aangezien ik he-le-maal gek ben van superhelden verhalen zoals the avengers etc en ik veel ideeën in mijn hoofd had (teveel eigenlijk
) ben ik het toch gaan uitwerken. Ik vind het lastig om het goed te beschrijven omdat ik het voor mijn gevoel al weet wat voor sfeer ik bedoel etc. Ook gebruik ik te vaak het woordje ik
Snappen jullie het nog?
Ook vind ik dat de gebeurtenissen misschien te snel gaan? nouja, ik wil het toch plaatsen in de hoop het in de loop van de tijd steeds beter te kunnen! 
Dus tips zijn zeeeer welkom, wel opbouwend aub

Nigé, the goddes of victory.
Met moeite doe ik langzaam mijn ogen open. Ze moeten wennen aan het felle licht. Na een paar keer knipperen, probeer ik me te bewegen. Mijn hoofd bonkt en als ik hem met mijn hand aanraak, plakt het. Als ik naar mijn hand kijk zie ik bloed. Ik kreun. Langzaam sta ik op en kijk om me heen. Ik schrik. Alles ligt in puin en er staat geen gebouw meer overeind. Het is een ravage. Ik probeer helder na te denken wat niet echt lukt. Wat is er gebeurd? Ik kijk nog een keer om me heen. Ik kan niet beschrijven wat ik voel: onmacht, verdriet, woede, verward. Opeens zie ik iets in mijn ooghoek. Verschrikt draai ik me om, bewoog daar iets? Er gebeurt niks meer. Ik zucht opgelucht. Ik heb het me zeker verbeeld. Opeens hoor ik een bonk. Ik draai me weer om. Weer kan ik mijn ogen niet geloven. Ik loop achteruit en struikel over een stuk steen. Als ik weer sta is hij dichterbij gekomen. Ik ben bang. Hij is groot en breed gebouwd en hij heeft rare kleren aan. Zwart halflang haar en een stoppelbaard. Zijn ogen zijn helder groen en zijn mond krult omhoog. Als ik naar zijn hand kijk schrik ik. Hij heeft een dolk vast. Kan het nog erger, denk ik. Als hij ziet hoe ik kijk begint hij hardop te lachen. Ik begrijp er niks van. Heeft hij dit allemaal gedaan? “Je had je eigen gezicht moeten zien Nigé” lacht hij met zijn witte tanden en kuiltjes in zijn wangen. Hij loopt op me af en wil me een knuffel geven. Ik ontwijk hem. Hij kijkt verbaasd. “Wat, Nigé? Wat is dat?” vraag ik hem argwanend. “Dat ben jij” grinnikt hij. “Weet je dat niet meer?” vraagt hij met grote verbaasde ogen. Ik snap er niks meer van. “Wat weet ik niet meer?” vraag ik met overslaande stem. Hij kijkt me onderzoekend aan. Ik begin me ongemakkelijk te voelen. “Wat is er nou?”. “ Weet je echt niks meer?” “Nee! Ik weet helemaal niks meer, nu blij?” roep ik. Wie denkt hij wel dat hij is. Hij kijkt in het rond en loopt een stukje weg. Daar tilt hij met gemak een stuk steen van misschien wel 50 kilo op. Met verbaasde ogen kijk ik hem aan. “Wat.. Hoe.. He? Hoe doe je dat?” stamel ik. In de verte komt nog iemand aangelopen. Ik begin me steeds ongemakkelijker en banger te voelen. Toch blijf ik staan, geboeid door hoe de mannen bewegen en zijn. “Wat is hier gebeurt?” vraag ik. “ Dat vertel ik zo Nigé” en hij roept naar de andere man, “ Ares! Kom eens hier, we hebben een probleem!” Ik zucht en begin dan toch weg te lopen. Als ik omkijk staan ze me schuddend na te kijken. Na ongeveer 10 seconden voel ik een windvlaag. Als ik opkijk staan ze voor me. “ Laat me niet meer schrikken! Wat zijn jullie in vredesnaam?” vraag ik verschrikt “ en hoe heten jullie dan, als jullie mij Nigé noemen?” Ik kan de andere man nu van dichtbij zien. Hij heeft kort bruin haar en een strakke kaaklijn. Hij is wat kleiner gebouwd maar zeker net zo breed. Hij heeft gespierde armen en grote ogen. Hij komt me bekend voor maar ik weet niet waarvan. Ik wrijf over mijn wang en voel ook een strakke kaaklijn. Pff toeval, denk ik. “ Themis” zegt de zwartharige “ en dit is Ares” Ares lacht. Hij is stoer en schattig tegelijk. “ We komen officieel van Tanrilar, in een ander universum, maar we zijn de afgelopen weken op de aarde geweest om de Kaplan tegen te houden. Dat is een leger met rare beesten die de aarde willen overnemen. Jij bent net als ons.” Hij kijkt twijfelend naar Ares. Die knikt. “ En je bent de broer van Ares.” Hij tuurt naar mij. Gek genoeg vind ik het niet raar toch wil ik het niet geloven. “Waarom zou ik jullie geloven? Ik zag jullie net in een ravage. Wat is er eigenlijk gebeurd? Waren jullie het op die Kaplan dingen?” “Dat is een lang verhaal, als je met ons meegaat vertellen we het je” zegt Ares. “Maar ik weet toch niet of jullie te vertrouwen zijn?” Ik zie Ares en Themis naar een stuk steen kijken. Ze willen toch niet dat.. “Probeer dat stuk steen eens op te tillen” zegt hij. Ik kijk ernaar. Toch wel, ze denken toch niet dat ik dat kan? “Dit is de enigste manier waarop we je kunnen laten zien dat wij gelijk hebben.” zegt Ares als hij ziet hoe verbaasd ik kijk. Ik kijk nog een keer naar de steen. Ik zucht en loop erheen. Als ik omkijk zie ik hun hoopvolle gezichten. Dit gaat me nooit lukken, denk ik. Als mijn handen de steen raken gebeurt er iets met me. Mijn gedachten zijn gestopt en mijn lichaam voelt zich sterk. Ik vergeet alles om me heen. Daar schrik ik van en ik haal mijn handen van de steen. Als ik weer naar Themis en Ares kijk zie ik hoeveel vertrouwen ze in mij hebben. Ik moet het nog een keer proberen, zeg ik tegen mezelf. Mijn handen gaan weer naar de steen en alles gebeurt opnieuw. In eerste instantie gebeurt er niks. Ik probeer kracht op mijn handen te zetten maar het lukt niet. Zie je wel, denk ik, ze hebben ongelijk. Op dat moment, precies bij die gedachte, til ik de steen moeiteloos op. Ik zie de spieren in mijn armen en geloof het niet. Langzaam leg ik het weer neer. Ik draai me om en ik zie 2 lachende gezichten met twinkelende ogen. Ik voel mezelf geweldig, net alsof ik dit altijd gedaan heb. Zou het toch allemaal waar zijn? Ik loop langzaam naar ze toe. “Zie je nou wel” lacht Themis, “je bent hetzelfde als ons. Wij zijn echt en geen sprookje, hoe moeilijk het ook te geloven is.” Er valt een stilte. Ik kijk om me heen. De stenen beginnen te trillen en de grond te schudden. Ik kijk om me heen en zie Themis ook rondkijken. Opeens roept Themis “ Wegwezen!” en ik zie ze wegschieten. Ik haal mijn schouders op maar als ik in de verte een groot gevaarte aan zie komen besef ik dat ik weg moet wezen. Ik begin te rennen. Zou dat een Kaplan zijn? Ik kijk achterom en zie het steeds dichterbij komen. Ik span me meer en meer in en merk dat ik steeds sneller ga lopen. Het voelt alsof ik zo snel als het licht ga. In de verte zie ik Themis en Ares en ga naar ze toe. Net alsof het een teken is gaan Ares en Themis zigzaggen en ze vliegen de lucht in. Ze kijken naar mij en roepen dat ik hetzelfde moet doen. Ik concentreer me, span me in en begin te zigzaggen. Na een minuut kijk ik naar beneden en zie ik het. Ik vlieg! Als ik mijn eerste verbazing te boven ben en de controle heb zweef ik naar ze toe. “Moeten we niet iets doen?” roep ik. “Nee, dat was geen Kaplan, dat was een tank van het leger. Ze mogen niet weten dat wij er zijn” Ik geniet in de lucht. De wind door mijn haren en het gevoel alsof je gewichtloos bent is heerlijk. Ik kijk naar Themis en Ares. Ik kan het niet bevatten. Heb ik daar mee gedaan? Opeens raakt mijn hoofd vol met gedachten en vragen, of ik mensen vermoord heb, of ik altijd al zo geweest ben en noem maar op. Ik begin me zwakker te voelen. Themis en Ares lijken steeds verder weg te zweven. Ik roep, maar ze horen me niet. Opeens wordt alles zwart, ik voel hoe de zwaartekracht me naar beneden zuigt, alsof hij me wil opeten. Ik laat me meevoeren naar waar hij me naartoe brengt. Dan maak ik een klap. Vaag hoor ik voetstappen en geschreeuw. 2 mannen maken ruzie en roepen mijn naam. Dan zak ik helemaal weg.
Weer voel ik me zoals toen. Mijn hoofd bonkt. Als ik mijn ogen open ben ik in een sneeuwwitte ruimte met enkel 2 stoelen en een tafel. Ik lig in een bed. Op de stoelen zitten Themis en Ares. “Godzijdank je bent wakker” roept Ares. Themis begint te glimlachen. Ik voel me opgelucht, het was geen droom. Ik ontdek dat ik het leuk vond, het vliegen en de steen optillen. De spanning die het meebrengt. Zouden Ares en Themis zich ook zo voelen? Zachtjes vraag ik “ wat is er gebeurd?” Themis komt naar me toe gelopen een veegt een haar uit mijn gezicht en ontbloot zijn tanden. “ Dat vliegen was teveel voor je, je had bijna geen energie en dat heeft je genekt. Je bent naar beneden gevallen.” Zegt hij. “Waar ben ik nu dan?”. Ares antwoordt “ je bent nu in het ziekenhuis van Tanrilar. We hebben je hierheen gebracht. Nu moet je uitrusten.” Ze kijken me aan en lopen de deur uit. Ik zucht. Ik kan het gewoon nog niet geloven. Ik ben dus gewoon een god, zoals zij het noemen. We komen van een andere planeet. We zijn gewoon helden. Ik weet niet wat ik moet vinden. Het is zoveel veel in korte tijd. Toch begin ik me dingen te herinneren. Vaag in mijn hoofd komt Ares voor. Themis zie ik ook vaag. En mezelf, ik zie mezelf, vechtend maar toch elegant. Op dat moment komt er iemand binnen gelopen en ik schrik me rot. Ik ken haar! Hoe kan dat nou, denk ik. Ze is oud maar knap met mooie lange bruine haren en witte vleugels. Ze draagt een stoere maar toch vrouwelijke blouse en broek. Ze kijkt me aan. En dan, dan besef ik het. Ik weet opeens weer wie ze is!

