Ik heb behalve dit stuk nog veel veder geschreven maar om alles er gelijk op te zetten heb ik geen zin in voor het zelfde geld vinden jullie het niet goed en willen niet dat ik veder schrijf. Ten slotte, er zijn zoveel goede verhalen hier!
Goed hier het 1ste stuk:
“Hijs de zeilen!” Snel rende ik naar de stuurhut. Ik moest het pakken krijgen voor iedereen samen met het schip ten onder ging! Het moest gewoon. Het mocht niet samen met het schip zinken. Dat kon gewoon niet!
Ik rende de longen uit me lijf en schopte de deur open. Hij rammelde even maar bleef op slot. “Stomme deur! Ga open!” Schreeuwde ik hysterisch terwijl ik er nog een schop tegen aan gaf. Goed! Concentreren. Zou ik het glas door kunnen trappen? Misschien. Ik gaf een harde schop tegen het glas.
Pats! Yes! Gelukt! Nu op schieten! Ik opende de deur en rende de stuurhut in. Het moest hier ergens liggen! Ik hoorde een grote knal. Verdomme! De mast was eraan. Het schip stond op zinken. Ik moest het reden! Het kon niet anders. Alles voor me meester! Ik gooide de tafel om en zocht in de rommel. Hebbes! Ik rende weer naar buiten waar de chaos groot was.
Mannen hingen aan de mast en overal lagen dode mensen. De kapitein stond voor verdoofd op het schip. Ik leefde met hem mee. We waren slecht maar alles moest! We moesten het doen, we zouden het niet overleven. Ineens hoorde ik een hard schot en het bloed droop langs me arm. Stommeling dat ik er was! Ik had ook niet stil moeten staan. Ik keek even rond wie het was en zag een jongen staan. Hoogstens iets ouder dan mij. Hij had een geweer in zijn hand en keek me verschrikt aan. Hij hoorde hier niet. Net zo min als dat ik hier hoorde. Ik rende op hem af en greep hem beet.
Hij schopte en beet maar ik kon hem niet loslaten. Ik moest hem meenemen! Hem hier achter laten was gevaarlijk en hij hoorde hier niet. Dat kon gewoon niet! Ik sprong overboord met hem erbij.
Eerst was alles zwart maar toen ik me ogen opende voelde ik dat ik hem nog vast had. Het water drukte tegen me oren en me ogen begonnen pijn te doen. Ik keek omhoog en gaf een paar grote slagen. Ik nam een grote hap lucht toen ik boven was. Lucht! Eindelijk.
Toen pas keek ik naast me. Ik had hem losgelaten maar hij leefde nog. Hij keek verward rond. “Wat deed je?” vroeg hij. Ik keek hem aan. “Ik redde je leven, kijk maar achterom.” Tegelijkertijd draaide we ons om en ik zag voor de zoveelste keer het zelfde. Het schip was gezonken. Nou ja. Niet helemaal. Ze hadden een groot gat in het dek gemaakt en toen het schip zinkende gehouden. Ik was waarschijnlijk als laatste overboord gesprongen. Ik keek even naar de jongen. Hij leek…, ik weet niet. Verdrietig? Maar hij hoorde daar niet . Ik voelde het. Net als dat ik daar niet hoorde. Ik hoorde nergens. Ik voelde op me hoofd. Gelukkig, hij zat nog. Maar goed ook. Er kon hier van alles gebeuren. Ik had de gevaarlijkste taak van iedereen. Ik kwam als eerste het schip op en ging er als laatste af. Ik moest als eerst ontdekken waar de zwakke plekken waren en daarna het signaal geven. Daarna vielen ze aan en ik moest ik de papieren pakken. Zonder die papieren kregen we geen geld, geel geld betekende dat we nog een schip moeten laten zinken en al hoe wel we het deden had toch iedereen er een hekel aan. We waren allemaal blij als het lukte. Ook al moesten we elke keer dode betreuren. Van binnen waren we allemaal goed maar we waren verslechterd door de meester. Ze deden allemaal het werk voor hun familie. Om te leven. Behalve ik. Ik had niets om voor te leven. Ze zette me ergens af en haalde me op een gegeven moment weer op. ‘Nave’ had iets wat alle andere schepen niet hadden. Of eigenlijk iets wat alle andere schepen wel hadden en ‘Nave’ had geen boegbeeld. Volgende de meeste bracht het geluk. Maar toch had ‘Nave’ er geen. Volgende meester had ‘Nave’ er geen nodig.
Ik nam nog een grote hap lucht en keek de jongen aan. “Je kunt met mij mee of je ziet zelf maar hoe je aan land komt.” Hij keek me even aan. “Ik ga mee.” Het klonk vol vertrouwen. Alsof de wereld waar we naartoe gingen beter was. Ik voelde even in me hemd. Ja, hij zat er nog. En droog. Het moest droog blijven anders kregen we ook geen geld. Dan hadden we zoveel gedaan voor niets.
Ik begon te zwemmen. Zo snel mogelijk. Ik zwom voor me leven. Richting het schip. Hij keek me verbaast aan maar zwom mee. “Waarom gaan we terug?” hijgde hij. Ik gaf geen antwoord. Hij mocht niet alle plannen weten. Dat was zo. Van de meester mochten we op zich veel. Ik zwom dus door zonder wat te zeggen. Hij zei niets meer. Het zwemmen was vermoeiend maar daarna mochten we uitrusten. Toen we bij het schip waren klom ik erop. Het hele schip was onder water en meer als de helft was gezonken. Ik liep over het schip heen op zoek naar nog kostbare dingen. De meeste lagen verstopt maar af en toe kwam iets bovendrijven en dat mochten we dan hebben. Er glinsterde iets in het water en ik stak me hand erin. Het voelde daar warm aan. Het water van de zee was meestal koud. Maar hier was het warm. Ik voelde iets veder. Het werd steeds warmer tot ik boven het ding hing. Ik pakte het op en stak me hand boven water. Het was een medaillon. Ik prutste er even mee.
“Aan de linkerkant, drukken.” Zei de jongen voorzichtig. Alsof hij bang voor me was! Ha! Hij was bang voor me. Dat was ook de eerste keer. Ik voelde en drukte. Het sprong open. Binnenin stond een tekstje. Het zag er sjiek uit. Ik kon niet lezen en draaide me om naar de jongen. “Is het van jou?” Hij schudde zijn hoofd. “Was.” Ik staarde hem aan. Was? “Kan je lezen?” Hij knikte. “Wat staat er dan?” Hij zuchtte. Hij keek verdrietig. “Voor me liefste jongen. Het zou je geluk brengen en jou veel waard zijn.” Ik keek hem aan en gooide het medaillon naar hem toe. “Tot nu toe heeft het je niet veel geluk gebracht niet?” Hij schudde zijn hoofd en ik liep veder.
Ik vond hier en daar een munt maar liet allemaal liggen. Dat waren geen goede dingen voor mij. Ik wou iets. Ik zocht altijd naar het onmogelijke. Op een schip met alleen maar mannen vond ik nooit wat ik wou. Ik keek even rond. Hmmm. Ze hadden goed hun best gedaan. Er waren veel lijken en geen enkel plekje van het schip was nog droog. Ik keek even naar de jongen. “Gaat het wel?” Hij knikte zijn hoofd. Duidelijk niet erg spraakzaam. “Werkte je er al lang?” “Niet echt.” Nee niet erg spraakzaam. Terwijl ik toch zijn leven had gered. Anders zou hij hier ook hebben gelegen. Ik keek in de verte maar nog geen spoor van de ‘Nave’. Maar ze zouden wel komen. Zonder mij konden ze tenslotte geen geld hebben.
Ik voelde zijn ogen op me prikken en draaide me om. “Gaat het met je schouder?” Ik keek hem even aan. Zo zo. Ineens spraakzaam! “Ja hoor, ben wel wat gewend.” Ik voelde even aan me schouder. Er zat een wond in maar gelukkig kon hij niet schieten. Hij keek even over het schip en liep ineens een stuk veder. Goed zo. Ga maar weg. Ben ik van je af. Ik had je ook niet moeten redden!
Ik liep een stukje door en stond aan het eind van het schip. Hier stond het water tot me knieën en ik keek over de zee. Iets verderop zag ik een vaag schijnsel van een schip. Of het de ‘Nave’ was kon ik nu niet zien maar het moest wel. Anders zouden ze me wel ergens zoeken. Ze weten wel waar ik uithang. Overal en nergens maar meestal op de zelfde plek. Als ik niet op het schip was sliep ik op de straat. Nergens anders was plek voor mij. Ik was maar een verschoppeling. En zoals ik me hier voordeed werd ik geaccepteerd maar als ik me voordeed hoe ik echt was zouden ze me vermoorden. Als ze wisten dat ze zo iemand mee zouden nemen zou het dode boel zijn. Ik liep een beetje rond op het schip. Zonder die jongen voelde ik me toch wel alleen en ik kreeg het koud. Ik staarde weer even naar het schip. Ja, het was de ‘Nave’. Gelukkig. Het zou niet lang meer duren of ik was hier weg. Maar waar was die jongen nou heen? Ineens kwam hij uit de stuurhut gelopen en hij had een deken bij hem. Hij liep naar me toe en legde de deken over me heen. Wacht eens even! De deken was droog. Ik keek even naar hem. Waarom zou hij dat doen? Hij zou toch niet weten dat ik…,? Nee! Hoe zou hij dat moeten weten. Ik zuchtte en keek hem aan. “Dank je.” Hij haalde zijn schoudersop en mompelde wat onverstaanbaars. Ik wees naar het schip. “Dat is de Nave.” Hij keek ernaar. “Groot.” Ik knikt een keek even rond op dit schip. Inderdaad. De ‘Nave’ was groter. Tuurlijk. De ‘Nave’ was ook heel groot. Ik zuchtte en keek naar het schip wat dichterbij kwam. Ik herkende al wat mensen en ze vaarde hier naar toe. Op een grote afstand stopte ze en laadde ze een klein bootje en kwamen ze me ophalen. Zoals altijd. Als je nou dacht dat ik een spannend leven had heb je het echt mis. Ik ben het zat. Altijd het zelfde maar ik weet niet waar ik anders heen moet.
En
? Ik vindt het zelf beter dan me andere verhaal
?