Na een uur voelde ik me al iets beter, de hoofdpijn was nog niet verdwenen maar wel iets minder geworden.
Opeens hoorde ik de deurbel. Wie kon dat nu zijn? Ik wierp een blik naar de klok die boven de eettafel hing.
Het was al vier uur, ik sjokte naar de voordeur. Onderweg struikelde ik bijna over mijn voeten.
Toen ik voor de voordeur stond, twijfelde ik even, wat als hij eerder was thuisgekomen? Maar dan had hij toch wel een sleutel meegenomen?
Met een piepend geluid opende ik de voordeur.
Voor me stond een jongen van ongeveer mijn leeftijd. Hij had een licht getinte huid en iets warrig donker bruin bijna zwart haar .
Hij keek me verlegen aan met zijn bruine ogen. Ik was even van mijn stuk. Ik kende hem toch niet, of toch wel? Zenuwachtig draaide ik mijn blonde lok achter mijn oor. Hij wist zich ook geen houding aan te geven.
Ineens begon hij te vertellen
‘Onze voetbal ligt bij jullie achter in de tuin’, zei hij met een glimlach.
‘Uhm..bij mij in de tuin’, stamelde ik.
Het leek net alsof hij zichzelf weer herstelde. ‘Ik ben Daniel’, zei hij terwijl hij mij een hand gaf.
‘Ik woon sinds kort in dat hij daar’, hij wees naar de woning naast ons.
‘O leuk’, was het enige wat ik uit kon brengen.
‘Met mijn jongere broertje was ik aan het voetballen, met als gevolg dat de voetbal nu bij jou in de achtertuin ligt.’
‘Ik kijk wel even’ zei ik glimlachend. ‘Heb je even geduld?,’ vroeg ik.
‘Ja hoor ’, antwoordde hij.
Snel liep ik naar de achtertuin om zijn voetbal op te halen.
Na ongeveer een minuut kwam ik aanzetten met de voetbal in mijn handen.
‘Heb je last van je voet?’ vroeg Daniel twijfelend.
Ik gaf hem de voetbal.
‘Ja een beetje, maar het is niets hoor’, antwoordde ik.
‘Oke dan ga ik maar weer, bedankt voor de moeite.’ , zei hij terwijl hij zich omdraaide en wegliep.
‘Geen dank.’, zei ik zo zacht dat hij het niets eens kon horen.
Ik keek hem na en bedacht dat hij niet eens mijn naam wist. Langzaam deed ik de voordeur dicht. Ik voelde een fijn gevoel in mijn buik.
Dit moest Kate weten. Gelijk realiseerde ik me weer dat ik vandaag een afspraak met Kate had te gaan winkelen.
Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan.
Ik liep door de hal langs de spiegel en keek in mijn spiegelbeeld. Het viel me nog mee dat Daniel niet van schrik was weggerend ik zag er niet uit met mijn wallen onder mijn ogen en die grote blauwe plek boven mijn wenkbrauw. Mijn fijne gevoel verdween meteen.
Ik griste mijn mobiel van de tafel en besloot om Kate te bellen.
Na vijf pogingen gaf ik de hoop op. Het zat er dik in dat ze boos was, wat op zich niet heel verwonderlijk was.
Dit was al de derde keer dat ik niet een afspraak kon nakomen. En ik kon ook niet eeuwig smoesje bedenken dat ik van de trap was gevallen of tegen een deur was aangelopen of gestruikeld over een kat. Dat had ik al veel te veel gedaan.
Ik baalde van mezelf ik kon me zo ook echt niet vertonen.
En als ik dat wel zou doen zou ik vast en zeker vervelende vragen krijgen, vragen waar ik niet eerlijk op wilde antwoorden.
De hoofdpijn en de pijn in mijn voet werd weer erger de aspirines waren uitgewerkt.
Ik voelde me weer duizelig worden zo snel als ik kon strompelde ik naar de keuken. Ik vulde het glas met water en legde twee aspirientjes op mijn tong. Ik nam een slok van het koude water en slikte de aspirines door.
Met een zucht liet ik me op de bank vallen. Ik deed mijn ogen dicht en probeerde me zoveel mogelijk te ontspannen. Langzaam sukkelde ik weg. Ik kreeg het gevoel alsof ik viel en bleef maar vallen alles om me heen was zwart. Ik hoorde stemmen om me heen. ‘Je bent ziek!’ ‘Gehoorzaam nu eens!’ ‘Je kan je ook nooit aan de afspraken houden!’ ‘Je kan wel dingen zeggen, maar ze geloven je toch niet.’ ‘Je verdient het niet om gelukkig te zijn!’.
Ik bleef maar vallen het was net alsof het nooit meer zou ophouden.
Ik schreeuwde ‘Hou op!’.
Maar het hield niet op het bleef maar doorgaan. Ik kreeg het benauwd het was net alsof ik werd opgeslokt door al het zwart om me heen.
Opeens voelde ik twee handen op mijn schouders. Ik opende mijn ogen. Twee ogen keken me bezorgd aan. Het was mijn moeder.
‘Rustig maar.’, haal maar even diep adem. Het duurde een paar minuten tot ik mijn ademhaling weer onder controle had. ‘Wat heb je gedaan?’, vroeg ze rustig.
Je bedoeld wat Peter heeft gedaan, wilde ik zeggen maar ik slikte mijn woorden in. Mijn moeder wilde niet geloven dat Peter niet zo perfect was dan dat ze dacht dat hij was. Ik haalde diep adem.
‘Ik ben van de trap gevallen.’, loog ik. Mijn moeder knikte.
Had ze dan niet door hoe volkomen onlogisch dit klonk? Waarom kon ze haar eigen dochter niet eens geloven? Ik kreeg een brok in mijn keel.
Voordat Peter hier kwam waren mijn moeder en ik twee handen op een buik. We hadden het altijd hartstikke gezellig. Helaas verdween dat sinds Peter bij ons was komen wonen.
Mijn moeder wilde alleen maar horen wat ze graag wilde horen.
‘Ga maar even lekker douchen dat zal je goed doen’ glimlachte mijn moeder.
Ik was helemaal klam van het zweet en besloot haar advies op te volgen.
Heel langzaam stond ik op en liep naar de badkamer.