Ik liep, met haastige grote stappen richting de deur.
Er werd gelachen. Ik keek naar de grond, en liep hard door. Ik vroeg me af waardoor het kwam deze keer. Ik had mijn haar gewoon in een staart gedaan, en mijn mooiste kleren aan. Een hippe spijkerbroek en een leuk shirt. Ik hing mijn jas aan de kapstok en liep de klas binnen. Ik ging snel zitten en wachtte af. Het was een grote dag vandaag, we gingen praten, met heel de klas. Omdat het eens afgelopen moest zijn met het pesten, ik snapte zelf niet goed wat ik fout deed, maar het moest wel aan mij liggen. Ik probeerde gewoon aardig te doen, blijkbaar deed ik het toch verkeerd.
Het was stil in de klas, ze keken me aan. Ik keek niet terug, maar voelde zoals gewoonlijk de blikken. Ik had zin om te huilen.
Onze meneer, begon te praten, waardoor het nou kwam en wat we eraan gingen doen. Toen stak Dana, het populairste meisje van de klas, haar vinger in de lucht. Toen de meneer haar niet meteen liet praten, riep ze hem. Ze mocht zeggen wat ze wou. Ze keek me vals aan en zei: ‘We kunnen er niks aan doen, we moeten haar gewoon niet’.
Alles werd even donker voor mijn ogen, ik wist niet meer waar ik moest kijken. Alle lucht leek verdwenen uit mijn longen, en ik kon niet meer ademen. Tranen vielen geruisloos op mijn tafel.
Toen liep ik de klas uit, steeds sneller, uiteindelijk rennend over het schoolplein. Ik pakte mijn fiets, en reed als een gek naar huis.
Ik was thuis, en huilde een uur. Het is beter als ik wegga, mensen haten me toch alleen maar. Ik twijfelde geen moment, en rende de trap op.
Toen ik mijn kamer inkwam, zag ik meteen de oplossing die me voor altijd zou verlossen van de pijn, het diepe verdriet, wat nooit meer naar buiten zou komen.
Ik klom op mijn bed, en deed mijn raam open. Hij piepte en kraakte, alsof hij me wou tegenhouden. Toch ging hij open.
Ik klom op de vensterbank, mijn raam nu wagenwijd open.
Ik voelde me vrij, verlost en fijn.
Ik schuifelde een beetje naar voren, mijn tenen kwamen nu over het randje van mijn raam. Ik keek naar beneden, zag de tegels. Maar alles werd vervaagd door opnieuw mijn tranen.
Ik liet de wind met mijn haren spelen, en keek naar de vogels.
In stilte nam ik afscheid van mijn familie, in gedachten.
Ik hield van ze, maar ik wist het zeker, zij niet van mij. Ook al waren ze nog zo lief voor me, ze deden alsof. Iedereen haatte me toch?
Ik hoorde een gil, het drong niet meer tot me door. Ik draaide om, en verloor even bijna mijn evenwicht. Toch bleef ik staan, mijn tenen nog steeds over het randje.
Achter mij floten de vogels verder.
Daar stonden ze, mijn ouders, die zielsveel van me hielden, ook al besefte ik dat zelf niet.
Mijn moeder huilde zo hard, dat ik van de vensterbank sprong, mijn kamer in.
Ik leefde, maar de pijn bleef.