
- Mijn ogen zijn open geloof ik, maar het enige wat ze zien ben jij.
Gekleed in een dikke trui en als een klein kind opgerold onder twee dikke dekens lig ik te denken.
Ik dommel net weer weg als de deur opengaat. Jouw gezicht verdwijnt en dat van papa verschijnt.
Hij kijk me aan en ik weet het. “Het gaat niet goed James.”
Zwijgend en op turbosnelheid kleed ik me aan en dan stappen we in de auto.
Ik loop op mijn tenen naar je bed toe en pak je hand. Druk een kus op je hoofd. Fluister in je oor dat alles goed is. Dat ik weer bij je ben.
En daar lig je nu, je lijkt wel een waterpijp, een koffiezetapparaat. Ik denk aan al het vocht dat in je longen zit.
Het is dan toch zover. Na een jaar lang vechten heb je je overgegeven, ik ben zo trots op je, mijn grote vriend.
Ik lig op de bank. Ik denk aan hoe je daar nu ligt. Hoe fijn ik het vind op deze plek. In dit hospitium.
Hoe dicht je hier bij God staat.
Ik denk aan mijn allerbeste maatje, mijn allerbeste vriend. Aan onze laatste dagen.
Geloof me opa, jij betekend meer voor me dan ieder ander. Ik ben zo blij met de band die we hebben.
Mijn telefoon gaat en ik neem op. Mijn lieve vriendinnetje. Ik vertel haar dat je in coma ligt. Hoe erg de cirosse je lever heeft aangetast. Hoe vol je zit met vocht.
Zij weet hoeveel je voor me betekend. Zij heeft ons samen zien lachen, huilen.
Ze heeft ons samen zien vallen en weer zien opstaan.
We staan naast je bed, mijn tante, nichtje en ik. En opeens hou je op met ademen.
Heel lang blijft het stil, houd het gegorgel op. De verpleegster kijkt op. En dan gorgel je opeens weer verder.
Wat denk ik? Wat wil ik?
Ik wil je bij me houden! Maar zo kan het niet doorgaan. Ik wil je nog niet kwijt! Het kan zo gewoon niet doorgaan.
Welles, nietes, welles, nietes.
Opa.
Liggend op de bank en op de grond, zittend naast jou bed en in het gezeldschap van andere die mijn verdriet ook voelen glijdt de dag langzaam maar zeker voorbij.
En dan zijn we heel even alleen.
Ik pak je hand, hij is koud en ik wrijf hem tussen mijn handen. Probeer je warm te houden.
Ik buig me over je heen en fluister in je oor.
“Hey gekkie, daar ben ik weer. En ik hou nog steeds van je. Weet je nog dat we een ijsje aten? Weet je nog op de Albert Kuip markt? Weet je nog onze eindeloze gesprekken? Weet je nog opa, vroeger?”
Een van mijn tranen valt op je wang.
“Weet je nog opa? Van het kleine ding? Van buikkie en zijn step? Volgend jaar ga je met me mee naar Lowlands toch opa?”
Blijf toch bij me opa.
“Ik hou van je.”
Ik wil bij je zijn. Bij je waken. Naast je zitten. Met je lachen. Met je huilen. Je hand vasthouden. Je hebt geen idee hoe bijzonder je bent stoere vent.
Ik ben zo trots.
Ik zal je zo missen, onze gesprekken. Onze grapjes.
Bijzonder, dat zijn we.
Voor school langs, na school langs, naast je bed zitten en je pesten. Jij die mij pest. Wat een heerlijke opa ben je. Willen weten of ik nou al een vriendje heb. Jij die aan iedereen verteld dat je mijn beste vriend bent, en ik jouw beste vriendin.
Jij.
Maar weet je opa?
Dit heeft lang genoeg geduurt. Ga nu maar. Naar je papa en naar je mama.
Naar God.
Ik hou zoveel van je mijn lieve lieve gekke opa.
Ontzettend bedankt voor de mooie tijd samen.
En nu zit ik thuis, en jij bent daar.
In dat hospitium, bij mijn mama en tante, je geweldige dochters.
Bij je vrouw, van wie ik zoveel hou.
Hou je nog even vol? Zodat ik je laatste woorden waar kan maken?
Dat ik je morgen nog éénmaal kan zeggen hoeveel je voor me betekend.
Je laatste woorden tegen mij.
"Kom je snel weer terug lieverd?"-


)