Zin om te typen is altijd leuk, totdat je geen inspiratie heb. Hiervoor was het precies andersom maar nu heb ik toch wel een stukje dat ruim aan het aantal woorden komt. Hier is het, hopelijk vind je het leuk. Het was dus een moeilijk stukje om te typen, ook omdat ik ook nog eens in een nieuw persoon moest kruipen. Hier is het dan echt.
Citaat:
Na enkele dagen komt Tivor me opnieuw opzoeken. Een onzichtbare muur duwt me van de deur weg en dan komt Tivor naar binnen. Zonder anderen maar als de deur dicht gaat weet ik dat ik er toch niet uit kom. Opeens bedenk ik iets. Nog steeds ben ik niet te zien en de muur is verdwenen. Tivor zegt dat ik tevoorschijn moet komen maar dat doe ik niet. Ik ga als een razende door de kamer vliegen zodat de scanner niet duidelijk aan kan geven waar ik ben. Na een tijdje begint hij het zat te worden en gaat gewoon zitten. “Het put jou meer uit dan mij hoor.” Zegt hij, maar ik weet dat dit niet waar is. Hij voelt namelijk wel steeds iets heen en weer vliegen en ik heb toch superveel energie. Ik voel hem steeds meer verzwakken en opeens merk ik een lek in zijn beveiliging. Toch ga ik gewoon door want dat maakt het voor mij alleen maar makkelijker. Dan schiet ik in hem en schakel mijn gedachten en geheugen uit.
“Waar is hij nu?” Vraag ik me hardop af. Ik scan maar merk dat hij weg is. “Hoe is dat mogelijk? Ik ben beschermd, de deur is beschermd, hoe kan hij ontsnappen?” Ik schut mijn hoofd en vertrek. “Hij is ontsnapt op één of andere manier.” Zeg ik tegen de bewaking, “zoek uit hoe!” de bewaking salueert en ik knik. Ik loop naar de grot waar mijn shuttle in staat. Ik ga naar binnen en besluit op met bed te gaan liggen. “Dat dit er ook nog bij moet komen. Eerst dat die gast al in de ruimte ontsnapt was naar Cibrum, daarna dat het opsporingsmechanisme het begaf, toen de ziekte die onder de paarden uit brak waardoor we nieuwe moesten jatten, tegelijkertijd ook nog dat meisje, toen die energiebron die een vaag iets bleek te zijn, Fouars die heel wat apparatuur gejat hebben, de onderzoekingsmanier van Aron die verkeerd uitpakte, de aanval van de bosnimfen, de ontdekking dat Iris een verrader waarschijnlijk is, dat vage iets opnieuw, de ontsnapping van dat en dat Iris steeds zwakker wordt. Er moet echt niet nog iets bij komen.” Na een tijdje besluit ik te gaan slapen. Dat gekloot van dat iets heeft me ook niet echt energieker gemaakt. Hij was overal. Langzaam val ik in slaap.
Om mij heen zijn velen: dat iets, verschillende versies van Iris, Catastraphor (die man), Aron, Amai, Mikador, Leo, de bosnimfen, de Fouars en nog wat van de bewaking. Iedereen schreeuwt naar mij in hun moedertaal. Het lawaai is oorverdovend en ik versta geen van allen. Dan komen de Irissen dichterbij samen met dat iets. Lanzaam sluiten ze me in en dan raakt dat iets me aan en verdwijnt. De Iris die is zoals de echte nu is raakt me ook aan en dan schiet vanalles door mijn gedachten. Opeens weet ik waar Catastraphor is en dat noch Iris noch dat iets verraders zijn. De andere Irissen verdwijnen en de echte Iris stort in en is bewusteloos. Dan verdwijnen alle wezens om mij heen stuk voor stuk. Iris verdwijnt als laatste en ik word wakker.
Ik besluit direct naar Iris te gaan maar eerst kijk ik in de spiegel. In het spiegelbeeld zie ik niet alleen mijzelf, maar ook dat iets. Ik kijk achter me maar daar is hij niet. Ik controleer mijn beveiliging volledig en dan vind ik het lek. Even schrik ik maar dan bedenk ik dat het geen verrader is en snel zorg ik dat ik er acceptabel uit zie en vertrek dan snel naar Iris. Als ik bij haar cel kom vind ik het verdacht stil. Direct loop ik door naar waar ik naar binnen kan kijken en zie haar op de grond liggen. Ik zet de beveiliging uit en ga snel naar binnen. Ik scan haar en zie dat ze bewusteloos is. Is die droom dan door haar gekomen? Ik til haar op en breng haar naar de ziekenboeg. Ik kom Amai tegen onderweg en hij schrikt zich lam. “Wat is er gebeurd met haar?” vraagt hij. “Weet ik niet. Wil jij alvast naar de ziekenboeg gaan om te waarschuwen dat ik met haar bewusteloos aankom.” Hij knikt en rent weg. Ik loop stevig door en af en toe kom ik iemand tegen. Als ze iets willen vragen geef ik met een klein seintje aan dat ze door moeten lopen. Binnen 5 minuten ben ik bij de ziekenboeg en daar nemen ze Iris over van mij. Ze wordt onder de grote scanner gelegd maar daar komt niks uit. Ook uit bloedtest komt niks en ze besluiten haar een energiestoot te geven. “Catasterine.” Schiet er door mijn hoofd, het heeft de stem van Iris maar heel zwak. “Mag ik even de computer gebruiken?” vraag ik. De doktoren knikken afwezig. Catasterine blijkt een stof te zijn die voor de meeste wezens heel giftig is maar bij sommige van levensbelang en dus niet giftig. Ik vraag of ze gecontroleerd is op aanwezigheid van Catasterine. Leo kijkt me even aan van hoe weet jij überhaupt van die stof af maar schud daarna nee. Ze checken haar erop en dan blijkt dat ze sporen van Catasterine draagt. “Geef haar 80 mg Catastrerine. Dat moet genoeg zijn om reactie te krijgen.” Zegt Leo. Mira, de assistente, pakt het uit de koelkast en zegt dat er niet zoveel van is. “Zo’n 250 mg maar dus let op met de dosissen.” Leo knikt en doet er 80 gram van in de hypospray, een soort injectiespuit die op lucht werkt in plaats van met naalden.
Het hol van de leeuw.
Hij geeft het aan Iris en direct zie je de kleur in haar wangen terugkomen en na 5 minuten komt ze bij. Zo’n vooruitgang heeft niemand verwacht en Leo wil de beveiliging roepen maar ik zeg dat dit niet nodig is. Ik haal de Trai uit het voorraadkastje en bevestigt die op de verwarde Iris. “Hoe is het nu met je?” vraag ik. En ze antwoordt verdwaast dat het gaat. Langzaam kijkt ze helderder uit haar ogen en een paar minuten later vraag ik hoe het kan dat ze Catasterine in haar bloed heeft zitten. “Bedoel je Feraline, of toch iets anders waarvan ik nog niet wist dat ik het in mijn bloed heb zitten?” vraagt ze onbegrijpend. Ik antwoord dat het wel kan dat ze het Feraline noemt, maar dat ik me afvraag of zij gedachten kan lezen en sturen omdat ik opeens Catasterine in mijn gedachte had toen ik haar zag liggen in de ziekenboeg. Ze knikt en zegt dat ze heel hard aan Feraline heeft gedacht voordat ze bewusteloos raakte. “Ik heb het gefluisterd in de laatste seconden.” Zegt ze. Ik knik, verbijsterd van dit. “Normaal maakt mijn lichaam het zelf aan maar ik was te gespannen om te gaan mediteren. De laatste keer was denk ik voordat jullie me voor het eerst gevangen namen en volgens mij zit hier Mysterine in de lucht of eten want het moet hier heel vaak.” Mysterine ken ik niet dus vraag ik aan Leo wat dat is en hij zegt dat dit waarschijnlijk A-catasterine is, het tegenmiddel voor Catasterine. Iris knikt bevestigend, ze zegt dat het zoiets is. “Ik breng je terug naar je cel want anders kunnen er problemen ontstaan. Daar zal ik je ook uitleggen hoe dit alles gebeurd is.” Zeg ik tegen haar. Ze wordt nog een keer snel gescand maar als het echt goed blijkt te zijn mag ze met mij mee. We komen snel bij de cel aan en we gaan samen op haar bed zitten. “Ga je het nu uitleggen Tivor?” Ik knik en begin te vertellen over dat iets dat zich een spirit noemt, over Catastraphor en over wat allemaal al fout is gegaan in deze missie. Als ik klaar ben zegt ze dat ze het begrijpt en denkt dat Catastraphor zijn naam van Catasterine overgenomen heeft. Ze weet blijkbaar dat dit voor de meesten een giftig goedje is. “Ik weet niet...” zeg ik twijfelend en daarna zeg ik dat ik moet gaan. Opeens schiet me weer door de gedachten waar ik had bedacht dat Catastraphor ook nog kon zijn. Die naam is dan inderdaad wel goed bedacht maar dat zeg ik niet tegen Iris. Ik loop de cel uit, doe de beveiliging erop en vertrek. Iris een heel stuk gezonder achterlatend.
Direct roep ik Elu Inglorion bij me. De grote Elu dus want we hebben ook nog een kleine, Elu Enikor. Ik leg hem uit waar ik heb bedacht dat Catastraphor kan zitten. In de dichtsbijzijnde grote stad met wat spionnen onder ons midden. Direct leg ik uit dat dit niet die spiritdinges en Iris zijn. “Ik denk eigenlijk dat Aron een spion is. Daarom heb ik hem ook niet geroepen. We roepen Leo, Amai, Mira en Geeron en dan vertrekken we op Prince, Libanon, Koter, Dragon en Fish. Roep jij hen dan zorg ik dat de spullen en paarden klaar staan.” Hij knikt en direct loopt hij weg. Ik ga de 5 paarden opzadelen en optomen, ik gebruik de standaard bitten en de zadels waar van alles onzichtbaar in opgeborgen kan worden als een dolk, een lasergun, een sabel, een gezichtsscherm, touwen, handboeien en ook een EHBO-kit. Binnen 10 minuten is grote Elu terug samen met de rest. Ik ga op Dragon, Amai op Koter, Mira op Fish, Geeron op Libanon en Elu op Prince. Snel trekken wij de gewaden aan die gebruikelijk zijn om te dragen in de stad en daarna springen we op onze paarden en rijden we weg via een geheime weg die ik enkel ken. Onderweg leg ik snel uit wat er aan de hand is in een paar zinnen en dan gaan we een stuk draven. Na een uur komen we aan in de stad en dan volgen we enkel nog mijn instinct. Ik weet dat het goed is maar ik vertel aan hen niet dat het enkel op mijn instinct gebaseerd is. Na een kwartier te stappen door de stad zie ik plots waar we erin moeten. “Dat achterweggetje in.” zeg ik, en we slaan als we erlangs komen erin. Onopvallend haal ik mijn scanner tevoorschijn en al snel heb ik gevonden waar we erin moeten. Mira weet dat ze enkel op de paarden moet letten dus wij pakken onze spullen en laten haar achter met de instructie ons achter te laten zonder paarden als het fout gaat, “Zolang jij en de paarden maar veilig zijn.” Zegt Elu met een glimlach. Mira bloost en knikt, dan gaan we naar binnen...