Ik kreeg net 'inspiratie' om dit verhaal te schrijven. Ik heb het niet zelf meegemaakt, het is verzonnen.
De man staarde voor zich uit. Hij zat in zijn auto, de motor uit. Een vrouw praatte tegen hem maar haar woorden drongen niet tot hem door.
Hij zag mensen heen en weer lopen, een ambulance en politiewagen. Het was als televisie zonder geluid. Zijn hoofd was leeg, geen enkele gedachte verstoorde de doodse stilte.
De vrouw nam zijn arm en liet hem uitstappen. Hij volgde haar maar zei nog steeds geen woord.
Toen hij op een stoel zat begon ze weer te praten. Een dokter verzorgde de wonde op zijn voorhoofd. De man keek naar zijn auto. Hij stond in het midden van de weg. Er vertrokken remsporen vanaf zij achterwielen.
Een eindje verder stond een vrouw, grote tranen rolden over haar wangen. Een man aaide door haar haren, zijn ogen rood van het huilen. Bij hun stond een meisje, van dertien, met een nat gezicht. Ze liep naar een kleurig fietsje op twee meter van de auto. Daar zakte ze snikkend ineen en schreeuwde om haar broertje.
Er passeerden twee verplegers met een brancard, waaronder duidelijk een klein lichaampje lag. De man staarde naar het fietsje.
Langzaam kwam alles terug: het licht dat op rood stond, hij die dat te laat zag en dat fietsje, dat fietsje van dat kindje. Dat kindje dat nu onder een wit doek lag en weggebracht werd.
Hij wist nog dat hij had getoeterd en zo hard als hij kon op zijn rempedaal was gaan staan. Te laat. Er volgde een klap en een schreeuw. Zelf had hij ook geschreeuwd, woedend omdat zijn auto geblust zou zijn! Dat stomme rotkind! Wat deed die daar op de weg!
Er waren veel mensen komen aanrennen. Een man en vrouw stonden bij het fietsje, het fietsje dat nu op de weg lag. Het stuur was krom, het zadel afgebroken en het voorwiel weg.
Eén van hen had iets vast, iets wat op een kindje leek. Een kindje dat net vrolijk had gefietst en naar zijn ouders gezwaaid. Maar hoe lang de man ook keek, het kindje leek niet te bewegen.