
Ik ben een vrij actieve 'dromer'. Elke nacht 2 of meer. Soms vertel ik 's morgens in geur en kleur mijn avonturen van die nacht aan m'n vriend, die met een suf hoofd me verbijsterd aankijkt waar ik al deze onzin vandaan haal. Laatst, wederom een droom, vriendlief vond het een 'vet' verhaal met de mededeling: 'Je moet het eens opschrijven, je kunt een boek volschrijven.' Van het een komt het ander, de grote lijn op papier gezet en gekeken of ik een hoofdstukje kan schrijven.
Bah wat moeilijk, alles wat in mijn hoofd zit op papier... Pagina's vol en nog niet eens 1/100 van het verhaal, alleen maar details, details en details. Ingekort tot wat kleinere hoofdstukken, als een soort van basisverhaal. Twijfel, wat moet ik ermee, logisch gevolg: bokt!

Het verhaal speelt zich af in 2043, door de crisis 30 jaar geleden is er een enorme tweedeling ontstaan tussen arm en rijk. Steffie leeft in de laag, de allerarmste arbeiders. Geen uitzicht op beter en geen toekomst. Totdat de kans zich voordoet om aan dit leven te ontsnappen, maar met een enorm gevolg, ze kan nooit meer terug!
Hoofdstuk 1 Koud
Langzaam open ik m’n ogen, het is nog donker en ik ril over m’n hele lijf. De deken voelt vochtig koud aan en m’n huid voelt klam. Ik snak naar een warme douche, ik sla de deken van me af en zet een blote voet op de ijskoude vloer. De moed zakt me gelijk in de schoenen wanneer ik me realiseer dat ik geen warm water heb. De energierekening moet betaald worden, maar ik heb vorige week mijn geld moeten besteden aan een doktersbezoek. Ik hoor m’n moeders stem in m’n hoofd: ‘Steffie, mensen uit de laag moeten altijd goed afwegen wat belangrijk is. Eten, een dak boven je hoofd of het betalen van de energierekening. Wij kunnen het nou eenmaal niet allemaal hebben.’ Ik zucht en draai me langzaam om, pak m’n oude horloge van de grond en ik zoek voorzichtig naar een straaltje licht van de lantaarnpaal die zwakjes door de kier van m’n gordijn schijnt. Half 6, over een uur moet ik de bus hebben naar de fabriek. Ik klamp me vast aan de schrale troost dat het daar in elk geval warm is.
Het is 5 voor 7 als ik met een klein kopje slappe thee mezelf klaarstoom voor een nieuwe dag in de fabriek. Voor iemand uit de laag heb ik een prima baan. Het bestaat uit het verzamelen van producten die de rijken besteld hebben, om ze vervolgens in te pakken en te labellen. Voor elk pakket wat ik klaarzet krijg ik een vast bedrag. Ik mag zo lang doorwerken als ik wil maar om 11 uur ‘s avonds sluit de fabriek en moeten we weg. Om 7 uur ’s morgens begint het pakken. Ik baal van de grote bestellingen, soms ben ik langer dan een half uur met m’n kar en de pakbon aan het lopen door de enorme hallen, om alle producten bij elkaar te verzamelen. Deze bestellingen kosten me enorm veel tijd maar leveren me net zoveel op als bestellingen met maar 1 product.
Ik loop naar mijn bonnenkastje. Iedereen heeft een eigen kastje met een slot, om te voorkomen dat collega’s grote bestellingen bij andere collega’s neerleggen. Ze zeggen dat de pakbonnen eerlijk verdeeld worden, maar ik weet allang dat dit niet klopt. Zo heeft Rosa, een beeldschoon meisje met meer inhoud in haar voorgevel dan in haar hoofd, toevallig altijd hele kleine pakketten. Ik blader snel door de stapel bonnen heen om te kijken of ik meerdere bestellingen tegelijk kan pakken. Ik zie 5 bonnen uit het segment ‘klein huishoudelijke electronica’. Die hal is minstens 15 minuten lopen en ik baal dat de dag zo moet beginnen. Vroeger haalde ik nog weleens alle producten van de meest verre hallen als eerst, legde ze op m’n paktafel om vervolgens de producten uit de dichterbij gelegen hallen te halen om daarna alles in een keer in te pakken. Een harde les was het, toen ik merkte dat er collega’s zijn die in de tussentijd snel je producten van je paktafel pakten. Tegenwoordig weet ik precies hoe groot alle producten zijn en hoeveel ik in een keer in m’n kar kan stoppen. Snel blader ik nogmaals m’n bonnen door om te zien of ik niks gemist heb, in m’n hoofd bereken ik de snelste route en begin met lopen.
Het is kwart over 12 als ik mijn laatste pakket van de ochtend de lopende band op schuif. Ik heb honger en ik sleep mezelf naar de bedrijfskantine. Zoals ik al eerder zei, heb ik voor iemand uit de laag een prima baan. Tussen 12 en 1 kan er gegeten worden. Je krijgt een lunchpakket van de baas, wat een unicum is. Het is niet veel, maar het vult en je hoeft in elk geval zelf niet naar het openbare punt om je boodschappen te bestellen. M’n moeder vertelde me dat er vroeger winkels bestonden, waar je je boodschappen zelf kon kopen. Door de crisis vroeger, zijn langzaam alle winkels verdwenen en kun je alleen online kopen. Ik heb nooit geleefd in een tijd van winkels, maar soms, als ik aan het werk ben, fantaseer ik dat ik door een winkel loop, en dat ik mijn eigen kar vol laadt met producten die voor mezelf zijn, en dat ik bij mijn paktafel de spullen afreken en in mijn eigen doos laad om mee naar huis te nemen. En in m’n achterhoofd laat ik zachtjes de stem van mijn moeder fluisteren, die in geur en kleur verteld hoe het vroeger was.
Ik duw m’n zware kar vooruit. De tijd lijkt voorbij te kruipen als ik op de grote bedrijfsklok zie dat het pas half 4 is. ‘He, sorry, mag ik iets vragen?’ klinkt het achter de grote rekken vandaan. Ik schrik, het is lang geleden dat ik iemand heb horen praten vanuit de hallen. Er mag absoluut niet gesproken worden, 1 woord en er volgt ontslag. Ik gluur tussen de dozen door en zie aan de andere kant een gezicht. ‘Sorry, maar ik weet niet waar ik naartoe moet, kun je me helpen?’ Klinkt de warme vriendelijke stem. Ik gebaar dat er niet gesproken mag worden. In de verte stevent een toezichthouder in een rap tempo op me af. Ik laat de jongen beteuterd achter me als ik zelf snel een andere laan in schiet.
Met mijn hand hou ik stevig de buis boven mijn hoofd in de bus vast, de chauffeur rijdt flink door en de weg naar mijn wijk is slecht onderhouden. Het sneeuwt natte sneeuw buiten en het waait zo hard dat de vlokken bijna horizontaal door de lucht vliegen. Bijna word ik op de grond gesmeten door een enorme kuil in de weg, ik weet mezelf nog net staande te houden. Er ontstaat direct geroezemoes in de bus en ik kijk om me heen of er mensen zijn gevallen. Achter me krabbelen twee mensen overeind, het lijkt niet ernstig. Als mijn blik omhoog gaat kijk ik ineens in 2 grote, starende blauwe ogen. Er schiet een klein schokje door m’n lijf en ik kijk snel de andere kant op. Het is de jongen van de fabriekshal vanmiddag. Ik voel me rot omdat ik hem niet kon helpen en snel weg ben gegaan. Ik draai mijn hoofd om en direct kijk ik weer in de grote blauwe ogen. Ik druk mijn lippen stijf op elkaar en doe een poging tot een flauwe glimlach. De jongen vertrekt geen spier, het enige wat hij doet is kijken. Ik pers er nog een flauwe glimlach uit, in de hoop dat er iets in zijn nietszeggende uitdrukking zal veranderen. Helaas. De rest van de busrit voel ik de ogen in mijn rug prikken. Ik durf bij geen enkele halte te kijken of hij uitstapt en ik blijf strak voor me uit kijken totdat ik bij mijn halte ben. Ik stap uit, de koude wind in mijn nek en loop zonder om te kijken vlug naar huis.
Hoofdstuk 2 De Jongen
Ik stap de deur uit en ik snuif de heerlijk koele lentewind op. Het is zoals altijd bewolkt, maar de temperatuur is aangenamer dan de laatste maanden. Ik ben vroeg en als ik via een omweg naar de bushalte loop kom ik langs de vuilnisbelt. Bij de papierbult kun je met een klein beetje geluk aan een oude krant komen. Mensen uit de laag krijgen weinig mee van het nieuws. Er is geen geld voor televisie of internet. Er zijn centrale punten waar je voor een klein bedrag op internet kan, zodat je boodschappen kunt bestellen, maar door de lange werkdagen heb ik daar alleen op zondag tijd voor. Met mijn arm reik ik zo ver mogelijk door de spijlen van de vuilstort. Ik grabbel in de hoop een krant te pakken te krijgen. Ik voel iets wat op een krant lijkt, trek het naar me toe en kijk. ‘Tijd voor vakantie? Reis naar de toekomst!’ Op de voorkant van de folder prijkt een foto van een prachtig wit palmbomenstrand met mooie mensen, perfecte glimlachen en spierwitte tanden. ‘Reis vanuit je bed naar een droomoord, dat is pas uitgeslapen terugkomen!’ Op de achterkant van de folder staat een groot rond logo, VRT met daaronder in kleine letters ‘Virtual Reality Tours’. Ik verfrommel de folder en gooi hem terug tussen de spijlen. Nog een keer gris ik tussen de vochtige papieren voor een krant. Ik grijp naar iets wat op een krant lijkt en stop het in m’n tas. Ik moet doorlopen om de bus te halen.
Het is niet zo druk als gewoonlijk en er is plek om te zitten. Dat is een luxe die ik me niet vaak kan permitteren dus ik plof neer op de harde bank en open mijn tas om de krant eruit te halen. Ik strijk de voorpagina voorzichtig glad en zie dat ik geluk heb, maandag 9 maart 2043. De krant is pas een week oud. De krant staat vol reclame, producten en diensten waar ik nog nooit van gehoord heb en welke alleen bestemd zijn voor de rijken. Het belangrijkste voorpaginanieuws gaat over een internetketen die miljarden winst heeft gemaakt. Als ik de krant opensla zie ik behalve de schreeuwende reclames verder weinig nieuws. Ik blader door naar het weerbericht en zie dat het weer zal opklaren. Dat is gebleken, want de laatste dagen is het niet meer zo guur als de afgelopen maanden.
Ik sla de krant dicht en bewaar het kruiswoordpuzzel voor mijn lunchpauze. Als ik opkijk schiet er een klein gilletje uit m’n mond. Ik kijk recht in een stel grote blauwe ogen. ‘Sorry, ik had je niet zien zitten.’ zeg ik. Er valt een korte stilte, de jongen kijkt me aan en vraagt of ik ook in de fabriek werk. Ik knik, ik weet wie hij is. Het is die jongen van de vorige keer, die het waagde om in de hal te praten. Daarna heb ik hem nooit meer gezien. Ik was er vanuit gegaan dat hij was ontslagen. ‘Jij ook?’ vraag ik. Hij knikt, ‘Aan de band in sectie C’. Het bandwerk is vreselijk, kan ik me herinneren uit de tijd dat ik daar begon. De band gaat sneller dan je handen kunnen en je word betaald per uur. Het is ondraaglijk om lange dagen te maken op de band, want het is fysiek zwaar werk. ‘Heb je niet een tijd in sectie F gestaan, in de hallen?’ vraag ik. ‘1 dag’, antwoord de jongen, ‘ik was te traag en ik had gepraat, toen ben ik gedegradeerd’. Ik zwijg, ik weet niet of hij mij herkent en ik durf er niet over te beginnen. Een klein gevoel van schuld bekruipt me. Als ik daar niet had gelopen had hij niet aan de band hoeven staan. De rest van de busreis blijven we stil, maar als we uitstappen knikt de jongen naar me en komt er een kleine glimlach op z’n gezicht. Ik glimlach terug.
(ook lange afstands treinen, nachttreinen e.d., dus het is wel een soort reisbureau
)
