[ver] Zomerse Velden boek 1

Moderators: Essie73, NadjaNadja, ynskek, Polly, Telpeva, Muiz

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
JoSav

Berichten: 4768
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Verweggistan

[ver] Zomerse Velden boek 1

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 13-10-06 18:35

Alle tekenen wijzen erop dat het een bijzonder slecht idee is dit te plaatsen. Wat voor tekenen? De vele pogingen dit te posten en 'ineens' doet het internet het weer niet. En dan alleen als ik me eraan waagde dit te poste. Bizar. Of ik er nu wel of geen reacties op krijg, positieve of ontzettend negatieve: ik post het toch want mensen waren nieuwsgierig. Neen, het is niet mijn beste werk. Ja, het wijkt ontzettend af van werk dat ik normaliter schrijf omdat het niet duister of kunstzinnig is (naar mijn maatstaven sowieso niet). Of het dan op zijn minst onderhoudend is? Ach, dat is voor eenieder om zelf te bepalen. Niet mijn gewoonlijke werk is het in elk geval.

Topic kwijt. Irritant.
Mensen vroegen ernaar, waren nieuwsgierig naar de 'fantasy novels' van Zomerse Velden. Ik zal dus even een eerste hoofdstukje plaatsen van het eerste deel.

Eigen zwaktes:
Ik heb zelf erg veel moeite met woordherhaling. Op bepaalde punten gebruik ik het juist opzettelijk maar als ik het niet wil ga ik er heel erg over piekeren "heb ik deze woordcombinatie niet al eens gebruikt?" Intertekstualiteit is in die zin in mijn nadeel.

Introduceren van personages vind ik erg, erg moeilijk, zeker bij dit soort schrijven dat op geen enkele wijze bedoeld is als kunstobject (wat het meeste wat ik voor mezelf schrijf juist wel is!).
Ik ben er nog niet over uit of ik ook verdere hoofdstukken ga posten maar het werkt als een extra edit *gluurt naar beta die het druk heeft met PhD.* omdat het me daaraan op dit moment ontbreekt. Ben momenteel aan het schipperen tussen deel 1 en deel 2, irritant. Dit is voor het grootste deel geschreven toen ik een flink aantal jaar jonger was maar laat dat je oordeel niet beïnvloeden, wees maar bruut en hard, dat is goed voor me. Fantasy novels zijn niet mijn ding, maar dit is een project dat toch op een of andere manier wel wat voor me betekent. Hoofdstuk 1 in zijn geheel. Waarom? Omdat het echt een introductie is met de personages. Afkappen bleek niet zo'n goed idee.

JoSav schreef:

Zomerse Velden
Boek I Tweestrijd
Door JoSav

######

Toen riep Kalchas, de ziener, de voornaamste helden van het heir der Grieken bijeen. ‘Staakt uw pogingen om de stad met geweld in te nemen,’ sprak hij tot hen, ‘want zo zult gij nimmer tot uw doel komen. Bedenkt liever een list die u welslagen zal brengen.’ Ter bekrachtiging van zijn woorden verhaalde hij hun een droom, waarin hij een havik een duif zag vervolgen. Toen het diertje in een rotskloof een veilige schuilplaats had gevonden, verborg de roofvogel zich zo lang in het naburig struikgewas tot het dwaze duifje naar buiten fladderde. Toen werd het zonder erbarmen met lichte moeite gegrepen en verscheurd. ‘Laat ons deze vogel tot een voorbeeld nemen,’ besloot Kalchas. ‘laten wij ons erop bezinnen, dat wij Troja niet met geweld veroveren maar het met een list moeten proberen.’

Gustav Schwab Griekse Mythen en Sagen ---De Trojaanse Oorlog: Het Houten Paard---


######

HOOFDSTUK I
ONVERWACHT BEZOEK

Er is niets dat een mens achterdochtiger maakt dan weinig te weten
Francis Bacon Of Suspicion

######

De avond was drukkend, de lucht vochtig. Ik zat op een zwavelzwam die was ontsproten uit de schors van een wat oudere, robuuste beuk, en dacht over het aflopende getij. Getij, zo noemen we de seizoenen. De getijden zijn gekoppeld aan het leven als de zon en maan. Geboorte, groei - of wasdom, want zo noemen wij elfen het tweede getij, afname en sterfte: de getijden gaan rond, onafgebroken als in een cirkel. De cirkel is pas rond nadat de dood overwonnen is en het leven weer langzaam ontwaakt. Het zou niet lang duren of de afname zou voelbaar worden in een zachte kilte die zich elke ochtend verspreidde over de lagergelegen grassen en een duisternis in de bossen die er voorheen niet was. De zomer, de wasdom, liep ten einde.

Ik schudde mijn vleugels, verzonken in allerlei gedachten terwijl Sitta aan één stuk doorratelde over van alles en nog wat. Het kleine boomklevertje gelastte een pauze in, hipte vervolgens opgewonden naar beneden en pikte razendsnel een insect weg uit de boomschors. Ze trippelde weer naar boven en zette haar verhaal voort, zonder te bemerken dat ik eigenlijk ergens anders was met mijn gedachten. Opgewonden en gedetailleerd –en voor de zoveelste maal– deed Sitta uit de doeken hoe zij Sardo de havik te slim af was geweest, inmiddels een eeuw geleden. Goed, misschien was een eeuw wat overdreven, maar het was lang geleden. Een aanval van de sperwer uit het bos dat aan de overkant van de vallei lag was pas spectaculair geweest! Sperwers specialiseerden zich immers in het vangen van kleine vogels. Ik lachte binnensmonds. Sitta hield ervan te overdrijven, in alles wat ze deed, met alles wat ze zei. Toch droeg Sitta haar zenuwachtige hart op de juiste plek.

Natuurlijk had ik kunnen opmerken dat de ontsnapping van Glans veel spectaculairder was en bovendien meer recent, maar ik hield wijselijk mijn mond. Sitta had het niet zo op Glans, maar ze hield sowieso niet van eekhoorns en andere knagers. Ik tuurde in stilte tussen de beukenbomen door terwijl Sitta onafgebroken kwetterde.

'En nu heeft het hele woud-- wat zeg ik! Zélfs de dieren in de vallei hebben de mond vol van die zogenaamd gedurfde uitval van die onbeholpen Glans!' beklaagde Sitta zich.

De overgang van zomer naar herfst verloopt voor de onwetende vrijwel onmerkbaar. De avondmist begint dikker te worden, in de valleien ligt vroeg in de morgen dauw op het groen van blad en spriet. Langs de bosranden hecht verborgen spinrag tussen de armen van braamstruiken en varens. De zachte nazomer wordt slechts verstoord door het geritsel van de eerste vallende bladeren of van ijverig verzamelende muisjes. Glimmende rozenbottels, hangende trosjes van de vlierbes en kleurende bramen moedigen de bosdieren aan zich voor te bereiden op de winter die komen gaat. Hazelnoten en eikels beginnen hun bijna koperen kleur aan te nemen en de stekelige hulzen van de kastanjes worden ook langzaam donkerder. Zomer wordt geleidelijk herfst, het is overal te zien, te voelen en te horen, zelfs te proeven in de zure smaak van bessen die met elke zonsopgang minder zoetig zijn.

'Zeg Wilgenroosje! Luister je wel?'

Ik schrok op uit mijn gedachten en keek Sitta aan.

'Wat zei je Sitta? Ik heb, geloof ik, het laatste gemist.'

Sitta schudde haar blauwe kop en hipte op me toe. 'Wilgenroos, Wilgenroos, zit je nu weer te mijmeren over die onbehouwen jongeling Wederik?'

'Wederik?' riep ik uit. 'Nee, nee, natuurlijk niet. Wederik doet maar wat hij niet laten kan. Ik was hem al praktisch vergeten.'

Dit laatste loog ik. Toch was het pas een maan geleden dat ik nog elke avond snikkend bij Sitta kwam omdat Wederik zonder afscheid was vertrokken. Zijn vader, de koning, had meermalen geprobeerd mij duidelijk te maken dat elke prins dit diende te doen om een man te worden. Van Wederik's vader kon ik me zo'n vervaarlijke onderneming wel voorstellen, en zeker van Wederik's heldhaftige broer, de kroonprins Ereprijs. Wederik was niet als zijn broer. Neen, dank de Moeder. Wederik en Ereprijs leken in geen geval op elkaar. Al geniet Ereprijs elke dag die komt meer aanzien bij kraaien, raven en kauwen, of welke zwartvogel dan ook, ik prees me gelukkig dat Wederik niet als die arrogante Ereprijs was. Zwartvogel vijand of niet, Ereprijs verdiende niet het respect dat ik voor Wederik had. Dat nam niet weg dat ik me geen zorgen maakte over Wederiks afwezigheid. Kon hij zo'n riskante tocht wel aan? Hij was niet als Ereprijs, zelfs niet een heel klein beetje. Gelukkig, had ik altijd gedacht, maar op dit moment was ik minder zeker. Wederik kon een beetje onverschrokkenheid op dit moment best gebruiken! Als de arrogantie maar mooi bij Ereprijs bleef, dat wel.

'Kop op, Wilgenroosje,' zei Sitta bemoedigend. 'Als Wederik terugkomt zal hij eindelijk een man zijn in plaats van zo'n ongemanierde kwajongen.'

Sitta's oude ogen glinsterden vol ondeugd. Ze mocht Wederik wel, ondanks dat ze hem ongemanierd vond en hem geregeld voor schoelje of blaag uitschold. Schelden kon Sitta wel!

Ik zuchtte en steunde mijn kin op mijn handen. Mijn voeten bungelden over de rand van de zwam waarop ik zat. Een frisse wind stak op en ik bewoog mijn tenen speels. Als Wederik terugkomt? Weer zuchtte ik.

'Als Wederik terugkomt, Sitta. Als hij terugkomt.'

'Wee! Wee o wee. Onheil! Wij zullen allen ten onder gaan!!'

Vanuit mijn ooghoek zag ik de schim van een nogal uit de kluiten gewassen, lompe raaf opdoemen. Ik herkende die vleugelslag uit duizenden.
Met enorme bombarie en luid gefladder stortte Marcus zich op de tak links boven ons.

'Onnozel stuk verdriet!' foeterde Sitta, 'Er komt nog eens een dag, Marcus, dan val ik van schrik dood neer.'

'De koning, Wilgje, de koning…' hijgde Marcus, Sitta negerend.

Ik trok een wenkbrauw op en bleef kalm. Marcus was altijd het type om luid te kraaien over onheil en dood terwijl er niets aan de hand was. We waren het wel van hem gewend.

'Wat is er met de koning?' vroeg ik rustig.

Marcus haalde diep adem terwijl hij zich met een schuin oog tot mij richtte. 'Hij heeft bezoek,' zei hij rustig.

Ik wachtte even, maar de raaf legde niet uit waar hij heen wilde met die woorden. Marcus bewoog zijn poten nerveus en klapperde met zijn snavel. Hij zei niets.

Sitta schudde haar kop. Ze rolde met haar kleine kraalogen. 'Marcus! Als je daar zoveel ophef over maakt ben je werkelijk niet goed bij je hoofd,' schalde ze.

Marcus wendde zijn ogen even van me af en wierp een blik op Sitta. Hij knipperde met zijn zwarte ogen. Hij gaf echter geen reactie.

'Marcus, wat bedoel je nou?' begon ik langzaam. 'Waarom maak je zoveel ophef over een bezoek van iemand aan de koning? De koning krijgt dagelijks bezoekers die zijn raad willen.'

'Oh Wilgje,' kwetterde Marcus plots. 'Deze iemand is een iemand die de koning komt waarschuwen. Hij is een bode uit de Zuidelijke Binnenlanden waar de krijgsheer Kardoen de macht in handen heeft. Zover ik begrepen heb had het van doen met dat vriendje van je, Wadde… Wedde… je weet wel…'

'Wederik.'

'Ja, die ja,' ging Marcus verder, 'Hij heeft enorme onrust veroorzaakt in het Bergland waar de Oostelijke Ourthe mondt. Het is oorlog zeg ik je, oorlog!'

Hoewel Marcus gewoonlijk te snel conclusies trok, voelde ik aan dat het dit keer menens was. Ik bemerkte dat kleine bosdiertjes zenuwachtig in onze richting keken. Het leek me het beste ons snel uit de voeten te maken.

'Laten we dan naar de koning gaan.' Ik stond op en spreidde mijn vleugels. 'Ik zie je morgen, Sitta.'

'Dat is je geraden, lieverd. Ik moet toch aan iemand mijn roddels kwijt en je moet me natuurlijk alles vertellen over die geheimzinnige bezoeker.' Ze knipoogde toen ik opvloog om Marcus te volgen.
Ik strekte mijn benen uit haalde diep adem. Marcus spoorde me ongeduldig aan vlugger te gaan en ik schudde mijn hoofd. Toch gaf ik gevolg aan zijn verzoek en ik trok vlug op tussen de bladeren en takkenbossen door, op weg naar het koninklijk paleis.

***

We landden in een braamstruik voor de oude eik waarbinnen het paleis van de koning zich uitstrekte. Twee grote, glanzende kevers bewaakten de hoofdingang die laag aan de grond lag, hun dreigende kaken in de aanslag. Vanuit de boomkruin werden we in de gaten gehouden door een buizerd, die zijn vleugels schoonmaakte maar zijn ogen geen moment van de omgeving afwendde. Er was slechts één ingang groot genoeg om een vogel als Marcus binnen te laten. Rustig begaven we ons naar de hoofdingang. Marcus was uit de kluiten gewassen, zelfs voor een raaf.

Een bundel akeleibloemen groeide aan weerszijden van de eik. Ik kon het stuifmeel ruiken. Ik keek naar Marcus, die naast me huppelde op een beetje grove manier. Lange tijd was ik bang geweest voor Marcus, niet zozeer voor zijn grootte, meer omdat hij een kraaiachtige was. Ik keek op, en zag dat een tweede buizerd landde in een verder gelegen boom. Het buizerdpaar stond erom bekend vaak een oogje in het zeil te houden, hoewel meestal afzonderlijk van elkaar. Het was niet gewoon dat de buizerds kraaiachtigen toestonden in dit gedeelte van het woud maar iedereen kende Marcus. Marcus had Ereprijs vergezeld op zijn grote tocht en de moeder van Marcus had datzelfde gedaan bij Lucius en vele van zijn voorgangers. Marcus was nog jong, en ik wist zeker dat hij nog veel tochten zou meemaken. Hij had ook een groot gedeelte van Wederik's tocht meegereisd. Op een gegeven moment was teruggestuurd op bevel van Wederik. Marcus had mij er nooit veel over verteld. Hij wilde het er blijkbaar liever niet over hebben. Wel wist ik dat hij meer gesteld was op Ereprijs dan Wederik, al begreep ik niet goed waarom. Misschien had dat er iets mee te maken? Zonder morren lieten de kevers ons passeren en stapten we de holle boom in.

Nadat we ons een weg naar binnen hadden gebaand, en over het met zacht mos beklede pad naar de troonzaal liepen, botste ik bijna tegen Ereprijs aan die onverhoeds de hoek om stormde.

'Wilgenroosje? Wat doe jij hier?!'

Ik keek op naar hem. Zijn lange blonde haar hing voor zijn ogen en hij veegde de strengen uit zijn gezicht. De haarband die hij droeg hield ze goeddeels tegen, tot hij zijn hoofd afwendde, alsof hij luisterde naar iets anders dan mijn antwoord.

'Ik wilde weten wat er aan de hand was,' begon ik. 'Marcus vertelde…' Hij hief zijn hand op. Hij gebaarde me stil te houden. Plots trok hij me in een nis die zich in de binnenwand van de eik bevond. Nog voor ik kon protesteren drukte hij een krachtige hand tegen mijn lippen. Marcus vloog op. De grote raaf verdween uit het zicht. Ik vermoedde dat hij zich een weg naar buiten had gebaand via een van de hoger gelegen gangen. Een patrouille lijfwachten van de koning marcheerde bijna geruisloos voorbij en ik volgde hen met mijn ogen, keek naar hun kleurrijke vleugels, die ze weg hadden gevouwen op hun rug. Na een poos hoorde ik zelfs het stappen van hun voeten niet meer. Ik fronste naar Ereprijs toen hij zijn hand wegnam.

'Wat is er in Moedersnaam aan de hand, Ereprijs? Waarom moeten we ons verstoppen voor de wachters van je vader?'

Ereprijs zei niets. Behoedzaam stapte hij weer op de gang. Bijna geluidloos nam hij me bij de hand en trok me een andere richting in dan waar ik vandaan kwam. Hij leidde me dieper ondergronds. Telkens als ik hem vroeg wat er aan de hand was gaf hij geen enkele uitleg. Hij zweeg in alle talen.

Richting diepgewortelde stronken, door smalle onverlichte gangen, leidde Ereprijs mij steeds dieper ondergronds. Na enkele omzwervingen vol onverwachtse bochten die mijn oriëntatie in de war schopten hield Ereprijs in en kneep zachtjes in mijn hand, die hij de hele tocht vast had gehouden. Hij zweeg nog altijd. Teder wreef hij met zijn lange vingers over de rug van mijn hand en hij wendde zijn blik tot mij, zijn helgroene ogen oplichtend in het zachte licht dat door zijn vleugels werd afgescheiden. Ik slikte en merkte dat ik vurig bloosde. Een glimlach gleed kort over zijn gezicht, voordat de ernst hem weer de baas werd en hij me bedrukt aankeek.

'Wilgje,' sprak hij. Hij leunde zijn vrije hand tegen een zware dubbele deur, hield in de andere mijn hand. 'Je weet dat je een van de weinigen bent die ik met mijn leven zou vertrouwen, maar wat ik je zodirect laat zien vereist uiterste geheimhouding.'

Vragend keek ik Ereprijs aan. Hoewel ik me bewust was van de ernst van de situatie kon ik niet helpen herinnerd te worden hoe aantrekkelijk Ereprijs eigenlijk was. Ereprijs was zeer zeker een van de mooiste jonge krijgers uit het Elfenrijk, iets waar hij zich zelf ook ten volste bewust van was. Ereprijs was een jonge vrijgezelle flirt die niet terugdeinsde elke elf die zijn pad kruiste het hoofd op hol te brengen, of zij nu een alledaags elfje van de akkerlanden was of een exotische elfenprinses uit een ver land.

'Ereprijs,' antwoordde ik, 'je hebt mijn woord.'

Hij glimlachte, bracht mijn hand naar zijn mond, en kuste mijn hand. 'Dank je, Wilgenroos.' Ik deed mijn best te verhullen dat ik zijn gebaar voelde tot in mijn knieën.

Hij liet mijn hand los. Voorzichtig schoof hij de zware deuren open. Al waren de deuren nog niet half open, er stroomde een aangename, lichtblauwe gloed door de kier. Ereprijs liep door de ingang en wenkte mij te volgen. Aarzelend wendde ik mijn hoofd af in de hoop Marcus te vinden, om zekerheid te zoeken, ik wist het niet.

'Marcus wacht buiten op ons, bij de zwarte eik,' zei Ereprijs. Weer slikte ik mijn aarzeling weg en keerde me tot hem. Geduldig wachtte hij. 'Kom maar,' zei hij. 'Er kan je niets gebeuren.' Met die woorden reikte hij zijn hand naar me uit en ik nam hem aan, om de jonge kroonprins te volgen in de blauw verlichte ruimte.

Tot mijn verbazing was de immens grote ruimte nagenoeg leeg, slechts een stervormige tafel met wat vaste krukjes eromheen en een blauwe bol die boven het midden van deze centraal geplaatste tafel zweefde bevonden zich in de holte. De bol was groter dan een dauwdruppel, en was zeer zeker zo groot als mijzelf. Het werd me ook onmiddellijk duidelijk dat deze bol de bron was van het blauwe licht dat de gehele ruimte in gifblauw vuur en vlam leek te zetten.



***



Ik nam de immense holte in me op. Het felle licht deed me sidderen.

'Wilgje,' sprak Ereprijs, 'we hebben weinig tijd.'

Ik fronste naar de elfman. 'Wat bedoel je? We zijn hier toch pas net?' Ik werd volledig overspoeld door de kracht die uit de blauw vlammende bol leek te vloeien. Betoverd door het felle licht zette ik een stap dichter naar de bron en sperde langzaam mijn lippen vaneen, met lichaam en geest volkomen opgenomen in de omklemmende straling van de bol.

'Wilgje, je begrijpt het niet!' snauwde Ereprijs.

Ik had geen idee waar hij zich nu zo druk om maakte. Het licht was werkelijk adembenemend.

'Wilgenroosje, luister naar me,' hoorde ik Ereprijs vanuit de verte zeggen, alsof hij maar half aanwezig was terwijl ik naar de bol werd toe getrokken als ware het een magneet. 'Wilgje! Hij is dood!'

Mijn adem stokte toen hij me bij mijn handen beetnam. Het leek of het blauwe licht haar betovering ongedaan maakte, en ik scheurde mijn blik los van de bol. Hij is dood, hoorde ik als in een nagalm door mijn hoofd. Verschrikt keek ik Ereprijs aan.

'W-wie is dood?' stamelde ik.

'Mijn broertje,' antwoordde hij. Het klonk alsof er iets in zijn keel zat dat er niet uitging. 'Wederik is dood. Ze hebben hem vermoord.'



***



In rijen van vier stonden de kristallen opgesteld op de zware houten tafel. Ze dienden ter breking van het fel blauwe licht dat de bol waaronder ik me nu bevond als oorsprong had. Ik staarde er naar vanuit mijn zitplaats, geen poging wagend mijn schrik te onderdrukken.

Ereprijs stond naast me. Zijn ogen leken nergens naar te kijken, laat staan iets te zien.

'Wilgenroosje,' zei hij met een stem die me beangstigde, zo kil dat het bloed in mijn vleugels stolde en daarna wild rond kolkte door mijn aderen. 'De Meesters van de Zuidelijke Landen rukken noordwaarts op. Vijandige soldaten liggen op de loer. Verraders zijn in ons midden. Ik weet niet sinds wanneer maar we hebben te maken met infiltranten en overlopers…' Hij omklemde de rand van de tafel met zijn vingers. Ik keek ernaar toen ik hem onderbrak.

'Ereprijs, hoe weet je zo zeker dat er verraders temidden van ons eigen volk schuilen?' vroeg ik, enigszins angstig voor zijn antwoord.

'Ze hebben Windbloem.'

'Je zusje?' reageerde ik geschokt, in zijn ogen zoekend naar bevestiging. 'Maar wat willen ze met haar?!' Windbloem was Wederiks tweelingzus. Ik was met hen beiden opgegroeid en kende haar net zo goed als Wederik.

'Ze willen dat vader de valleien prijsgeeft en overdraagt aan de Heer van de Zuidelijke Landen.'

'Maar dat kan toch helemaal niet? Wij hebben de valleien nodig en de valleien hebben ons nodig om te leven! We moeten bloemen laten groeien, bessen en noten rijpen, dauwdruppels laten neerdalen in de vroege ochtend. Zij kunnen niet zonder ons en wij niet zonder hen!' Ik haalde, om mezelf te kalmeren, diep adem. 'En wie zijn 'ze'?'

Ereprijs drukte zijn lippen samen en legde een bemoedigende hand op mijn schouder.

'Dat weet ik ook wel, Wilgje. En we zullen niet opgeven zonder enige tegenstand te bieden.'

Hij gaf geen antwoord op mijn vraag, dat besefte ik, maar de gedachte dat mijn beste vriend dood was deed me teveel om me er werkelijk druk om te maken. Ik kon alleen denken aan Wederik. Ik sloeg mijn ogen neer en snikte zacht. Ik vroeg me af wat er verder nog zou komen.

Wederik was dood. Hij was mijn kameraadje en dat was hij al van kinds af. Tot voor kort was hij er altijd voor me geweest. Het besef dat hij niet meer leefde drong nog niet echt door, maar de pijn was heel duidelijk aanwezig in de brandende tranen die langs mijn wangen rolden. Wat zou er van Windbloem worden, en wat van onze valleien die we al sinds jaar en dag beschermen, al sinds elfenheugenis? Ik probeerde adem te halen maar ik verzuchtte me in enkele hikken, en tranen biggelden over mijn wangen; zelfs meer dan tevoren. Ereprijs kneep zacht in mijn schouder. Ik keek op en ontmoette zijn blik.

Hij keek me indringend aan en er was iets in zijn blik dat de oorzaak was van een pijnlijke, sidderende scheut die zich door mijn lichaam verspreidde, mij geheel verwarmend. Ik fronste, de sensatie niet geheel begrijpend. Wat gebeurde er? Voorzichtig veegde hij mijn tranen weg. Hij slikte, zijn ogen strak op de mijne gericht. Ereprijs' adem daalde neer op mijn gezicht en hij knipperde steeds langzamer met zijn ogen voor hij ze sloot en zijn gezicht het mijne naderde. Ik sloot mijn ogen en lichtte mijn kin op, mijn hoofd opheffend, dat nu in zijn handen rustte. Zijn lippen raakten de mijne, ze waren warm en zout. Zijn vingers streken door mijn haar en zijn scherpe, kalmerende geur deed me alles om me heen vergeten. Toen ik besefte wat er gebeurde schoten mijn ogen wijd open en ik hapte naar adem.

'Ereprijs! Hoe dúrf je van zo'n moment misbruik te maken? Schoft!' Bah, wat haatte ik Ereprijs. Ik schrok van mijn eigen gevoelens. Ik stond op, trillend van woede en verdriet. 'Hoe kun je?'

Ereprijs zweeg. Hij bewoog zich niet, maar keek me geschokt aan. Ik bedacht me dat alle emotie van het moment hem ook in de war had gebracht, en met die gedachte bekoelde mijn woede iets. Ik liet mijn ogen zakken, vocht tegen mijn tranen. Wederik, Windbloem, ons geliefde land-- wat zou er nu van mij worden? Gedachten begonnen weer door mijn hoofd te spoken tot Ereprijs me toesprak.

'Wilgje, het was niet mijn bedoeling,' hij schraapte zijn keel, 'het is die bol, zie je, het licht… eh…' hij zweeg van het ene op het andere moment en raakte de blauwe bol aan.

'Laten we hier alsjeblieft weggaan,' zei hij, 'we zijn zelfs hier niet veilig en die bol werkt op mijn zenuwen.'

Ik staarde naar de vlammende bol toen hij het onderwerp aansneed. Tot mijn verbazing stapte Ereprijs de bol in en weer strekte hij een arm uit om me gerust te stellen. Ik was nog altijd boos, al wist ik niet eens meer waarom. Ik voelde me verward en het blauwe schijnsel omlijstte Ereprijs op een manier die me verwarde. Voelde ik me tot hem aangetrokken? Ik begreep het niet. Golven van pijn en verdriet leken overspoeld met een drang om Ereprijs aan te raken. Ik begreep er niets van. Ik aarzelde weer.

'Wilgje, ik zei toch al dat het niet mijn bedoeling was. Kom je nog?' Zijn stem klonk anders. Ik bedacht me dat het vast met de bol te maken had, wier licht mijn gelaat opwarmde. Ik zag de groene ogen van Ereprijs die nu blauw waren, net als zijn lippen, zijn haar. Ik schudde mijn hoofd. Afwezig, verdrietig, knikte ik en nam zijn uitgestrekte hand aan. Zijn aanraking deed me bijna struikelen toen hij me in de bol tilde. Alles om ons heen werd als een waas. Ik besefte pas dat we in beweging waren toen mijn vleugels trilden. Wat was dit voor ding? Ereprijs pakte me bij mijn schouders.



'Bereid je maar vast voor op de landing,' zei hij.

'Landing? Zijn we opgestegen dan?' Ik opende mijn mond, maar de woorden vervlogen. Het voelde of ik rondtolde. Neen, we tolden werkelijk in de rondte! Wat was dit voor rare blauwe bol? Ik begon te gillen. Ereprijs raakte mijn wang aan. 'Er zal heus niets gebeuren. Vertrouw me.'



Ja dag. Hem vertrouwen? Al goed, ik zou niet meer gillen. Maar hem vertrouwen? O Moeder, had ik enige keuze? Al moest ik tot in de eeuwigheid met Ereprijs in deze enge bol doorbrengen, hij hoefde me niet zo stevig beet te pakken. Snibbig duwde ik Ereprijs van me weg. Op dat moment verdween de grond volledig onder mijn voeten en viel ik als een baksteen naar beneden. Mijn vleugels voelden loodzwaar aan en ik zag de omgeving als een groenblauwe waas voorbijschieten. Ik kon niet eens de bladeren van bomen herkennen, zo vlug schoot alles aan me voorbij. Ik besefte inmiddels dat ik geen hoogte verloor en keek op. Ereprijs deed zijn uiterste best mij weer omhoog te trekken. Kennelijk was dat niet gemakkelijk. Verbeten pakte hij ook met zijn andere hand mijn arm beet en ik snakte naar adem toen hij me weer aan boord had getrokken.

'Wat is dit voor ding?' vroeg ik met grote ogen op Ereprijs gevestigd. Krampachtig greep ik zijn arm vast. Ik hijgde. Ereprijs zei niets. Hij was volledig buiten adem.



***



Ereprijs liet mijn hand niet los. Ik werd me ervan bewust dat Ereprijs veel meer wist dan hij me momenteel kon vertellen. Ik had geen idee waar we heen gingen, alles daarbuiten was een waas.

'Hou je goed vast. We gaan nu landen.'

'Waaraan? Ik zie hier nergens iets wat me houvast kan geven,' antwoordde ik. Ereprijs gebaarde naar de gesp die om zijn middel zat en met tegenzin greep ik de riem vast. Ereprijs keek naar me voor bevestiging, ik knikte. Hij hief zijn handen op en vouwde ze tegen elkaar, op dat moment viel ik weer. Ik schreeuwde, maar mijn stem werd gesmoord door Ereprijs' handen. Ik hield mijn ogen stevig dicht tot ik zeker wist dat ik weer vaste grond onder mijn voeten voelde. Ik was dol op vliegen maar na die bijna-doodsval van zojuist had ik even de voorkeur voor aarde boven lucht.

'We zijn er.'

Ik opende mijn ogen en keek om me heen. 'Dat zal wel Ereprijs, maar wáár zijn we?'

Hij glimlachte ondeugend naar me, zijn ogen al even glinsterend als zijn krachtige vleugels. 'Dat zul je wel zien.'

Ik beet op het binnenste van mijn wang uit pure frustratie. Alweer van die geheimhouding en dat mysterieus geneuzel. Het leek wel of hij het niet eens erg vond dat zijn eigen broer vermoord was door een zekere 'ze' die Ereprijs vertikte verder te benoemen. Diezelfde 'ze' ergens uit de Zuidlanden, hadden schijnbaar de boel hier overhoop gehaald, en--- en nog altijd flirt hij alsof er niets aan de hand is!

'Kom je?'

Ik zuchtte en schudde mijn hoofd. 'Ik kom al.'

Weer nam hij mijn hand en leidde me onder twee braamstruiken en een daslook weide door. Muisjes en kevertjes keken even op als we hen passeerden, maar negeerden ons weldra en vervolgden, net als wij, hun weg. Boven ons hoorde ik meesjes sjirpend indruk maken op een vrouwtje dat naast hen zat. Een specht tikte driftig tegen een boomstam, op zoek naar insecten. Geregeld landde er een bijtje of hommel bij ons in de buurt en ze groetten ons. Ik begroette hen uitgebreid, maar Ereprijs negeerde ze steevast en dwong me verder mijn mond te houden, zelfs niet naar iemand te kijken of knikken. Ik werd een beetje moedeloos van die vervelende kroonprins. Natuurlijk had ik niets in te brengen. Ik was immers een buitenstaander van lage komaf. Ik kon blij zijn dat ik überhaupt op de hoogte werd gesteld van het tipje van de bonenplant. We gingen een klein hamsterhol binnen aan de rand van het bos. Het begon allemaal steeds vreemder te worden maar ik besloot mijn mond te houden en Ereprijs te volgen. Hij was dan wel een onbeschaamde vlerk, ik moest hem wel vertrouwen. Nee, ondanks mijn afkeer naar hem toe wist ik dat Ereprijs te vertrouwen was, althans, wat dit betreft. Toch? Ik hoopte in elk geval dat waarheen we ook gingen, hij me snel meer over Wederiks dood zou vertellen. Ik wist niet hoe lang ik nog kon doen of er niets aan de hand was.



***



Na de lange tunnel naar beneden te hebben gelopen, inclusief enkele afslagen onderweg, kwamen we het eigenlijke hol binnen. Buiten het paartje hamsters dat er leefde, zaten er welgeteld zes andere personen in het diepste gedeelte van dit hol. Valeriaan herkende ik meteen. Hij grijnsde naar me, zijn gezicht ontspannen.

Valeriaan liet zich nooit ergens door van het stuk brengen. Hij was al op jonge leeftijd blootgesteld aan gevaarlijke situaties met zijn broer, ergens ver in de Oostlanden, waar hij vandaan kwam. Het leek me echter niet meer dan logisch dat ook Valeriaan wist wat er aan de hand was. Hij was immers Ereprijs' beste vriend. Net zo'n eikel, ongetwijfeld.

Naast hem zat zijn broer, Kamperfoelie. Diens vrouw zat rechts van hem, haar uitdrukking bezorgd en gespannen. Kattekruid heette ze, naar ik meen. Aan de andere zijde van Valeriaan zat een donkerharig elfenmeisje, ongeveer mijn leeftijd, lichte ogen en schaars maar koninklijk gekleed. Ik wist onmiddellijk wie ze was: Ereprijs' zusje, Windbloem.

'Windbloem? Ik dacht dat je…'

Windbloem glimlachte lichtjes. 'Lang verhaal…'

Ik begreep steeds minder. Een eindje van Windbloem af zat een jonge elf die voor mij geheel onbekend was. Zijn oren waren klein en ondanks dat toch puntig. Hij was lang en slank en zijn bouw deed me denken aan die van mezelf. Hij ontweek mijn blik niet maar sprak ondanks dat geen woord. Toen niemand me wilde vertellen wie hij was, gleden mijn ogen naar een figuur die aan het andere eind van het hol tegen een aarden wand leunde. Alles wat ik kon opmerken was dat het duidelijk een elfman was ook al reikte zijn haar tot ver over de schouders.

'Ik heb je gemist, Wilgje,' sprak hij.

Ik knipperde met mijn ogen. Dit kon niet waar zijn. 'Wederik? Je was toch… dood?'

De donkere gestalte liep naar me toe, een glimlach leesbaar in zijn ogen.

'Natuurlijk niet! Een leger kraaien kon me niet weerhouden jou terug te zien!'

Hij pakte me beet, tilde me op, en omhelsde me. Hij rook mannelijker – de geur van muskus begroette me – dan de laatste keer dat hij zo dicht bij me stond. De laatste keer dat hij me omhelsd had leek een eeuwigheid geleden. Dat was al enkele getijden terug. Sinds het laatste geboortefestival had hij me ontweken. Ik wist niet of de inwijding er iets mee te maken had. Vanaf het moment dat ik was ingewijd tot dienares van de Moeder en niet langer een kind was had Wederik ervoor gezorgd nooit te dicht in mijn buurt te komen. Ik was blij te zien dat het blijkbaar niet iets was waar hij zelf volledig achter stond.

Ik keek hem aan. Hij was sinds zijn vertrek aanzienlijk gegroeid – en breder geworden. Hij was nu aanmerkelijk groter dan ik. Hij was zelfs groter dan Ereprijs! Zijn haar was lang en nog donkerder dan de veren van een raaf. Het viel over zijn schouders als een krans. Zijn hele voorkomen straalde mannelijkheid uit en hij leek nu meer op zijn broer dan ooit tevoren. Hij zag eruit als een koning: trots en sterk. Tranen welden in mijn ogen al vocht ik hard ze tegen te houden. 'Ik dacht dat je dood was!' hikte ik tegen zijn borstkas.

'Ik wist wel dat je één van ons was, Wilgje. Maar Ereprijs wilde zekerheid.'

Ik fronste en maakte me los van zijn omhelzing. 'Wat bedoel je? Wat is hier allemaal aan de hand, en wie is hij?' Ik wees naar de jonge vreemdeling met de opvallend kleine oren.

'Rustig, Wilgje,' zei Wederik, zijn stem zwaarder dan ik me kon herinneren. 'Hij heet Bertram. Bertram komt uit de Zuidlanden en is met mij mee noordwaarts gereisd. Ga maar zitten dan leg ik het allemaal uit.'

Ik wilde meer dan alles weten wat er aan de hand was. De bedrukte gezichten van de aanwezigen maakten me duidelijk dat het ernstig was. Ik zuchtte, snakkend naar adem. Ereprijs had tegen me gelogen, en ik wist niet waarom. Hij grijnsde naar me. Ik antwoordde met een geïrriteerde en kwade blik. Wat walgde ik van Ereprijs! Nu meer dan ooit tevoren drong tot me door hoe ongevoelig Ereprijs was door me te laten geloven dat Windbloem ontvoerd was, en Wederik dood. Vanzelfsprekend was ik opgelucht dat ze beiden veilig waren. Het maakte niet ongedaan dat Ereprijs te ver was gegaan. En de gluiperd was zich van geen kwaad bewust; hij hield dezelfde stomme grijns als altijd tot mij gericht. Ik bleef hem woest aankijken, en toen ik me met een ruk naar Wederik wendde, die zijn relaas deed, verdween zijn glimlach en leek hij teleurgesteld. Eigen schuld! Had hij niet zulke leugens moeten verkopen, zeker niet aan mij.



***



'Toen ik op weg ging richting zuiden, vervolgde ik dezelfde route die Ereprijs op zijn Eerste Tocht had genomen. Met de Mosa als geleide, trok ik steeds verder zuidwaarts tot ik bij een splitsing kwam. In plaats van de Mosa verder te volgen besloot ik langs de Ourthe te reizen waar ik in het Middenland, waar de Ourthe ontspringt, Bertram ontmoette. Middenland was niet langer een tussengebied. Middenland was Zuidlands.'

Ik werd steeds nieuwsgieriger. Misschien had Ereprijs wel een goede reden gehad om te liegen. Zou ik ten onrechte kwaad op hem zijn? Ik zuchtte terwijl Wederik zijn verhaal vervolgde.

'Bertram was op de vlucht geslagen voor een zekere Kardoen. Ik denk dat je zijn naam herkent. Ongeveer achthonderd geboortes geleden kwam er een einde aan het Elfheim. Kardons, begiftigd en doorluchtig bediener van het Elfheim had aan zijn zijde een keizerin, de mooie Duizendblad. Kardons hield echter niet van haar. Hij hield van Calendula, een op het eerste oog nogal alledaagse dienares van de Moeder. In de hoop dat Calendula zijn liefde zou accepteren, verstootte Kardons Duizendblad. Niettemin kon Calendula niet ontsnappen aan de toorn van Duizendblad, die een oorlog ontketende met steun van de zuidelijke gebieden die haar trouw waren gebleven. Calendula wilde niemand voor de voeten lopen en vluchtte. De jonge Calendula droeg een kleine cocon met zich mee, met daarin een nog ongeboren elfenkind. Duizendblad lokte Calendula in een hinderlaag onder de valse voorwendselen dat zij meer dan eenieder begreep dat ze het kind wilde beschermen. Duizendblad gebruikte daarbij haar eigen kind, de gevoelige Wolverlei. De op wraak beluste elf zei de moederliefde te begrijpen, gezien ze zelf een zoontje had. Gedreven door jaloezie, niemand weet het, wilde Duizendblad het ongeboren kind niet doden maar voor zichzelf houden. Op een of andere manier was de boosaardige Duizendblad ervan overtuigd dat Calendula's kind haar verloren Pendulina was, die haar nog voor de eerste maan ontnomen was. Waarschijnlijk wilde Kardons de macht naar zich toetrekken en had hij hiervoor een zoon nodig. Het moment dat Kardons er immers achter was gekomen dat in de cocon die Duizendblad bij zich droeg een elfenmeisje zat had hij naar het schijnt een plan in werking gezet om zich van het meisje te ontdoen, tot ontsteltenis van Duizendblad. Of dat waar is, is moeilijk te achterhalen. Het is al lang geleden.'

'Wederik,' zei Ereprijs vinnig. 'Maak het kort, wil je.'

Zijn broer gromde. 'Ik mag het toch wel uitleggen?' snauwde hij.

'Je maakt er een langdradig zeikverhaal van. Duizendblad wordt door haar eigen zoon verraden. Ze wilde Calendula's kind en betaalt uiteindelijk zelfs met de dood. Kardons ziet Wolverlei als de schuldige aan Calendula's verdwijning en het arme kind slaat op de vlucht. Vervolgens doodt Kardons de losgeslagen Duizendblad en wordt tenslotte zelf verdreven door het Elfleger richting de Duna, waar hij van verdriet en eenzaamheid sterft. Calendula heeft in doodsnood en met hulp van Wolverlei haar kind toevertrouwd aan de Mosa. Ze wordt als aanstichtster gezien van het verstoorde Elfheim. Omdat ze zelf van boven de rivierkruising komt haalt het Elfleger het in hun achterlijke bol te denken dat het gehele noorden vijandelijk gebied is en na een langdurige oorlog valt het Elfheim volledig uit elkaar. Voorwaar het ontstaan van Noord-, Zuid- en Oostlanden die na een maan of driehonderd een wapenstilstand afkondigden en Middenland als neutrale bufferzone instellen. Schiet eens op of moet ik alles voorkauwen?' zei Ereprijs en hij gebaarde met zijn handen op een minachtende manier.

Wederik ging niet verder in op Ereprijs' opmerkingen. De ergernis was wel degelijk van zijn gezicht af te lezen. 'We weten nog niet hoe en of het echt waar is maar het lijkt erop dat Kardons terug is, nu Kardoen geheten. Omdat volgens de legende de cocon is aangespoeld in de Noordlanden is die idioot nu op zoek naar een kind dat hij achthonderd zonnejaar geleden is verloren! Het schijnt dat hij volledig gek is geworden. We weten niet hoe, maar hij heeft de Zuidlanden volledig in zijn ban en het Middenland lijkt navolg te geven aan hun voorbeeld. Middenland heeft zich onderworpen.'

Ik schoot in de lach. 'Ja maar Wederik, denk je niet dat Kardoen gewoon iemand anders is? Kardons leefde bijna duizend jaar geleden. Iedereen weet dat hij bij de Duna ontslapen is. Dat kan helemaal niet.'

'Het is waar. Kardoen is Kardons en geen ander. Ik heb hem met eigen ogen gezien,' zei de vreemde elf, Bertram genaamd.

Ik keek naar hem, zijn donkere ogen zagen pijnlijk. 'Hoe weet je dat dan zo zeker?' vroeg ik. Ik blikte naar Wederik, de pijn in zijn ogen was gespiegeld met die van Bertram en ik vermoedde dat ook hij hier meer van wist. Waarom anders deed hij zich de moeite vol omwegen te praten. Dat deed hij alleen als er iets ergs speelde, iets wat hij zo lang mogelijk wilde uitstellen, zoveel mogelijk wilde verbloemen. Hoe kon dit? Ik begreep het niet.

Ereprijs bromde diep vanuit zijn keel. Ik richtte me tot hem, evenals de anderen, wachtend op een reactie.

'Wederik,' zei hij klaaglijk, 'Vertel Wilgje gewoon wat er werkelijk aan de hand is.' Zijn ogen vernauwden zich en er sprak een zekere vijandigheid van ze uit die ik onmogelijk kon plaatsen. Wederik beantwoordde zijn boze blik, hij leek zijn geduld te verliezen. Toch zweeg hij, zijn armen vouwend.

'Je betrekt haar er niet eens bij, Wederik. En dan te bedenken dat het juist om háár draait!' Ereprijs wees naar mij. Ik fronste en ging rechtop zitten, mijn oren spitsend.

'Al goed, Ereprijs, zoals je wilt,' sprak Wederik, terwijl hij zijn haar naar achter streek. 'Wilgenroosje, Bertram is je familie. Kardoen wil je vinden en Bertram doden— je bent niet wie je denkt dat je bent.'

Mijn blik vestigde zich op Bertram. Hij was lang en slank, net als ik maar daar hield de gelijkenis eigenlijk op. Hoe kon dit? Kende hij mijn moeder, mijn vader? Wie was ik dan?

'Het spijt me, Wilgenroosje,' zei Ereprijs, 'Soms wenste ik dat mijn broer wat meer tact bezat. Maar wat hij zegt is waar al behoeft het enige uitleg.'

Wederik fronste zijn voorhoofd en drukte zijn lippen samen, hij hield zich duidelijk in, en ik vroeg me af sinds wanneer hij zo opvliegend was. 'Waar bemoei jij je mee?!' bitste hij tot zijn broer, 'Je hebt totaal geen idee waar je over spreekt! Je denkt alleen aan jezelf. Het zou me niets verbazen als hier weer iets achter zit. Jij laat altijd iedereen in de steek, waarom zou het dit keer anders zijn?!'

Ik staarde naar Wederik, ik had hem nog nooit zo woest gezien, hij was duidelijk overstuur. En terwijl ik hem aankeek keerde hij zich naar mij.

'Ik zal meteen met het blad op de grond vallen. Jij bent Calendula's dochter, het kind dat Kardoen nooit gezien heeft. Jouw vader is een duivel. Ik haat hem, en ik haat iedereen die ook maar iets met hem te maken heeft.' Hij pauzeerde terwijl ik hem ongelovig aankeek. Nog nooit had Wederik op zo'n manier tegen me gesproken, nog nooit was hij werkelijk boos op me geweest. Dit keer was hij kwaad, al wist ik niet wat ik fout had gedaan. 'En ik haat jou ook,' zei hij, zijn ogen op mij gericht. 'Je hoort hier niet.' Zijn ijskoude blik deed me wankelen.

Windbloem schudde haar hoofd. 'Dat is niet eerlijk, Wederik. Wilgje kan hier niets aan doen. Het is haar schuld niet.' Wederik negeerde zijn zusje en hield zijn blik vast, haat en pijn straalden uit zijn grauwe ogen.

Hoezeer ik ook probeerde hem te begrijpen, ik kon het niet. Ik begreep hier werkelijk niets van. Wederik was veranderd; ik herkende hem niet eens meer. Ik balde mijn handen tot vuisten, in een poging niet in huilen uit te barsten. Dit kon toch niet? Die stomme legende was van ik weet niet hoeveel honderd zonnejaar terug! Ik beet op mijn onderlip en sloot mijn ogen. Ik haatte het open en bloot te huilen. Wat Wederik zei klonk niet alleen oneerlijk en ongelofelijk, maar zelfs als verraad: ik had hem nooit iets misdaan, hem nooit in de steek gelaten. Ik kon niets meer. In tranen keek ik hem aan, maar hij wendde zijn gezicht af.

Ereprijs stond op, alles aan hem straalde rust uit. 'Bied je excuses aan, broertje. Ik weet dat je overstuur bent door wat je hebt meegemaakt, maar nu ga je te ver. Bied je excuses aan.'

Met tegenzin en tot mijn ontsteltenis zonder me aan te kijken verontschuldigde Wederik zich. 'Het spijt me Wilgenroosje, je kunt je ouders niet kiezen.'



Niet alleen voelde ik me misselijk door wat hij gezegd had, ik voelde me leeg, door elkaar geschud. Wie was hij? Ik kende deze Wederik niet. Zijn woorden hadden me geraakt ware het messteken.

'Ereprijs, Wederik, wie dan ook…' sprak ik, mijn moed verzamelend, 'Wat is dit?'

'Vertel het haar, Wederik,' beval Ereprijs. 'Vertel het haar.'

Wederik zweeg echter, hij vouwde zijn armen minachtend en sloot zijn ogen.

'Verdomme, vertel het haar! Ze heeft recht op een antwoord!'

'Nee. Ik kan het niet—' Geheel onverwachts zakte Wederik door zijn knieën en barstte in janken uit.



***



Ik kon me onmogelijk een voorstelling maken van wat dit alles betekende.

De plotselinge omslag in Wederiks gedrag joeg me angst aan.. Zijn vreugde me weer te zien, die me op dat moment oprecht had geleken, het eigenlijk nog steeds leek, was verbleekt en bedolven onder de kille furie die hij daarna over me uitstortte. En, een klein ogenblik later verbaasde hij iedereen door schuddend van verdriet in te storten, vlak voor mijn voeten. Windbloem was op dat moment direct opgesprongen om haar broer troost te bieden. Zij en Wederik hadden altijd al een sterke band gehad, ze waren dusdanig verknocht aan elkaar –ze waren immers tweeling– dat de band die de jonge prins met Ereprijs deelde, daarbij koel afstak. Zeker op dit moment had ik het gevoel dat het begrip dat Windbloem toonde voor het gedrag van haar tweelingbroer ontbrak bij Ereprijs en mij. Ik voelde me steeds misselijker worden. Altijd was ik degene geweest die Wederik steun bood, nu bleef ik op afstand als volledig vastgenageld aan de grond, niet in staat een woord uit te brengen.

De vreemde elf, Bertram, sprak met Kamperfoelie en Valeriaan. Plots wendden ze zich gedrieën tot me, waarna Valeriaan me wenkte.

Nog éénmaal voor ik me naar het andere eind van de holte bewoog, sloeg ik Wederik gade terwijl zijn zusje hem wanhopig probeerde te troosten. Hij hield zijn handen voor zijn gezicht en snikte luid. Ik voelde me schuldig, al had ik hem niets misdaan. Met een brok in mijn keel ging ik naast Valeriaan zitten, mijn ogen van Wederik afslaand.



***



Marcus hupte onrustig heen en weer op de zware, bijna zwarte tak, omringd door gebladerte en kleinere vertakkingen die de oude eik rijk was.

De raaf had reden onrustig te zijn. Hij was tot het besef gekomen dat in de eik schuin voor hem, wier takken op een enkel punt de takken van de boom waarin hij zat raakten, een gevecht gaande was. En hij wist, dat Wilgenroosje zich ergens in die eik bevond. Die eik was de citadel van elfen, alsmede de zetel van de koning. Marcus was tot de beangstigende conclusie gekomen dat Wilgenroosje in gevaar was. Hij had het al eerder vermoed maar nu wist hij het zeker: de vijand was de citadel binnen gedrongen. Maar ja, wie was die vijand eigenlijk?

Hij klapperde nerveus en onophoudelijk met zijn vleugels en snavel, en in de ijdele hoop een glimp van Wilgenroosje op te vangen die veilig en wel op hem toe kwam gevlogen tuurde hij voortdurend naar beneden. Als Ereprijs haar maar kon beschermen, dacht hij alsmaar. Marcus zou het zichzelf nooit vergeven als Wilgenroosje iets zou overkomen omdat hij onoplettend was geweest. Ongedurig en beladen met zorg, bleef Marcus in de zwarte eik op Wilgenroosje wachten.



***



'Je bent de oudtante van Bertram,' sprak Valeriaan.

Ik staarde hem aan. Zenuwachtig grinnikte ik. 'Dat kan helemaal niet, we zijn van dezelfde leeftijd.'

'Ik begrijp dat het je allemaal erg vreemd in de oren klinkt,' begon Valeriaan. 'Toch is het de waarheid. Ongeveer achthonderd geboortes geleden spoelde er een kleine cocon aan. Een jong meisje vond de cocon en nam het onder haar hoede. Primula was haar naam—'

'Primula?' onderbrak ik Valeriaan. 'Bedoel je—'

'De grootmoeder van Ereprijs, Wederik en Windbloem.' Hij kuchte. 'Omdat de cocon na

vijf zonnewendes nog steeds niet uitkwam wilde Primula het teruggeven aan de Moedergodin door het in haar aardse schoot te begraven. Die nacht kwam de waarheid tot haar in een droom. De cocon was wel degelijk levensvatbaar, maar het kind binnenin zat gevangen in een soort droomtoestand, kon niet ontwaken. De stem die tot Primula sprak was een moederstem. Of het Calendula of de Godin zelf was is onduidelijk en doet er eigenlijk niet toe maar sindsdien is de cocon een heimelijk beschermd binnen de paleismuren, vereerd en met liefde en verwachting bejegend gelijk elke cocon. Primula droeg de zorg na vele zonnejaren over op Sleutelbloem maar na haar dood verviel het altaar en raakte de cocon in vergetelheid. Het was Ereprijs die je deed ontwaken.'

'Wat bedoel je?' vroeg ik.

'Koningin Sleutelbloem had tot Ereprijs gesproken in een droom. Ze vroeg hem het rivierkind te beschermen. Ereprijs was nog erg klein en begreep het niet. In een volgende droom vertelde ze hem over een pleegzusje dat in diepe slaap op hem wachtte. Gestuurd door zijn moeders woorden kwam Ereprijs bij het verwaarloosde altaar. Hij pakte de cocon weg van het altaar, hield het in zijn armen, zong het toe. Toen de maan vol was werd je geboren. Ereprijs noemde je Wilgenroosje, naar de prachtig gekleurde strengen in je haar…'

Ik keek naar Ereprijs, die tegen een wand leunde en met een van de hamsters sprak. Ik volgde zijn bewegingen terwijl ik luisterde naar Valeriaans woorden. Dus het was Ereprijs die me mijn naam gegeven had? Wilgenroosje…

'Wilgenroosje,' ging Valeriaan verder. 'De koning wilde je veiligheid waarborgen en zag het gevaar dat voor je op de loer lag als deelgenoot van de Elfheim Legende. Hij wilde je binnen de paleismuren laten opgroeien en enkele getijden heb je doorgebracht als speelkameraadje van Ereprijs. Toen Wederik en Windbloem uit hun cocons kwamen dacht de koning je samen met Windbloem op te kunnen laten voeden omdat je onder invloed van Ereprijs nogal jongensachtig en ruw was geworden…'

Ik snapte er werkelijk niks van. Waarom kon ik me dit alles niet herinneren? Weer dwaalde mijn blik af naar Ereprijs. Vanuit mijn ooghoek zag ik Wederik en Windbloem, die haar broer gelukkig wat gekalmeerd had. Wederik zat voorover gebogen, hij zag er erg moe uit. Ik vestigde mijn aandacht op Ereprijs die omkeek en gepijnigd naar me glimlachte. Ik richtte me op Valeriaan, draaide me om.

'…Windbloem mocht je niet. Ze zag je als haar rivale vanaf het begin. Toen Windbloem naar buiten bracht dat er nog een meisje binnen de paleismuren opgroeide en de koning het gevaar inzag van je afwijkende uiterlijk, plaatste hij je in het weesgesticht onder de noemer onbekende Zuidlandse, roepnaam Wilgenroosje. Windbloem werd berispt en staat sindsdien onder streng toezicht van chaperons en wachters. Zelfs haar vriendinnen zijn gekozen onder goedkeuring van de koning. Je groeide verder op in het weesgesticht maar Ereprijs zond Wederik vaak om te kijken hoe het met je ging. Zo zijn Wederik en jij bevriend geraakt. Hij heeft alleen nooit verteld dat hij je opzocht uit naam van zijn broer.'

Ik weigerde nog altijd te beseffen dat ik zo oud kon zijn zonder daadwerkelijk oud te zijn maar eindelijk begreep ik dat de dromen die ik als kind had over een paleistuin binnen in een grote holle eik helemaal niet mijn verbeelding was naar aanleiding van Wederiks verhalen. Ik had er zelf gewoond. Ik had zelf in die tuin gespeeld.

'Allemaal goed en wel,' vertelde Kamperfoelie. 'Helaas weet Kardoen van je bestaan en hij denkt dat de Noordlanders je van hem hebben afgenomen.'

'Maar mijn moeder—ik bedoel, Calendula was toch van boven de rivieren? Dan is zij toch ook Noordlands?' stelde ik.

'Kardoen is een losgeslagen maniak,' zei Bertram. 'Hij is naar je op zoek. Die zeloot heeft Middenland ingenomen op weg naar het noorden, om jou te redden. Hij heeft mijn grootvaders leven en het mijne verwoest, het Elfheim vernietigd en niets zal hem stoppen alles en iedereen die hem in de weg zit te vernietigen. We worden opgejaagd als ongewenste vliegen en hij wil alles en iedereen neerslaan die niet aan zijn eisen voldoet om zijn krankzinnig idee van Nieuwe Orde, een soort verkapt Elfheim, uit te voeren. Je hebt mijn leven verwoest. Mijn moeder en vader zijn dood. Als jij in de eerste plaats niet had bestaan was dit nooit gebeurd. Was jij maar dood. Je hebt dezelfde walgelijke ogen. Je hoort hier niet!'

Zijn woorden sneden. Ik had al veel te veel geslikt, er was al veel te veel op me af gekomen. Ik stond op, en kon mijn woede en frustratie niet langer beheersen.

'Hoe durf je?'riep ik. Tranen vonden hun weg en rolden langs mijn wangen. 'Waar haal je het lef vandaan me zo te beledigen?' Nog voor ik een woord meer had kunnen uitbrengen stond er een grote, donkere gestalte voor me, die een beschermende arm om mijn schouder sloeg.

Het was Wederik.



***



Wederik zei geen woord, en bleef waar hij was zonder een vin te verroeren. Zijn blik verried een grote woede.

Bertram stond op. 'Wederik,' zei hij, 'Ik meende het niet haar te beledigen, ik vertelde haar de waarheid, dat is alles.'

Wederik hield zijn woedende uitdrukking vol. Zijn lippen klemde hij strak tegen elkaar, zijn ogen vernauwden zich. Ik volgde zijn blik en staarde naar Bertram. De jonge elf leek me angstig, alsof hij Wederik vreesde.

'Je moet me geloven,' verdedigde Bertram zich, 'Ik zou haar nooit willen kwetsen. Vergeet niet wiens bloed door haar aderen stroomt. Ze is zijn kind, zijn opvolger.'

Nog altijd hield Wederik zijn blik tot hem gewend. 'Je blijft uit haar buurt.' Ik voelde hoe zijn hand mijn schouder omklemde en hij me even iets steviger beetnam dan voorheen. Het was een beschermd gevoel, en het deed me goed te weten dat hij nog altijd om me gaf.

'Of je krijgt met mij te maken.'

Met die woorden liet hij me los en wendde zich tot mij. Zijn ogen waren zacht en overladen met zorg. Hij glimlachte stilletjes en richtte zijn aandacht tot de overige aanwezigen.

'We moeten de opmars van Kardoen stuiten. In géén geval mag hij Wilgenroosje ontdekken. En in geen geval mag hij onze gebieden binnenvallen.'

Verward als ik was werd het me gauw duidelijk dat Kardoen wist dat ik in de Noordlanden was, wist dat ik nog leefde, en meer dan dat, dat hij vastbesloten was me te vinden. Waarom? Meer konden Wederik noch Bertram me vertellen, geen van hen scheen iets te kunnen verklaren over mijn moeder. Het enige wat ik te horen kreeg was een naam: Calendula. Altijd heb ik gedacht dat ze Goudsbloem heette, altijd heb ik gedacht dat ze een alledaagse dienares was geweest. Niets was minder waar. Of niet? Had ze er zelf voor gekozen zich met Kardons in te laten? Had zij het einde van Elfheim veroorzaakt?

Mijn nieuwsgier om meer over mijn moeder te weten te komen werd dusdanig groot dat ik stond te trappelen om naar haar verleden op zoek te gaan. De opmars van Kardoen of Kardons of hoe hij zich ook noemde, kon me tot mijn eigen verbazing weinig schelen. Al wat me boeide was mijn moeder. En ik begon me steeds meer af te vragen waarom zij ooit besloten zou kunnen hebben een verbintenis aan te gaan met Kardoen. Hoe had Kardoen een tweede verbintenis aan kunnen gaan? Hoe had hij Duizendblad kunnen verstoten? Zoiets kon toch niet? Een verbintenis was voor het leven, en ging zelfs verder dan het leven. Elke elfman en elke alverman heeft slechts één medaillon om te geven. Had Duizendblad het medaillon teruggegeven? Kon dat dan?

Meer dan ooit moest ik weten wie mijn moeder was. Ik wist niet of ze verdere familie had, of wat met haar gebeurd was. Maar ik moest weten waar ik werkelijk vandaan kwam. En niemand, zelfs Wederik niet, kon me weerhouden de waarheid te achterhalen, en op zoek te gaan naar mijn verleden.



***



Eerste hoofdstukken zijn niet mijn kracht. Rechtlijnigheid ook niet, waardoor dit verhaal af en toe veel moeite heeft gekost (of het af is? dat is een veel te groot woord daar waag ik me nooit aan. af bestaat niet in mijn wereld).

Voor diegenen die naar Zomerse Velden vroegen: voel je nergens toe verplicht. *poging nummer 6* Dat zegt genoeg. Doe het niet, enzovoorts. Oh, en natuurlijk mag je hier heel hard tegenaan schoppen over hoe doorsnee en cliché dit is! Dat stel ik op prijs. Echt.

Berdien

Berichten: 66304
Geregistreerd: 19-09-04

Re: [ver] Zomerse Velden boek 1

Link naar dit bericht Geplaatst: 14-10-06 16:37

Ik ben zooo blij dat je het gepost hebt! Na alles wat je er over gemeld had was ik heel nieuwsgierig, en het maakt het meer dan waar!
Helaas, ik kan je dus niet afbranden, of er heel hard tegenaan schoppen
Ben er helemaal weg van, en vind het met je intertextualiteit nog wel mee vallen. Ook is het me niet opgevallen dat je in herhaling viel qua woordconstructies, het stoorde me in geen geval.

Het bleef me in ieder geval boeien, stiekem moet ik voor school bezig maar ik kon mijn blik niet meer afwenden van het scherm. Heel fascinerend! Je schrijft het zo dat mijn nieuwsgierigheid tot dusverre alleen maar groter is geworden!
Gosh, nou klink ik wel heel slijmend he? Scheve mond Who cares, ik vind het gewoon zo!
Ben je ook van plan om nog verder te posten, of laat je het hierbij?

JoSav

Berichten: 4768
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Verweggistan

Re: [ver] Zomerse Velden boek 1

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 15-10-06 21:12

@Berdien: heb inmiddels twee ontzettend storende dingen in Word aangepast, maar dat kan ik nu niet meer veranderen. Toch ben ik blij dat er in ieder geval 1 lezer hier op bokt is die het kon boeien, dat is al heel wat. =)

Ik weet nog niet of ik volgende hoofdstukken zal posten. Als er helemaal geen animo voor is zie ik daar het nut niet zo van in. (en dat is helemaal niet erg hoor) Bedankt voor je reactie, want of het boeit is natuurlijk ook van belang!

Berdien

Berichten: 66304
Geregistreerd: 19-09-04

Re: [ver] Zomerse Velden boek 1

Link naar dit bericht Geplaatst: 15-10-06 21:15

Tja, zelf vind ik of het iemand kan boeien belangrijker dan perfecte schrijfstijl, al moet je dat ook weer niet in het extreme doortrekken. Lezers schijnen fouten in teksten vaak niet te zien, puur omdat we dingen goed willen lezen. Grote kans dus dat ik over fouten heb heen gelezen Ja
Hoop dat ik er meer van kan lezen, het blijft me zeker boeien. Om maar weer eens een cliche aan te halen; het smaakt naar meer! (wijt mijn cliche gebruik maar aan het feit dat het zondagavond is Knipoog )