Nee, het ziet er allemaal goed uit. Voorzover ik dat kan zien vanaf hier. Langzaam hef ik mijn linkerhand op richting mijn gezicht. Die lijkt het ook te doen.
Ik ga rechtop zitten en slinger mijn benen over de rand van het bed. Ik voel hoe het tapijt zachtjes aan mijn voetzolen kriebelt, als gras dat beroert wordt door een zomerbriesje. Even geniet ik nog van het gevoel, daarna spring ik van het bed.
In een vormeloze hoop beland ik op de grond. Dat ging dus niet zo goed. Ik zoek steun bij het bed en trek me op aan mijn handen. Pijnscheuten schieten door mijn benen. Ze zijn blauw, met groene en gele plekken, maar ze lijken redelijk tegen mijn gewicht bestand te zijn.
Voor de tweede maal probeer ik te blijven staan, deze keer met succes. Ik kijk de kamer rond. Elk leeg plekje op de muur is gevuld met tekst, en zo te zien is er al een goed begin gemaakt met het plafond. Nieuwsgierig loop ik naar de muur aan mijn linkerkant en begin zomaar ergens middenin te lezen.
11-01-2005
Vandaag ging het goed. Ik heb geen rare acties uitgehaald. Ik voel me alleen niet meer veilig. De hele dag was het veilig. Ze kijken zo naar me...
Papa wil me wegsturen. Mama wil me houden. Ik...
Verder lezen lukte niet. Op de muur zat een grote, donkere vlek. Precies op de plek waar ik wou lezen. Ik begin aan het volgende stukje.
25-03-2005
Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik. Weet. Het. Niet. Meer.
Kort van stof, blijkbaar. Wie zou het geschreven hebben, vroeg ik me af? Ik niet, ik zou nooit op de muur mogen schrijven van mijn moeder. Wie het ook gedaan moest hebben, was zeker in de war geweest.
Een beweging in mijn ooghoek vraagt om aandacht. Ik zie een naakt meisje staan, in dezelfde pose als ik.
Dan dringt het tot me door. Een spiegel. Natuurlijk is het een spiegel.
Ik bestudeer het meisje. Lang, zwart, sliertig haar, dat slap langs haar hoofd hangt. Bloeddoorlopen grijze ogen kijken me aan. Haar huid is wit, alsof het al veel te lang geen zon meer heeft gezien. Verwonderd staar ik naar de slungelige dunne ledematen. Hoe had zij, ik, verbeter ik mezelf, zich zo kunnen laten toetakelen? Ze, nee, ik, zag eruit alsof ze al in geen weken een fatsoenlijke maaltijd of douche had gehad.
Waarschijnlijk kwam het daardoor dat ik me zo zwak voelde.
Ik bestudeerde nogmaals de tekst op de muren. Meter na meter na meter van hersenspinsels, gebeurtenissen, en dat allemaal in hetzelfde ongelijkmatige script.
Toen pas viel me de doodse stilte op in het huis. Normaal gesproken is er een bepaalde atmosfeer, maar op de een of andere manier was hier niks. Ik haalde mijn schouders op en besloot eerst eens te gaan douchen, om van dat vieze gevoel af te komen.
In de badkamer is geen handdoek te bekennen. Dan maar zonder. Ergens tussen de 6 shampooflessen die er staan, tref ik er een waar nog een beetje in zit en ik begin mijn haar te wassen. Dan pas bemerk ik de dunne rechte lijnen op mijn armen. Ik denk er niet bij na en zeep me in.
Verfrist kom ik uit de douche, en ik ren naar m'n kamer. Daar was het tenminste warm, hier op de gang lijkt het wel te vriezen. Plots dringt het tot me door dat ik niet eens weet welke datum of dag het vandaag is.
Ik zet het van me af en ga op zoek naar kleding. Uiteindelijk vind ik in een van de laatjes een groot T-shirt, groot genoeg om als jurk te dienen, zodat ik niet meer helemaal naakt rondloop.
Bovenaan de trap twijfel ik. Wat zou daar beneden zijn? Voor zover ik kan zien, is het een donker gat.
"Hallo?" zeg ik bijna fluisterend. Geen reactie. Ik loop naar beneden en zoek naar het licht. Eenmaal gevonden baadde de kamer in het licht. Ik schuifel wat verder de ruimte in en roep nog een keer. Weer geen reactie.
Stapje voor stapje loop ik verder. Ik zie verderop een deur open staan en loop er voorzichtig heen. Blijkbaar was dit de keuken, te oordelen aan de geur van verrot etenswaar. Toen zag ik iemand aan de tafel zitten en ik verstijfde. De persoon zat met zijn rug naar mij toe. Voorzichtig raakte ik zijn schouder aan en toen hij niet reageerde, schudde ik wat harder. Plotseling viel de vrouw, want dat kon ik nu zien, om. Zo te zien was ze al een tijdje dood.
Stukje bij beetje kwamen fragmenten terug. Foto's uit een verleden tijd. Deze vrouw, hier op de grond, zij was mijn moeder geweest. Ik herinner me ruzies. Een dichtslaande deur, mijn vader die ons hier, in dit huis, begraven heeft. Toen is het begonnen. Dagen waarop ik me nog maar weinig kon herinneren. Ik gleed als een zombie door de tijd. Ik herinner me mensen die me vragen waar ik geweest ben. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer.
Een woedeaanval. Mijn moeder, die net als ik buiten zinnen is. Pijn. Pijn in mijn benen. En dan een speldenprik. Verbaasd kijk ik naar mijn arm. Dan wordt alles zwart. Ik herinner me een vorig ontwaken. Ook toen probeerde ik op te staan, maar toen was ik vastgebonden.
Mijn moeder kwam de kamer binnen. Te oordelen aan de honger die ik had, had ik al een aantal dagen geen eten meer gehad. Ze maakt me los, geeft me een slokje water, aait over mijn haar. Opnieuw wordt alles zwart.
De volgende keer dat ik wakker wordt, is het donker. De deur naar de gang is op slot. Ik word gek. Ik trap een pen kapot en steek het scherpe uiteinde in mijn pols. Met het bloed schrijf ik op de muur, zoals ik al tijden deed. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer. Ik weet het niet meer.
Dan, een lange tijd duisternis. Flarden van herinneringen dringen zich op, maar zodra ik ze probeer te grijpen, zijn ze uit mijn bereik.
Pijn, pijn in mijn armen. Verdwaasd kijk ik naar beneden en zie bloed zich langzaam een weg over mijn arm zoeken, om uiteindelijk in druppels op de grond te vallen.
Het dringt tot me door. Ze is dood. En ik, ik ben vrij. Met een glimlach op mijn gezicht draai ik me om en loop richting de deur. Ik draai de sleutel om en stap naar buiten.
Ontsnapt.
--
Compleet kort verhaal

