Citaat:
Het begon vorig jaar. Misschien ook wel eerder, maar vorig jaar was het echt serieus. Ik voelde me niet prettig en veilig in de klas. Nieuwe mensen, andere mentorgroep, gewoon helemaal anders. In het begin ging het nog goed, had wat nieuwe vriendinnen gekregen waar ik goed mee kon opschieten. Maar ik haalde 5jes en 6jes. Mijn eerste rapport was dus ook niet al te best, en onvoldoende. Ik heb een gesprek gehad met mijn mentor, en ik zei dat ik beter mijn best ging doen. Dat ging even goed, maar daarna gingen mijn cijfers weer achteruit. Hoe het is gekomen, weet ik nog steeds niet. Ik denk dat ik gewoon moe was van alle gespreken met de psycholoog en het gezeur van mijn ouders. Ik begon te spijbelen. Eerst bij Duits, daar voelde ik me het minst prettig, maar later werd dat ook Engels en andere vakken. Mijn cijfers gingen nog meer achteruit, omdat ik gewoonweg niet leerde, geen huiswerk maakte en niet oplette in de les. Boekverslagen en opdrachten werden te laat ingeleverd, en ik denk dat sommige leraren wel in de gaten hadden dat er iets niet lekker zat. Met presentaties was ik altijd ziek en anders spijbelde ik wel. Mijn Nederlandse spreekbeurt heb ik nooit gehouden, ik kwam niet opdagen. Mijn 2e rapport was nog slechter dan de 1e, al waren sommige vakken wel iets beter. Maar ik zou met dit rapport niet overgaan. Weer beloofde ik dat ik beter mijn best ging doen, en weer ging het even goed. Maar net zoals de vorige keer, ging het ook even hard weer achteruit. Mijn Engels spreekbeurt was ook een probleem. Niks voorbereid, gewoon niet gekomen. Weer een gesprek gehad met mijn mentor, die tevens mijn Engels leraar was, en ik zou de spreekbeurt in een kleinere groep houden. Die keer kwam ik weer niet opdagen, en bleef zelfs enkele dagen weg van de Engelse les. Ik deed geen huiswerk, ik kon het gewoon niet opbrengen. Ik kon me niet concentreren. Thuis niet en op school niet. Het ging steeds slechter met me, ik ging meer spijbelen, en deed onverschillig. De slechte prestaties op school konden me geen moer meer schelen. De ene onvoldoende na de andere. En het maakte mij niks uit. Voor mij was het al duidelijk dat ik dit jaar over moest gaan doen. De mensen uit mijn klas vonden dat ik stom bezig was, en dat ik wat meer voor school moest gaan doen. Maar ze wisten de achterliggende reden(en) niet, en die weet ik zelf ook niet eens allemaal. Maargoed, ze hadden, denk ik, wel in de gaten dat er iets was, maar wat wisten ze niet, en ze vroegen er niet naar. Ergens was ik daar wel blij om, maar aan de andere kant wilde ik graag mijn verhaal kwijt. Mijn mentor heeft meerdere keren gevraagd wat er was, en iedere keer antwoordde ik met een ‘ik weet het niet’ of ‘niks’. Ik kon het hem gewoon niet vertellen. Ik wist niet hoe en wanneer en wat ik hem precies moest vertellen. Dus kropte ik alles op. En steeds stapelden de problemen zich op. Ik begon nog meer te spijbelen, thuis kreeg ik meer ruzie, en ik was met mijn aandacht altijd ergens anders. Ik was afwezig in de lessen, en de leraren hadden dat maar al te goed door (denk ik). Vlak voor de zomervakantie kreeg ik een paard, en daar kon ik gelukkig altijd bij uithuilen, even lekker mee kroelen of gewoon alles vergeten. Hij was, en is, mijn maatje, mijn mannetje, mijn alles. Nog steeds kan ik urenlang bij hem zijn, zonder zorgen. Maargoed, ik dwaal af. Meer problemen thuis en op school. Ik was gebroken. Zelfs op mijn verjaardag deed ik of alles goed was, en deed vrolijk. Mijn vrienden hadden niks door. Maar ik voelde moe, uitgeput, dood. En ik werd zo moe van het doen alsof. Doen alsof alles goed was, doen alsof ik gewoon een vrolijk meisje was, maar van binnen was ik dat helemaal niet. Het ging weer een stuk slechter. Weer meer ruzie thuis, vaak om niets. Op school voelde ik me niet veilig, en thuis al helemaal niet. Nog steeds maakte ik weinig tot geen huiswerk, mijn punten holden achteruit. En nog altijd gaf ik er niets om. Het liefst was ik gewoon dood. Weg van dit alles, weg van dat gedoe dat toch hartstikke nep was en weg van de druk, van mijn ouders en van school. Ik besloot om gewoon weg te blijven van school, ik kon de druk niet aan, al die vragende gezichten. De druk van de ‘examens’ en de druk van het moeten houden van die Engelse spreekbeurt. Ik ben een week niet op school geweest, terwijl mijn ouders dachten dat ik dat wel was. Elke dag even een stukje fietsen, even alles kwijt. Maar ik ben toen gewoon ingestort, en hard. Ik heb toen met een mes op mijn pols gestaan, maar ik kon het niet. Daar had ik het lef niet voor, hoewel ik niet anders zou willen. Maar ik kon het niet. En ik denk vanwege mijn paard. Ik vond het niet eerlijk tegenover hem. Hij is mijn maatje, mijn alles. En naast mij heeft hij ook niemand. En ik moest (en moet) er niet aan denken wat er met hem gebeurd zou zijn als ik doorgezet had. Een paar krasjes waren op dat moment genoeg. En niemand die het doorhad. Sommige mensen hadden wel een idee, maar ik deed (weer) alsof er niets aan de hand was. Een tijdje ging het weer ietsjes beter. Haalde weer een aantal goede cijfers, even dacht ik dat ik uit mijn dip zou komen, en ik zag zelfs een kleine kans dat ik dit jaar zou gaan halen. Maar de waarheid was hard. Mijn mentor wilde een 1 op 1 gesprek, in het Engels, in plaats van een spreekbeurt. En ik stemde ermee in. Hij zou het op een onverwacht moment doen, zodat ik niet weer thuis zou blijven. Toen het erop aankwam, sloeg ik dicht, ik wilde niet, ik kon het niet. Ik was helemaal aan het trillen. Ik bleef maar zeggen dat ik het niet kon. En zelfs over iets anders kon ik toen niet praten. Niet over thuis, niet over mijn punten, niet over hoe ik me voelde en zelfs niet over mijn paard, waar ik me wel prettig bij voelde. Ik was gewoon compleet dichtgeklapt. Ik bleef naar de grond staren, hopend dat het snel over zou zijn. Dat ik weg zou mogen, dat ik verdween. Ik stortte weer in. Ik wist niet meer waar ik het had. Hij had ook niets door over mijn gekras. En gejankt dat ik heb ’s avonds. Elke dag weer dacht ik: ‘ik wil dood, ik wil dit niet meer, ik loop weg’. En telkens weer had ik gewoon het lef niet. Eindeloze ruzies thuis, ik wilde weg. Weg van alles. Maar ik kon het niet. Iets hield me tegen. Iets in mij wilde niet dood. Iets. Maar wat, geen idee. En nu nog steeds weet ik het niet. Ondertussen ging school door, en dus ook de slechte resultaten. Het was nu wel duidelijk geworden dat ik dit jaar opnieuw zou moeten gaan doen, en het deed me niks. Ergens was ik wel blij. Eindelijk van deze klas af. Misschien zouden de problemen voorbij gaan. Maar nog steeds ging het slecht. Ik heb er meerdere keren aan gedacht om zelfmoord te plegen, maar steeds weer hield iets me tegen. Iets in mij wilde blijven leven. Iets. Maar op hetzelfde moment wilde ik weg, weg van de problemen, weg van de leugens. Ondertussen had ik ook nog ruzie met mijn beste vriendin. Dat kon er ook nog wel bij. Alles werd me gewoon teveel, ik kon het niet meer aan. Echt niet. Ik was compleet ingestort. Alles ging in slowmotion. Dag in, dag uit hetzelfde. Geen huiswerk, zeurende leraren, uren missen, nergens zin in, afwezig zijn, ruzie maken met mijn ouders. En maar blijven zeggen dat het goed gaat. Volhouden. Doorzetten. Met heel veel moeite. Maar toch. Mijn 3e rapport was nog slechter. Slechter kon gewoon bijna niet. Ook ging het slechter met mij. Weer die ‘gesprekken’ wat er mis met mij was, en weer kon ik geen antwoord geven. En weer werd het me teveel. Weer hetzelfde liedje. Alles opnieuw. Weer het gevoel dat ik niks waard was. Dat ik dom was. Dat ik niets kon. En voor mij waren mijn cijfers het bewijs. En ik raakte nog erger in de war. Nog depressiever. En ik had nog steeds het lef niet om door te zetten. Om er iets aan te doen. Ik kon gewoon niet. Maar ik kon ook gewoon niet meer doorblijven gaan zo. Het ging niet meer, ik was op. Doodmoe. Moe van alles. Moe van doen alsof. Mensen om mij heen dachten dat het beter ging. Maar in werkelijkheid ging het dat juist niet. Mensen die mij hulp aanboden, maar ik wuifde het weg. Het ging ten slotte goed met mij. Zei ik. Maar dat was niet. Ik maakte het mezelf wijs, begon erin te geloven, terwijl het me kapot maakte. Helemaal kapot. School kon me niks meer schelen, het enige dat telde waren ik en Mier, mijn alles. Wij samen. Maar toen ook dat steeds slechter ging, was ik helemaal gebroken. Ik heb mezelf aangepraat dat het mijn schuld was, dat ik niet zo mocht doen tegen hem, niet alles op hem afreageren. En het is goed gekomen, gelukkig. Want hij is en blijf gewoon mijn maatje, een dier, of beter gezegd mijn dier, waar ik mijn verhaal bij kwijt kan. Achteraf ben ik blij dat ik volgehouden heb.
De laatste periode was aangebroken. De laatste proefwerkweek wist ik ook te verknallen. Ik leerde niet, het had toch geen zin meer. Niks had nog zin in mijn ogen. Geen vleugje hoop te bekennen. Nergens. Of misschien toch wel ergens. Maar ik zag het niet, of beter gezegd: wilde het niet zien. Ik weet niet veel meer van deze periode, niet meer wat ik gedaan heb. Alleen dat ik me dom voelde, minderwaardig voelde. Had met alles en iedereen ruzie, wat mijn zelfbeeld nog verder naar beneden bracht. Oneindige huilbuien ’s avonds, omdat ik mezelf zo stom vond. Stom omdat ik het niet door kon zetten, stom omdat ik ruzie had, stom omdat ik alles verknalde. Stom. Ik dacht dat mijn ouders helemaal niets om mij gaven. Elke dag weer ruzie. Altijd schreeuwde ik: ‘jullie geven niets om mij’. Ergens hoopte ik dat het waar was. Dat ze niks om mij gaven. Dat maakte het doordrukken van zelfmoord makkelijker. Maar nog altijd kon ik het niet. De vakantie brak aan. Mijn rapport ophalen. Slechter kon niet. 5 voldoendes, geloof ik. Nog net. Allemaal 6jes. Nog een lief gebaar van mijn mentor. Dat zal ik echt nooit vergeten, het gaf me weer een beetje hoop.
We gingen op vakantie. Ook daar gingen de ruzies verder. Af en toe. Maar niet altijd. Deze keer gingen we niet zo lang, dus ik hoefde Miertje ook niet zolang te missen. Gelukkig. Ik had weer hoop, het ging weer beter. Beetje bij beetje raapte ik mezelf weer op. Een nieuwe klas, een nieuwe mentor, een nieuw jaar, een nieuw begin. En dit keer was ik niet alleen. Dit keer had ik vriendinnen in de klas, dit keer was het anders. Ik voelde me beter dan eerst, ik ging ervoor. En dat was te merken. Goede cijfers volgde, ik was weer blij. Een beetje. Ik was nog lang niet hoe ik wilde worden, maar er was een begin. Ik had snel nieuwe vrienden, ik kon goed met ze praten, het was gewoon goed. Een presentatie volgde. Ik zette door en deed ’t gewoon. Maar toen kwam die Engelse spreekbeurt weer. Ik was even bang dat het weer slecht zou gaan, super slecht. Dat wilde ik nooit meer! Ik wilde niet terugvallen, net nu het zo goed ging. En toch bleef ik weg. Ik kon het niet. Ik kon het gewoon niet. Gelukkig ging de rest op school gewoon goed. Ik ging gewoon naar school, vaker dan het jaar ervoor. Ik ging naar school, ook al voelde ik me niet helemaal lekker. Ik ging. Ik wilde het dit jaar halen, ik wilde knallen. Huiswerk ging nog niet zoals het zou moeten, maar ik haalde wel goede punten. Gelukkig. Hoop. Veel hoop. Alleen die spreekbeurt bleef knagen. Ik kon het niet. Weer dingen beloven, terwijl ik wist dat ik het niet waar kon maken. Weer die gesprekken, weer klapte ik dicht. Weer kon ik het niet. En weer heb ik eraan gedacht. Maar weer kon ik het niet. Weer hield iets in me mezelf tegen. En gelukkig heb ik de knop nu doorgehakt. Ik ga er iets aan doen. Ik ga er gewoon voor. Ik ga het oplossen. Ik zoek hulp en het gaat goed komen. Ik weet het gewoon zeker! Zeker met de hulp van mijn vrienden.
Nu ik erover schrijf komt het wel weer allemaal terug, maar dat moet maar. ’t Is moeilijk om erover te praten, maar het moet. Liever schrijven dan, dan kan ik me beter verwoorden. Erover praten kan ik (nog) niet. Maar schrijven wel. Het lucht op, een beetje. En ergens denk ik ook wel dat dit helpt. Het helpt anderen te begrijpen wat ik heb meegemaakt. Wat er met mij is gebeurd. En hoe moeilijk ik het nu nog ga krijgen. Maar ik weet zeker dat het goed gaat komen. Met mij gaat het nu beter. Niet goed, maar beter. En er is een begin. En ik heb hoop. Hoop dat het allemaal wel goed komt. Ik heb veel dingen geleerd. Hoe het niet moet. En dat ik gewoon moet leren om te praten over mijn gevoelens. En dat ik het gewoon bij iemand kwijt moet. Gelukkig willen veel mensen mij helpen. En nu denk ik ook wel dat er mensen zijn die om me geven. Op sommige momenten denk ik dat juist even niet, maar op andere momenten wel. En ik zal het altijd moeilijk blijven vinden, maar ik kan het wel leren. Ik kan het makkelijker maken. Ik kan het gewoon. En ik ga ervoor. Beter, maar nog niet goed.