Citaat:Haastig kijk ik achterom, gelukkig, ze komen nog niet achter me aan. Ik versnel mijn pas en ren richting het heerlijke water. Eindelijk vrij.
´Aah, daar hebben we Mazzel weer!´ hoor ik mensen achter me roepen. ´Hij zal wel weer ontsnapt zijn.´ hoor ik ze nog zeggen. Haastig ren ik het water in en begin te drinken. Eindelijk! Eindelijk wat water! Zodra ik genoeg binnen heb zoek ik naar een lekker plekje voor mijn behoefte.
Ik schrik me rot, als ik van achter wordt aangevlogen. Ik verdedig me dapper door te grommen, maar merk als snel dat het geen kwaadaardig volk is. Samen rennen we over het grote, groene grasveld.
Jammer genoeg wordt het spel gauw verbroken. In de verte hoor ik haar al, ‘Mazzel!’. Ik ren nog een rondje mee en ga er dan vandoor. Ik heb nog helemaal geen zin om naar huis te gaan. Eindelijk na 2 dagen weer eens lekker buiten rennen. Snel ren ik door naar het grote velt en ga daar weer lekker het water in. Pas als ik weer opkijken van het zwemmen, zie ik dat ze al bijna bij me is. Ik besluit om maar braaf te wachten. Als ze voor me staat kijkt ze snel om zich heen. Voordat ik het door heb, heb ik een schop tegen me voorpoten te pakken. Van schrik spring ik achteruit. ‘BLIJF’ schreeuwt ze. Ik ben bang. Weet niet waar ik heen moet en wacht dus braaf. Ze maakt me riem ruw vast en sleurt me mee aan de riem. Elke keer krijg ik een ruk aan de riem, of slaat de musketton tegen me kaak aan. Ik snap niet wat ik fout heb gedaan. Ik heb braaf gewacht op haar. Zodra ik thuis ben word mij nog een schop verkocht en moet ik in mijn ‘hok’. Mijn hok heb ik al sinds ik een pup was. Hij is te klein. ‘Die rot hond!’ hoor ik mijn baasje vloeken. Zachtjes begin ik te piepen. Met mijn neus lig ik tegen het tralies aan. Ik kan geen kant op. Na een lange tijd mag ik er eindelijk uit. Ik wil haar bedanken. ‘Rot op Mazzel!’ zegt ze tegen me. Ik snap het niet. Wat doe ik fout. Ik sluip naar de achtertuin om me even lekker uit te kunnen rekken. Voordat ik het door heb hoor ik de deur achter me sluiten. Ik loop verbaast naar de deur door met het idee dat me baasje me gewoon even vergeten is. Ik spring tegen de deur op en begin te blaffen. Boos komt mijn baasje naar buiten toe. ‘Hou je kop Mazzel!’ ik snap het niet. Waarom al dat gedreig. Ik piep nog eenmaal zachtjes. Zodra ik me omdraai voel ik nog een harde knal tegen me billen aan. Weer schrik. Ik schiet naar voren, waardoor ik met mijn hoofd tegen de schutting knal. Ik hoor haar lachen. Ik draai me om. Ik ben het zat. Ik ren naar de deur die nog open staat en vlieg de woonkamer in. Dreigend blijf ik, met mijn tanden bloot, tegen over haar staan. Ik zie de woedende blik in haar ogen. Ze grijpt naar de bezem die naast haar staat en probeert me daarmee op afstand te duwen. Als ze merkt dat het niet werkt, voel ik al snel de harde klappen op mijn hoofd en mijn ribben. Ik geef niet op. Woedend bijt ik in de bezem. ‘LOS MAZZEL’ schreeuwt ze. Ze laat de bezem los, als ze merkt dat ik niet luister. Ik hoor het slot van de voordeur open gaan en zie dat zei de deur open doet. Zonder erbij na te denken ren ik de deur uit. Als een speer ren ik weg. Ik ben lekker op dreef als ik ineens hard klap tegen me heup aanvoel. Ik gil het uit van de pijn. Ik ben bang. Wat is er gebeurt. ‘O nee.’ hoor ik een mannen stem zeggen. Ik kijk omhoog. Ik wil vluchten. Wil weg van hier. Opstaan gaat niet. ‘Rustig maar hondje’ hoor ik de man zeggen. Hij heeft geen woeden in zijn stem. Hij lijkt wel bezorgd te zijn. De man loopt weg. Ik begin te piepen. Wat gaat hij doen. Ik ben zo bang. Ik hoor de deur van een auto open gaan. De man komt weer naar mij toe. Ondertussen hoor ik hem bellen. ‘Goedemiddag. Ik sta momenteel op de Ebslijn en heb zojuist een hond aangereden. Hij ziet er slecht uit en kan niet bewegen.’ Vertelt de vriendelijke man. ‘Ja, natuurlijk blijf ik bij hem!’ hoor ik hem zeggen. Ik zucht diep. Wanneer gaat die pijn nou eens over. ‘Oke, tot zo.’ Ik hoor dat de man dichterbij komt. ‘Rusitg maar beesje. Ik zal bij je blijven.’ Hoor ik de man zeggen. ‘MAZZEL!’ hoor ik haar roepen. Ik moet weg. Niet naar haar. Ik wil weg. Maar ik kan niet! Ik beweeg in paniek heen en weer en ontbloot me tanden. Weg! ‘Wat is hier gebeurt!; hoor ik haar gillen. ‘Rustig mevrouw. Het spijt me, maar ik heb u hond aangereden.’ Verteld de man. Als ze net wat terug wil zeggen hoor ik nog een auto aankomen. Naast mij stopt de auto. Ik voel dat er mensen aan me zitten. Ik dreig. Ik houd hier niet van. Dit is eng. ‘MAZZEL!’ schreeuwt ze. ‘Doe normaal!’ zegt ze nu iets rustiger. ‘Mevrouw, dit is heel normaal. Zo te zien heeft de hond een flinke klap tegen zijn heupen gehad. Hij heeft pijn.’ Verteld de vreemde man haar. ‘We nemen hem mee naar de dierenarts. Willen jullie mee rijden?’ vraagt de vreemde man. Ik hoor de aardig man ja zeggen. Zei zegt niks.
Als ik op word getild voel ik overal pijn. Ik gil het uit. Het doet zo’n zeer! Ik word voorzichtig in de auto gelegd. Als ik weer uit de auto wordt gehaald, word ik op een tafel neer gelegd. ‘Het ziet er niet best uit.’ Verteld een man, die erg vreemd ruikt. ‘Zijn heupen zijn verbrijzeld.’ Verteld hij. ‘Ik vrees dat we hem alleen nog maar in kunnen laten slapen.’ Ik hoor geen geluiden meer om me heen. Ik hoor alleen gesnik. Het gesnik van een man. De aardige man.
Het is een kort verhaal. Er komt dus geen vervolg. Ik hoop dat jullie het wat vinden. Laat asjeblieft een berichtje achter. Met het liefst natuurlijk tips!