest.
Lijfelijk is ze op Aarde, alleen wanneer ze slaapt steekt ze de grens tussen aarde en haar thuiswereld over en neemt ze bezit van het lichaam waar ze op Lao in is geboren.
Alles leuk en aardig denk je, een prinses, dat wil iedereen wel zijn.
Punt is alleen dat Lao bekent staat als DE huurlingenplaneet van dat deel van het heelal, berucht voor zijn krijgers en hun krijgskunsten.
En dan heb je Kakaro, die absoluut niets van vechten afweet, laat staan een planeet regeren die in haar ogen zo barbaars is als maar zijn kan.
Ze word niet bepaald geholpen door haar tiranieke grootmoeder, die op het eerste gezicht bijzonder bot en zelf gemeen overkomt. Ze word gedrild, vernederd, uitgehuwelijkt en er word van haar verwacht dat ze binnen een jaar tijd klaar is om de Hoge Troon van Lao te bestijgen en haar grootmoeder te helpen met regeren.
Wat is een tiener met absoluut zero ervaring te doen?
Haar best is iets moois om mee te beginnen, ookal loopt niet altijd alles zoals zij dat wenst of gehoopt had.
---
Ik heb nog niet echt een begin of een einde, af en toe krijg ik een geniale ingeving, dus deze korte stukjes staan niet in chronolgische volgorde, toch was ik even nieuwsgierig wat jullie er van vinden.

Ik probeer een beetje af te wisselen tussen schrijven vanuit de ik-persoon of vanuit een derde, ik weet nog niet echt welke me het beste af gaat.
Ah well, I have fun writing it.
---
Mijn naam is Kakaro
Ik kan me niet echt herinneren wanneer het allemaal begon. Het reizen tussen de twee werelden bedoel ik. Ik kan me niet herinneren wat het veroorzaakte.
Wat ik wel weet is dat ik het niet meer kan stoppen en dat ik vast zit tussen deze droomwereld en de wereld die ik mijn eigen noem. Of het echt een droomwereld is waar ik naartoe ga elke keer als ik slaap weet ik niet.
Ik ben er nu zo vaak geweest dat ik het min of meer normaal ga vinden dat ik daarheen ga elke keer als ik mijn ogen dichtdoe.
Ze lijken allebei zo echt. Ik weet niet meer wat echt is en wat niet. Als ik wakker ben, ben ik hier, waar ik dacht te behoren.
Maar zodra ik slaap, bevind ik mij in een geheel andere wereld. Mij is uitgelegd dat ik hier evengoed thuishoor. Maar ik heb ze zo vaak uitgelegd dat ik slaap, dat ik droom, maar ik moet je eerlijk bekennen dat zodra ik ‘droom’ dat ik wel erg wakker lijk.
Maar een mens kan niet zonder slaap, dus welke wereld is nou echt?
In welke wereld ben ik wakker, in welke wereld droom ik?
Ik ben een tussenreiziger, een tussenproduct. Geen blauwe of rode pil voor mij, de mijne is paars. Nog niet klaar om de ene wereld te verlaten, nog niet klaar om in de andere te leven en nog helemaal niet in staat om een keuze te maken. Het schijnt vaker voor te komen.
Het is lastig, het is gecompliceerd en zelfs ik snap er de ballen niet van.
Daarom heb ik ook besloten het op te schrijven, het was me sowieso al aangeraden. Het zou me helpen om het beter te verwerken. Nou, alles wat deze situatie duidelijker kan maken pak ik aan. Maar ik denk dat ik maar ga beginnen met het logisch opschrijven van mijn huidige situatie voordat ik er helemaal gek van word. Als ik dat al niet ben. Oké, logisch, volkomen logisch.
Ik ga mijn leven opschrijven, zoals het nu is ongeveer negen maanden nadat ‘het’ allemaal begon en ik heb besloten het helemaal uit te schrijven totdat ik doorheb wat er nou eigenlijk met mij gebeurd. Mijn leven nam namelijk een iets andere draai dan een gemiddeld leven van een normaal meisje in haar tienerjaren.
Tot die tijd leefde ik in de heerlijke waan dat ik was zoals elk ander meisje van mijn leeftijd.
Ik ging naar school, ik stond op het punt eindexamen te gaan doen. Ik had mijn vriendinnen, we hielden van winkelen en van films; vooral van die griezelige die we dan ’s nachts keken zodat we niet meer durfden te slapen en de hele nacht elkaar wakker hielden met angstig gegiebel. Hier heb je geen horrorfilms, al verdiende mijn leven de laatste maand wel de classificatie horror.
Maar films kijken, ijsjes eten en winkelen met vriendinnen is nu al weer negen maanden terug en ik denk niet dat ik het ooit weer zal doen. Ik denk namelijk niet dat mijn leven ooit weer normaal word, zoals het was bedoel ik. Die hoop is al vaak genoeg de grond ingeslagen. Meestal door mijn grootmama, daar is ze goed in.
Maar ik zal ophouden met het rekken van een onderwerp dat niet gerekt hoeft te worden, zoals mijn grootmama altijd zegt, en verder gaan met wat ik nou eigenlijk probeer op te schrijven.
Mijn naam is Kakaro Dunami, min of meer. Zo noemen ze me, maar het is eigenlijk de naam van mijn grootmama met ‘de tweede’ erachteraan geplakt. Tenminste, dat is mijn naam in de wereld waar ik deel uit maak als ik slaap, tenminste op Aarde.
Het is de naam die ze me hebben gegeven blak nadat ik was geboren, maar het is niet de naam die ik voor de rest van mijn leven zal dragen. Die naam zal worden gegeven op het moment dat ik mezelf bewezen heb. Het is traditie, ik vind het allang prima. Tegen de tijd dat ik dood in mijn graf lig zal ik vijf namen hebben gekregen, gemiddeld.
Tot de dag dat ik mezelf bewezen heb draag ik de naam van iemand die zich al bewezen heeft. Als een soort van bescherming totdat ik mijn eigen naam krijg. Een soort van talisman, zo je wilt.
Kakaro is de naam van mijn grootmama. Het betekend iets in de trant van ‘koppig’ en ‘vechtende kracht.’
Een perfecte beschrijving van haar, ze is zoals er wel eens gezegd word; ‘One sassy granny.’
Ze is niet het type grootmama dat me koekies en melk zal voeren, alleen als ze er van is overtuigd dat ik er sterker van word. Tot nu toe heb ik haar niet kunnen overtuigen dat koekjes goed voor me zijn.
Het is ook zo raar om haar ‘oma’ te noemen, eenieder die haar zou kennen zou ook zeggen dat ze totaal geen oma is. Nou, ze is het natuurlijk wel. Maar bij ‘oma’ denk ik aan een lief klein vrouwtje met grijs haar met een wandelstok.
Dat is ze gewoon niet. Ze heeft geen wandelstok nodig en van grijs haar is ook niet echt sprake. Ze is wel ‘oud’ ziet er ‘oud uit’ voor haar doen maar ze is gewoon zoveel meer dan een oma, zoveel meer dan ik ooit zal zijn. Ze is sterker, slimmer, sluwer en chagrijniger. Vooral chagrijniger. Daar kan ik nooit van m’n leven aan tippen en toch heeft zij mij tot haar erfgename gemaakt.
Maargoed, nog even terug naar waar we waren.
Het is niet bijzonder zeldzaam dat ik de naam van mijn grootmama heb meegekregen, maar tevens komt het ook niet vaak voor. Maar meestal krijg je de naam van je moeder mee, wat in mijn geval dus niet zo is.
Mijn grootmama heette Seri in haar jeugd, al kreeg ze al vrij snel de naam Kakaro. Ze zou dan eigenlijk Kakaro Seri moeten heten, als een soort van achternaam idee maar in haar geval zorgen haar titel, afkomst en positie ervoor dat het gebruik van haar moeders naam volledig overbodig is. Ze heet gewoon Kakaro.
De naam van mijn biologische moeder is Beku, al heette ze in haar jeugd natuurlijk anders. Zij heeft ook haar naam al verworven. Haar naam betekend iets van ‘zachtaardig’ en dat klopt ook wel, door en door. Te aardig eigenlijk.
Niet geschikt voor de kroon en de troon, heeft mijn grootmama eens tegen me gezegd. Ze bedoelde het niet verkeerd, ze houdt van haar dochter, maar zelfs ik moet toegeven dat mijn moeder niet geschikt is om wat dan ook te regeren.
Ik heb ook eens gevraagd aan mijn grootmoeder of ze mij ook te zachtaardig vond. Nah, zei ze, jij bent gewoon lui en dom.
Het stomme is, ik moest haar nog voor dit commentaar bedanken ook. Heeft wederom te maken met haar titel en het feit dat we in gezelschap waren toen ik het haar vroeg, dan moet ik haar als erfgenaam bedanken voor haar uitleg en aandacht aan mij.
Geloof me, het enthousiasme van het bedankje spatte ervan af.
Maar het punt is dus dat mijn moeder mijn grootmoeder nooit op zal volgen. Ze snapt dit ook en ze zit er niet mee. Het is nooit haar ambitie geweest om het stokje van mijn grootmama over te nemen.
De mijne eigenlijk ook niet, maar mijn lieve grootmama zorgt er wel voor dat ik absoluut geen keus hierin heb, tot tegenstelling van mijn mams. Ik zal haar opvolgen hoe dan ook.
Goed, Beku als naam was dus niet geschikt voor mij. Dus werd er besloten dat ik de naam van m’n grootmama zou krijgen. Dat zou autgrootmamatisch betekenen dat de voogdij over mij overgedragen werd van mijn biologische ouders naar mijn grootouders. Niet mijn mama’s besluit, maar grootmama’s wil is wet.
Dus Kakaro is mijn naam, Kakaro Dunami. Kakaro de Tweede, om verwarring te voorkomen.
Poeh, wat er allemaal wel niet in een naam zit, drie kantjes verder en nu hebben we nog alleen maar mijn naam besproken.
Ik heb al min of meer uitgelegd wie en wat ik ben.
Ik ben Kakaro Dunami, Erfgename en de prinses van de Hoge Troon. Ik word de Hoogste Koningin wanneer mijn grootmoeder sterft. Maar niet de Koningin van Aarde.
Verwarrend? Hoe denk je dat ik me voel?
Maar de titel erfgename maakt mij dus een prinses, inclusief kroontje, al draag ik dat kreng niet. We gebruiken de titel ‘prinses’ nagenoeg nooit, Kakaro Dunami zegt in principe genoeg. Geloof me, niemand anders op deze rotplaneet heet Kakaro.
Mijn titel maakt mijn grootmoeder een koningin, mijn biologische moeder een prinses. Mijn grootvader was al koning toen hij met mijn grootmoeder trouwde, anders was hij ook een prins geweest.
Mijn vader is gewoon mijn vader. Waarom hij geen prins heeft is een verhaal en dat verhaal heeft nog een staartje.
Ik ben het enigste kleinkind van mijn grootmoeder en dat is dan ook de enigste reden waarom ik überhaupt ben genomineerd voor de troon. Als ik in haar schoenen stond met mij voor mijn neus zou ik het ook wel weten. Of juist niet. Immers, ik zeg nou praktisch dat ik hier de zwakkeling ben. Daar doen we niet aan.
Liefde is een last als het op erfgenamen en tronen aankomt. Dat zegt mijn grootmama altijd.
Ik kan er wel mee inkomen, maar ik ben er nog steeds niet over uit of ik wel koningin wil worden of niet.
Ja, welke troon dan zul je denken. Ik zal het proberen om het uit te leggen, maar het ligt wat gecompliceerd. Ik heb het namelijk niet over Aarde, zelfs niet over dit zonnestelsel, of zelfs dit deel van het heelal.
Ik heb het over de planeet Lao. Het is een middelgrote tot grote planeet, met ongeveer zes keer het dubbele aan aardoppervlak dan wat de Aarde zelf heeft.
Kort samengevat; een hele grote planeet, vergeleken met de Aarde.
Zo groot zelfs, dat twee planeten in een baan om Lao meedraaien. Deze drie planeten vormen samen een soort van Verenigd Koninkrijk, alleen is er geen Engeland. Lao is de hoofdplaneet, ik breng ook m’n meeste tijd door op Lao. De andere planeten zijn, bot gezegd, minder belangrijk.
Lao is het belangrijkste van de drie, het is namelijk de planeet waar de Hoge Troon staat.
De troon die boven de andere twee tronen staat zeg maar.
De troon van mijn grootmoeder. Mijn toekomstige troon. Maar zo interessant is die niet.
Hij is opgetrokken uit wit steen vergelijkbaar met marmer, met ornamenten die in een oude taal een verhaal zouden moeten vertellen. De Hoge Troon word geflankeerd door twee mindere tronen, een grijze en een zwarte, die staan voor de andere twee ‘mindere’ planeten; Lao II, de kolonie, en de Zwarte Planeet, oftewel Ryo.
Een beetje moeilijk uit te leggen, vroeger hoefde ik alleen maar te vertellen in welk land ik woonde en nu moet ik de planeet uitleggen. Inclusief koninghuis en rangorde.
---
Het was denk ik januari, of februari toen het allemaal begon. Ik was ’s morgens moe, en dan dat echte moe zijn van: ik kan niet wachten tot de avond ik wil nu terug naar m’n bed en slapen. Ik kon nauwelijks m’n bed uitkomen, viel constant terug in slaap, kon mijn wekker wel wurgen en mijn moeder even makkelijk ook als ze mij uit bed probeerde te krijgen.
Ik zag eruit als een spook, lijkbleek met donkere kringen onder mijn ogen.
Ik was gewoon moe, doodmoe.
Maar hoe het kwam, geen idee. Totaal geen idee. Toen tenminste, nu weet ik wel waardoor het komt natuurlijk.
Overdag was ik draaierig, sloom, totaal uit m’n hum. Maar ik sliep uren en uren achtereen.
Natuurlijk gingen we naar de dokter, maar wat kregen we te horen: je bent oververmoeid, ga maar een weekje slapen. Nou, ik een weekje slapen. Ik sliep meer dan de gemiddelde persoon in een week zou doen, maar er veranderde niks.
Ik bleef moe. Reactievermogen van een slak, ik kon geen letter lezen zonder het dubbel te zien. Maar alles went, eruit zien als een zombie is alleen minder flatteus.
Maar het enige wat wel duidelijk werd waren de dromen, ik droomde aan een stuk door. Tenminste, ik weet dat ik droomde, maar wat ik droomde weet ik niet precies. Tja, ik kon me een tuin herinneren, een grote tuin die ooit beslist prachtig had moeten zijn, maar nu was die verdord. De bomen hadden geen bladeren en als er ooit bloemen waren geweest, waren die nu uitgebloeid. De dromen waarin ik in die tuin stond, leken levensecht.
Maar dromen worden niet altijd serieus genomen, hoewel sommige zweren dat een terugkerende droom een betekenis heeft.
Ik heb het opgezocht, echt waar. Dit vond ik; Als je een kale, met onkruid bezaaide tuin ziet, suggereert dat jij je spirituele noden hebt genegeerd.
Hehe, ik en spiritueel. Je kan begrijpen dat dit weinig hielp. Maar het leven ging door, en na het weekje ‘rust’ ging ik gewoon weer naar school.
Maar iedere zelfrespecterende scholier weet dat slaperig en oververmoeid zijn niet samengaat met lessen als Duits en Economie. Voor de algehele concentratie is het niet bevorderlijk, en het was ook niet vreemd dat ik tijdens economie mijn beruchte grootmoeder voor het eerst zag en sprak.
---
Het was donker en vochtig terwijl ze zich zo goed mogelijk in elkaar probeerde te duiken in de kleine ruimte die haar als door een wonder was gegund. Twee stalen balken die ooit een deel hadden uitgemaakt van verstevigde muren, lagen krom en gebogen over haar heen. Platen van gebroken muren, gruis en metaal hadden een dak boven haar gevormd, een instabiel dak dat alleen maar leek te kraken onder het gewicht van het ingestorte gebouw dat zich met zoveel geweld op haar had geworpen.
Ze hoestte, probeerde haar ogen te openen, voelde om zich heen hoeveel ruimte ze nog had terwijl samen met haar angst en adrenaline langzaam het stof zakte en haar benarde schuilplaats bloot gaf. Een klein lichtstraaltje, nauwelijks fel genoeg om als licht te dienen, viel naar binnen terwijl het dak boven haar nog een zucht gaf.
Het was voor haar genoeg om te zien wat er gebeurd was. Alles was ingestort, een eens zo prachtig en trots gebouw van eens drie etages hoog, prachtig witgeschilderd en versierd met de mooiste beelden, gereduceerd tot slechts een hoop puin.
Voor een moment was de gedachte van haar vernietigde thuis genoeg om in tranen uit te barsten en ze onderdrukte een snik, die een pijnscheut teweeg bracht en haar deed realiseren dat ze niet volledig ongehavend onder het puin lag. Angst, woede en als laatste hoop streden om de voorrang toen ze zo goed mogelijk met haar hand haar been volgde, op zoek naar waar de pijn vandaan kwam. Ze voelde zich roezig, weet het aan de adrenaline. Haar hand raakte koud, ruw steen. Ze zat klem, haar rechtvoet bedolven onder het puin terwijl haar linker wonder boven wonder ongedeerd onder haar lichaam lag. Een grimas verspreidde zich over haar gezicht, terwijl ze zich langzaam strekte. Ze zat vast, ze kon niet weg.
Enkel het kleine lichtstraaltje gaf wat hoop, dat door alle lagen puin er in ieder geval een doorgang was, te klein voor haar, maar breed genoeg om haar stem naar boven te brengen.
Als ze al naar haar zochten.
Met een zucht legde ze haar hoofd op haar arm en staarde voor zich uit, probeerde haar verwarde gedachtegang te kalmeren, toen haar blik op een stuk doek viel. Het was eens prachtig beschilderd geweest, een deel van een groter doek, een veldslag omlijst door de meest mooie lijst die ze ooit gezien had. Nu alleen was alleen nog het gezicht te zien, streng, een man met lange bruinen haar en priemende ogen. Ze hadden hem feller geschilderd dan hij was geweest, zo had ze zich laten vertellen.
Hij was gestorven in zijn eigen paleis, vlak na de veldslag die het schilderij had laten zien. Het dak was ingestort na een onverholen aanval, explosieve hadden hem onder een laag puin en steen bedolven.
“Ironisch, is het niet?” Fluisterde ze zachtjes voor zich uit, terwijl ze in de ogen keek van het geschilderde figuur, die woest naar haar terugkeek. “Zou het misschien in de familie zitten, bedolven worden?” en sterven onder een laag puin zonder dat iemand haar ooit op tijd zou vinden.
Ze keek op naar het gat in het puin waar het licht doorheen viel, het was misschien breed genoeg voor een hand, maar ze schatte de afstand naar boven minimaal zes meter.
Zes meter aan puin, stof, steen en staal wat haar van de buitenlucht onderscheidde. Ze kon de oranje hemel zien, er waren geen wolken. Vreemd, het was nacht geweest toen het allemaal was gebeurd. Ze kon zich niet herinneren dat ze in slaap was gevallen. Het was dag, misschien zochten ze al naar haar.
Ze worstelde zich op haar rug, beet op haar kiezen toen nog een pijnscheut door haar been trok, maar negeerde de pijn zo goed ze kon. Overleven was een grotere prioriteit, gered worden, haar been kwam later wel.
Ze draaide haar hoofd naar het gat, staarde omhoog voordat ze een diep tuig lucht nam en schreeuwde;
“Hallo?” Haar stem klonk schor, rasperig en lang niet zo luid als ze gehoopt had. Haar tong voelde aan alsof ze een hap zand had genomen en haar ogen prikte door het stof dat nog steeds neerdaalde.
Er sijpelde vloeistof in haar oor. Ze bracht haar hand omhoog, raakte het aan met haar vingertoppen en bracht het naar het licht.
Bloed. Maar niet van haar oor, het kwam ergens anders verdaan, het prikte bij haar kaak, naar haar oog toe. Het deed geen pijn, het kon adrenaline zijn, maar ze zag het als een gunstig iets dat het prikken niet van haar keel kwam. Ze redeneerde dat als het van haar hals was gekomen, dat ze niet meer wakker was geworden.
Andere prioriteiten.
Ze keek even naar het schilderij, naar het strenge gezicht van haar overgrootvader, vertokken in een strijdkreet. Dit was haar eigen strijd, al wist ze niet zeker of er ooit een schilderij van haar geschilderd zou worden.
Ze zoog lucht in haar longen, negeerde haar pijnlijke keel vol van stof en riep nog eens. Het klonk al harder dan de eerste keer, maar nog niet hard genoeg, er kwam geen antwoord.
Ze zuchtte, teleurgesteld, ze hoorde niets.
Of wel?
Schraperig gehoest, voordat iemand de kracht vond om terug te roepen.
“Kakaro?” Het was zwak, had ze het zich verbeeld, was het misschien het kraken van steen op steen geweest? Ze draaide haar hoofd, probeede te luisteren met het oor dat niet naar de explosie was toegedraaid, waar geen scherpe piep haar gehoor vertroebelde.
“Kakaro?!” Ze had zich niet vergist, maar het was zwak en ver weg.
“Dryden?” Haar stem leek hernieuwde kracht te hebben gevonden, terwijl ze met alle kracht zijn naam schreeuwde. Het leek onwerkelijk, ze had niet gedacht dat…
“Ja!” Opluchting walste door haar heen toen ze de stem van haar beste vriend hoorde. Misschien was de explosie niet zo erg geweest, misschien leek het niet zo erg als het was?
“Waar ben je?” Riep ze terug, spitste haar oren, probeerde te luisteren.
“Ik weet niet, het is donker.” Ze hoorde geschuifel, hij kon zich nog bewegen. Misschien kon hij weg? “Ik kan niet weg, het is te krap. Ik zit klem. Zie jij wat?” Het was een teleursteling, maar ze had het kunnen verwachten, zijn stem klonk verder weg. Misschien lag hij dieper?
“Er valt hier licht naar binnen, het is dag.” Riep ze terug terwijl ze opkeek naar de zacht oranje hemel.
“ Hoe laat denk je dat het is?”
“In de middag denk ik.” Haar maag knorde bij de gedachte en ze slaakte een geërgerde zucht.
Ze lag onder meters puin, ze lag klem, ze verging van de pijn die nu was uitgegroeid tot een kloppende, zeurende pijn die zich langzaam van haar voet omhoog werkte, en ze dacht aan eten.
Eten is goed, eten betekend overleven, maar ze had geen eten.
“Ben je in orde?” Ze richtte haar aandacht op hem, negeerde haar maag en de pijn.
“Mijn rechterbeen ligt klem, ik kan die niet bewegen. Voor de rest lig ik vrij,” Ze voelde weer even aan haar gezicht, het bloedde nog steeds. “en mijn gezicht bloed.”
“Ik denk dat ik vast te lig, het is hier nauw.” Zijn stem klonk helderder, angstiger, alsof hij zich opeens gerealiseerd had in welk lastig pakket hij zich bevond.
“Waar is de rest?” Riep ze terug, niet reagerend op de angst in zijn stem. Angst was zinloos, ze konden geen van beiden ergens naartoe.
“Zey was bij me, maar ik zie hem niet meer. Tot een uur geleden praatte hij nog, sindsdien heb ik hem niet meer gehoord. Hob en Hemming stonden nog buiten toen ik jou volgde, Bor en Torvar waren in de oost- vleugel aan het zoeken. Ik heb niks meer van hen gehoord.”
“Oh…” Stilte. Ze kon zijn ademhaling horen. “Denk je dat ze ons zoeken?”
“Jou zeker,” Kwam zijn antwoord. “Kun je zeggen dat ik hier lig, als ze je vinden?”
“Alsof ze niet verder zullen zoeken…”
“Naar ons niet nee, naar jou wel.”
“Dat is krom!”
“Het is de waarheid. Zal je het zeggen?”
Ze lachte kort, ondanks het feit dat ze de paniekerige ondertoon in zijn stem kon horen. Het klonk raar, haar lach. Ze vroeg zich af hoelang geleden ze echt had gelachen.
“Ik meen het, Kakaro!”
---
De eerste keer dat ik mijn bataljon onder ogen kreeg was op z’n zachts gezegd hilarisch.
Wie was ik nou om een groep van zes jongemannen, die bekend stonden om hun ongehoorzaamheid even erop te wijzen dat ik nu de dienst uitmaakte.
Ik, die nog niet eens een spreekbeurt kon houden zonder in d’r broek te schijten van angst.
Mijn allerliefste grootmoeder had het weer lekker bekeken. Ik had geen ervaring met leiding geven, op welk vlak dan ook. Zeker niet op het militaire vlak.
Laat staan infanterie.
Maargoed, oma had het volste vertrouwen in me dat ik uiteindelijk met de jongens mee kon doen met de meest prestigieuze triatlon waar alleen de beste militairen van m’n oma’s leger aan meededen. Een ambitieuze wedstrijd die tien kilometer over land inhield, vijf kilometer in water, nog eens tien kilometer over het land waarna de militairen de Avaberg moesten beklimmen, een nacht moesten zien te overleven zonder hulpmiddelen en dan de volgende dag hetzelfde traject weer moesten afleggen om terug op het exercitieterrein te komen en ik mocht fijn meedoen.
Ergens houd ze wel van me, ik weet het zeker, ondanks het feit dat ze me dood wil hebben door me mee te laten doen met deze… helletocht.
Maargoed, terug naar mijn bataljon, mijn groepje. Een bijeengeraapt zooitje van jonge mannen die uit elke uithoek van Lao en Lao II komen. Jonge mannen die enkel en alleen in het leger zitten omdat hun familie zo arm was dat ze geen opleiding konden betalen en dit de enige zonnige toekomst leek voor deze jonge heren.
Het type soldaat dat je voor laat gaan tijdens een aanval omdat niemand ze toch zal missen, maar ook het type soldaat dat je voor zou laten gaan in de rij omdat je anders zeker een stoot tegen je neus kan verwachten als je dat niet doet.
Ruw, bijdehand, ongemanierd.
Vooral ongemanierd.
Ik most ze maar eens manieren bijbrengen, dat zou ook een goede training voor mij zijn; aldus mijn grootmama. Werd ik hard van. Zou ik ook gelijk weten wat ‘streng zijn’ inhoud.
Ik weet wel wat streng is, ik ben alleen nooit streng. Zie je de bui al hangen?
De groep bestaat uit zes mannen. Een normaal bataljon bestaat uit vierentwintig man en ik moest zelf maar ontdekken waarom nou juist mijn bataljon uit zes man bestaat.
Ik had al zo’n donkerbruin vermoeden.
Ze hebben allemaal wel een verhaal, die mannen van mij, ik begon in iedergeval te twijfelen of ik het zo slecht had met mijn tirannieke grootmoeder, wonend in een mooi paleisje waar ik nooit mijn eigen kamer op hoefde te ruimen.
Het rapport dat ik van Veruco kreeg over Bataljon 7A, vernoemd naar het plekje op het exercitieterrein waar ze elke ochtend zouden moeten verzamelen, was ongeveer twee keer zo dik als het gemiddelde rapport dat Veruco moest lezen als hij een nieuwe bataljon onder zijn hoede kreeg.
Ik moest hem er maar op vertrouwen, het was in iedergeval een flink pak papier wat hij in m’n armen drukte.
Maargoed, mijn bataljon heeft dan ook een uitzonderlijk talent. Mijn bataljon schijnt uitzonderlijk goed te zijn in incidenten als kleine pesterijen en sabotage.
Dat is iets om trots op te zijn, voor een beetje sabotage hoor je ook een beetje hersens te hebben. Ik hoop alleen maar dat ze die hersens niet aan gaan wenden om mij te saboteren.
Maargoed, mijn mannen dus.
Hob is misschien nog wel de meest spraakmakende van het stel. Ongeveer twee meter lang en met een gewicht van honderd zestig kilo. Hij komt uit het rivierengebied van Lao voorbij de tweede stad, maar kan vreemd genoeg niet zwemmen.
De meeste incidenten als geweldpleging staan op zijn naam geschreven, al staat hij te boek als vriendelijk. Vraag ik me af waarom hij dan zoveel geweldplegingen op zijn naam heeft staan.
Misschien is het ook leuk te vermelden dat hij in geen enkele militaire sport uitblinkt behalve gewichtheffen en worstelen. Voor zwaargewichten natuurlijk.
Ik heb een punt voor mezelf gemaakt dat ik niet voor hem ga staan als hij kwaad is. Lijkt me het veiligst.
Tweede op het lijstje is ‘Zee’, een afkorting voor Zeminar. Hij komt net als Hob uit het rivierengebied, maar ondanks het feit dat zijn teamgenoot niet kan zwemmen staat Zee te boek als een uitstekende zwemmer. Zijn record van de vijf kilometer te water van de triatlon van drie jaar terug is nog niet verbroken, maar ook nooit geregistreerd omdat hij aan het eind zijn tegenstander probeerde te verdrinken. Hmn.
Derde op de lijst in Dryden, de onruststoker van het stel. Hij is goed bevriend met Hob en Zeminar, maar loopt aan kop met de hoeveelheid geweldplegingen op z’n naam.
Dryden is de derde zoon van een edelman van de vlakten. Een pechvogel die naast de boot greep om het zo maar te zeggen. Zijn oudste broer kreeg de titel en het land van zijn vader, zijn tweede broer kreeg de positie van de vader in het leger. Ik ken zijn middelste broer, tenminste, omalief heeft verteld dat Drack een prima commandant is, maar geen uitzonderlijk goede.
De derde zoon van een edelman met militaire connecties heeft misschien dan niks om te erven, maar ik vind het vreemd dat zijn vader dan geen positie in het leger voor hem heeft gekocht. Het is algemeen geaccepteerd dat dat gebeurd, het word eerder vreemd bevonden als het niet gebeurd.
In Dryden’s geval is het dus niet gebeurd, en dat maakt hem een vreemde vogel. In iedergeval maar een gewone soldaat. De enigste edelzoon van het stel.
Maar misschien heeft zijn positie te maken met het feit dat hij van het hele bataljon de meeste delicten op zijn naam heeft staan, vooral geweldplegingen en pesterijen. Hij heeft zelfs een kanttekening ontvangen van mijn oom, die bekend staat om zijn milde aanpak.
Hij heeft ook geweigerd zijn haar af te knippen voor het leger, erg jaren zestig. Ik vraag me af of hij Woodstock kent.
Maar het feit blijft dat mijn oom en oma mij voor hem gewaarschuwd hebben. Dat is leuk, maar dan vraag ik me af; waarom stop je hem dan überhaupt in mijn eerste bataljon?
Leuk oma, help me eraan herinneren dat ik de volgende keer jeukpoeder meeneem en dat in je kussen stop. Natuurlijk geef ik dan die Dryden de schuld, al zal hij niet uit kunnen leggen hoe hij ooit in je slaapkamer is geweest.
Ach, details.
Er zit ook een tweeling in ons gezellige kleine groepje. Lei and Tor. Allebei uit dezelfde streek natuurlijk, namelijk de achterstandwijken van de hoofdstad van Lao II. Vergeleken met de rest zijn ze relatief braaf, misschien omdat ze allebei hun familie te onderhouden hebben. Een moeder met dertien kinderen.
Goeie genade, maar haar ‘beroep’ verklaard een hoop denk ik maar. Ze zijn de enige twee die dezelfde vader hebben, alleen maar om het feit dat ze een tweeling zijn. Ze zijn de oudste van het gezin, alleen maar omdat hun oudste broer en een zus overleden zijn tijdens een aanval op een of andere planeet wiens naam ik niet eens uit kan spreken.
Ze zijn een dus een tweeling, een identieke tweeling. Dat word nog lachen. Misschien moet ik maar lintjes voor ze kopen en ze die ombinden, of moet ik op een van hen een groot kruis op de voorhoofd kalken.
Mwah, alleen als ze echt vervelend worden.
Als laatste hebben we een kadet, een kersverse soldaat met de naam Hemming. Ik heb al uitgelegd wat we hier doen met namen dus het is niet eens zijn achternaam. Wie noemt zijn zoon nou Hemming?
Vers van de academie. Een rijkeluiskindje dus, in dit bataljon gestopt omdat we geen technici hebben. Hij is een technisch wonder.
Okay, logisch.
Hij heeft geen strafblad om mee te pronken, jippie, is zelfs nog nooit te laat gekomen. Hij zal het nog naar zijn zin krijgen in dit gedetineerdenkamp.
Ik ook.
Ik vraag me nog steeds af hoe ik er in moet slagen om überhaupt leiding te geven aan dit zooitje ongeregeld. Ik heb het lijstje van de vorige leidinggevende doorgekeken, Veruco heeft wat over ze verteld. Stuk voor stuk respectabele mannen met ervaring in het leger en allemaal met perfecte staat van dienst.
Eentje raakte er slaags met die Dryden en is nu blind aan zijn rechteroog. Hij geeft les aan de academie, ik heb hem een keer gesproken. Aardige man, ik vraag me nog af hoe Dryden het zo ver heeft kunnen krijgen dat hij terugvocht.
Een ander ging met vervroegd pensioen, heeft zelfs een admiraals functie geweigerd en leeft nu ergens in een hutje op de hei. Hij heeft het wel een jaar volgehouden. Chapeau.
De eerste tien minuten zijn het belangrijkst, zo heb ik mij laten vertellen door mijn opa. De eerste tien minuten bepalen hoe je bataljon de rest van je leven, of dienstijd, tegen je aankijkt.
Dat is allemaal leuk en aardig, maar hoe zal ik het aanpakken?
Ik denk dat ik maar al schreeuwend aan kom rennen, knallend met een zweep en iedereen zo vaak meppend dat ze vanzelf in de houding gaan staan.
Als ze netjes getrainde mannen waren, vers van de academie. Ik denk dat deze aanpak alleen op Hemming zal gaan werken. Ik zal wat problemen krijgen met Hob met z’n zware lijf, of de opvliegende Zee als ik dat probeer op hen. Ik denk dat ik het dan niet eens meer na kan vertellen.
Ik zal een subtielere aanpak moeten proberen. Ik heb besloten dat ik me gewoon ga verassen. Niet volledig natuurlijk, ik heb mijn huiswerk gedaan en Veruco heeft me meer dan genoeg tips gegeven. Helaas leer je niemand kennen uit een rapport en een identiteitsbewijs.
Ik had natuurlijk wel wat rondgevraagd maar de reacties liepen uiteen van meewarig hoofd geschud en een mompelend “Arm meisje, waarom geeft ze nou juist dat bataljon aan haar…” tot de slappe lach.
Zie de dalende lijn in mijn zelfvertrouwen.
Het kwam erop neer dat ik die woensdag morgen maar gewoon op mijn intuïtie moet vertrouwen, zoals mijn grootmama mij verteld heeft, en maar eens moest zien wat er van zou komen. Ik had alleen betreurenswaardig weinig vertrouwen in mezelf. Wie niet eigenlijk, je staat op het punt om de meest beruchte bataljon gewoon even wat tips te geven over hoe ze zich eigenlijk zouden moeten gedragen. Natuurlijk, dat doe je zo even.
Ik denk dat ik maar gewoon wakker blijf de komende paar weken en weiger te slapen, zo ontloop ik tenminste mijn grootmama en die groep onruststokers die ik mijn bataljon mag noemen.
Het was negen uur in de morgen toen ik eindelijk genoeg moed had verzameld om het paleis uit te lopen, de betegelde straat over naar de witte verzameling gebouwen die bekend stonden als het militaire terrein van de Eerste Stad. Eigenlijk het hoofdkwartier van Lao, om het nog erger te maken. Het is haast even groot als de stad zelf. Ik wist redelijk de weg, ik was een paar keer mee geweest met Veruco en m’n vader, m’n grootvader en een enkele keer, die ene keer met mijn grootmama zodat ik het in iedergeval gezien had.
Maar echt de weg kennen was een groot woord.
Ik had mijn beste armor aangetrokken, tevens mijn zwaarste voor het geval dat. Het had het wapen van mijn grootmama op de borst, die ervoor zorgde dat praktisch iedereen die ik tegenkwam me groette.
Weet je, iedereen weet dat de kroonprinses weer terug is op Lao, maar geen hond weet hoe ik eruit zie. Ik denk dat dat een voordeel was en dat mijn grootmama het graag zo wilde houden, maar je voelt je er zo verward door. Immers, je kunt niet zomaar op iemand afstappen van hey weet je de weg hier. Het logo van het koninklijk huis staat op mijn voorgevel, ik moest het op z’n minst zelf weten, zoniet dromen.
Grandeur en spektakel.
Maargoed, het zonnetje scheen en de tempratuur was nog niet eens zo verschrikkelijk slecht. Ik baande mij een weg door de ingang van het militaire terrein, ik denk dat het wapen op mijn borst genoeg zei, niemand controleerde wie ik was of wat ik hier kwam doen.
Nog een wonder, mijn ogen waren waarschijnlijk even groot als die van een ree in de koplampen.
---
Het geeft kracht, om af en toe hardop je eigen naam te zeggen. Gewoon alleen maar om te horen, wie je bent. Je besluit zelf wie je bent, maar je naam geeft er een identiteit aan. Ik ben niet met de naam Kakaro opgegroeid, maar op het moment dat mij werd verteld van; dat is je naam, wist ik het meteen.
Dat is mijn naam, dat is wie ik ben.
Ik ben Kakaro.
Mijn naam is Kakaro.
Ze kunnen me uitlachen, uitschelden, ze kunnen me laten struikelen, laten vallen, bedriegen en beliegen, maar niemand, niemand neemt van mij af dat ik Kakaro ben, en niemand zal ooit beslissen wie ik zou moeten zijn. Niemand besluit wie ik zijn zal, ik ben mezelf, en dat heb ik zelf besloten.
Ik ben.
Niemand neemt dat van mij af.
---
Mijn verloofde is ook niets om over naar huis te schrijven. Tenminste vanuit het oogpunt van liefde en romantiek.
Hij is een edelman, tenminste, zijn vader is een edelman dat maakt hem een edelzoon, iets in die richting. Hij is in ieder geval van edele en rijke kom af.
Dat hebben we tenminste gemeen.
Edel plus edel is een perfecte combinatie, aldus mijn grootmama. Het is nog altijd beter dan de eerste de beste soldaat van lage rang, vers geplukt uit een of ander donker hol dat men een café noemt alleen maar om met mij te trouwen.
Mwah, zoveel verschilt het denk ik niet van Dayran. Hij ruikt weliswaar, beslist lekkerder dan de gemiddelde soldaat van lage rang, hij is ook niet uit een of ander donker hol geplukt maar wel uit een handjevol edele zonen die het volgens mijn grootmama beslist goed zullen doen als koning.
Of ze het ook goed zullen doen als mijn echtgenoot interesseert haar niet zo denk ik.
Terwijl ik als koningin toch mijn hele leven lang aan hem vastzit lijkt me zo. Mij interesseert het wel met wie ik trouw, in zeer grote mate.
Ach, mijn grootmama heeft in ieder geval wel haar best gedaan. Je kan een hoop zeggen, maar knap is Dayran zeker. Hij is haast op het goddelijke af, heel verfijnd op een afstandelijke manier, dat wel.
Hij is sowieso een beetje afstandelijk, maargoed, ik ken hem ook niet. Helemaal niet eigenlijk, dus daar valt niet over te oordelen.
Hij komt uit Darvor, de derde stad gelegen in de woestijn van Lao. Zo ziet hij er ook wel uit, als iemand die uit de woestijn is gekomen.
Hij heeft een hele donkere huid, donker honingkleurig alsof hij te lang heeft liggen bakken in de zon. Een erg apart contrast met zijn ogen, die zijn smaragdgroen, misschien iets lichter van kleur, maar een ding is zeker:
Op zijn ogen zal ik hem niet afkeuren, die vielen mij meteen al op.
Hij heeft kort haar, al zit er overduidelijk wat slag in. Hij heeft het type hoofd wel dat lang haar niet zal misstaan, maar ik denk dat het met het zand van de woestijn te maken heeft dat hij het niet laat groeien. Ik ben zelf ook niet zo dol op zand in mijn lange haren.
Ik heb zijn haar ook maar even voor een seconde gezien toen hij zijn shayra, een hoofd- en gezichtdoek dat de mensen in de woestijn gebruiken om zich te beschermen tegen het hand, afdeed om hem te herschikken.
Hij heeft gezegd dat hij zijn shayra doorgaans niet draagt, alleen in de woestijn en tijdens officiële aangelegenheden.
Dat kan wel kloppen, de enige twee keer dat ik hem gezien heb, met hem gesproken heb was tijdens de gedenkenis van de bezetting van Lao en toen hij aan mij werd voorgesteld door mijn grootmama en zijn vader. Toen zag ik hem ook maar een paar minuten.
Hij is beleefd, op haast het ergerlijke af. Bij hem thuis zijn vrouwen iets om te koesteren, wat ik natuurlijk niet tegenspreek, omdat het een kostbaar bezit is, wat ik wel tegenspreek natuurlijk.
Hij heeft mij gezegd dat hij modern is opgevoed en dat in zijn thuisland vrouwen niet langer op de strenge traditionele manier worden behandeld en beschermd.
Dat was vroeger, zei hij, nu is een vrouw even vrij om te gaan en staan als ze zelf wil. Misschien in de oude kringen is het nog zo dat de vrouw bezit is, maar niet in zijn familie.
Lijkt me trouwens ook behoorlijk onhandig, om bezit van iemand te zijn terwijl ik een planeet te regeren heb.
Moet ik dan bij elke kleine handeling zijn goedkeurig vragen?
Ik vraag me af of mijn grootmama daarover heeft nagedacht. Het zal denk ik voor wat politieke probleempjes zorgen als later zo blijkt dat deze Dayran meer macht over de Hoge Koningin heeft dan eigenlijk was gedacht.
Ik denk dat ik wel leven kan met Dayran als mijn echtgenoot. Ik bedoel, misschien leer ik nog wel van hem te houden. Mijn grootmama heeft mij heel duidelijk verteld waarom ik niet zelf mijn echtgenoot kan uitkiezen.
Politieke redenen, macht, bloedlijn, iedereen kent de redenen denk ik.
Dayran is denk ik nog zo slecht nog niet. Hij is beleefd, vriendelijk, hoffelijk.
Er komt geen spontaan woord uit en is vrij ernstig.
Hij was respectvol tegenover mij en hij was eerlijk. Dat denk ik tenminste, ik heb nog niet de kans gehad om echt een gesprek met hem te voeren. Hij kwam eerlijk over, dat is misschien een betere uitleg.
Ik denk dat hij wel aardig is, ik hoop het tenminste. Ik denk niet dat mijn grootmoeder spontaan van mening veranderd als ik zeg dat ik hem niet moet.
Hij komt vanmiddag langs, samen met zijn vader. Praten over de bruidsschat, daar doen ze nog aan in Darvor, allemaal kleine regelingen enzovoort. Dat geeft mij, dat geeft ons de tijd om met elkaar te praten.
Mijn grootmama zal druk bezig zijn, ze heeft me opgedragen om onze gast, mijn toekomstige echtgenoot, te vergezellen naar de tuin voor een babbeltje.
Waarom ik, vraag ik me wel eens af, wat zeg je tegen de man aan wie je de rest van je leven vastzit?
---
Tot nu heb ik dit wat nog enige logica bezit.
Misschien moet ik alles maar eens aan elkaar schrijven. 