Tranen stromen langzaam af,
van boven naar benee.
Er vraagt er iemand "is er wat?"
schut ze heftig nee.
"Nee er zit een vliegje in,
maar is zo weer weg!"
"Au die krengen die doen zeer,
heb jij toch weer eens pech!"
Opgelucht dankzij de smoes,
haar veel gebruikte vlieg.
"Dat gebeurt je toch wel vaak!"
"Denk je dat ik lieg?"
Deze heb ik een tijdje terug geschreven, maar gaat over vroeger.
Ik haat het hoe je naar me lacht,
ik weet hoe ver het is.
Priemende ogen in mijn rug,
ik voel, het gaat weer mis.
Angstvallig wacht ik af,
wat me te gebeuren staat.
Niets lijkt dan onmogelijk,
niets wat dan niet gaat.
De muur blijft groter worden,
hij groeit steen voor steen.
Zo kan me niets gebeuren,
maar ben ik wel alleen...
En toen kwam ik een beetje op dreef, en kwam dit eruit...
Dwalend in de gang,
moederziel alleen.
Haar treurige gezicht,
gaat door merg en been.
Haar spullen kapot gemaakt,
haar tas vliegt in het rond.
Ze raapt alles op elkaar,
ze zit knielend op de grond.
Het enige wat ze hoort is gelach,
ze kijkt niet om zich heen.
Ze wil niet hun gezichten zien,
haar gezicht verrekt naar steen.
De leraar kijkt haar vragend aan,
waarom zit ze op de grond.
"Waarom doe je zo achterlijk,
je bent toch wel gezond?!"
Steeds stiller en stiller,
haar woorden nemen af.
Want alles wat ze zegt,
moet ze bekopen met gelach.
Uiteindelijk is ze niks meer,
niet meer vrolijk, niet goed gezind.
Ze hoort de leraren zeggen,
wat is er met dat kind?
Voor eeuwig in haar hart gebrand,
de onzekerheid en pijn.
Nooit meer komt ze daarvan af,
zou het maar zo zijn.
Als jij eens zou weten,
hoe zij zich heeft gevoeld.
Zou je het dan werkelijk,
zó hebben bedoeld?
